Meander * Eerder * Artikelen * Krishna in de grachtengordel
 
Krishna in de grachtengordel
Bert van Weenen

Na zijn vertaling van de 'Bhagavad-gita' (Mirananda 1983) zette Hendrik van Teylingen, die al eerder drie gedichtenbundels en een boek over Suriname had gepubliceerd, zich tot het schrijven van verhalen. Het werden autobiografische verhalen met veel humor over een gereformeerde domineeszoon die zich ontwikkelt tot aanhanger van het hindoeïstische geloof. Van Teylingens eerstelingen werden door De Bezige Bij uitgegeven als 'De schildpad en het schot' (1985) en 'Zorgvlied' (1987). Samen met de korte roman 'Depot voor Discipline' (1990), waarin Van Teylingens ervaringen als dienstweigeraar worden beschreven, kun je deze verhalen beschouwen als opmaat tot het drietal religieuze romans waarmee Van Teylingen de belangrijkste religieuze auteur van dit decennium werd. Op 25 december vorig jaar overleed Hendrik van Teylingen, na een pijnlijk ziekbed waarover hij nog sprak in een interview in Trouw van 3 oktober. "Mijn romans benadrukken het geestelijke," zegt hij in dat vraaggesprek. "In elke roman wordt de Bhagavad-gita wel verduidelijkt. Als het religieuze element in mijn romans niet naar voren zou kunnen komen, zou ik ze niet hebben willen schrijven." Door Van Teylingens dood heeft onderstaand overzichtsartikel, dat ik begin december afrondde, helaas ook het karakter gekregen van een posthuum eerbetoon.

GODIN SARASVATI
Hoe kun je een goddelijke verschijning voor een groot publiek aannemelijk maken? Van deze taak kwijt Hendrik van Teylingen zich met verve in zijn eerste religieuze roman 'De verschijning van de godin Saràsvati in Hellevoet' (1995). Als een moderne profeet verkondigt hij in dit boek de blijde boodschap van de hindoeïstische godin Saràsvati, die op 22 september 1990 verscheen aan Parmi Clifford Kocq van Breugel, met wie Van Teylingen enkele jaren later, als feitelijk gevolg van deze verschijning, in het huwelijk zou treden. In deze 'ware geschiedenis van een folie à deux' sleept de schrijver zijn lezers mee door de wonderlijke, exotische wereld van Krishna en andere hindoegoden.
Een spirituele wereld waarover de ex-gereformeerde domineeszoon Van Teylingen opmerkt: "Zo kan ook schrijver dezes in zijn bar calvinistisch milieu zijn neergeworpen om hem te stimuleren zich er zo gauw mogelijk uit weg te haasten - Godlof met behoud van kostbare noties als waarheid, eeuwigheid en liefde - naar een appetijtelijker vorm van spiritualiteit."
De gloedvolle beschrijving van Van Teylingens ontdekking van de Bhagavad-gita en zijn bekering tot het Krishna-geloof vormt een hoogtepunt in deze autobiografische roman.
Maar er zijn ook twijfels. Net als Gerard Reve maakt Hendrik van Teylingen zijn lezers deelgenoot van zijn godsdienstige getob omtrent zaken als reïncarnatie en goddelijke leiding. Zou Saràsvati, de Stromende, de godin van de taal en de geestelijke kennis, wel zoveel om een paar kleine zieltjes geven dat ze zich rechtstreeks met hun leven zou bemoeien?
Op pagina 49 van 'De verschijning van de godin Saràsvati in Hellevoet' klaagt Van Teylingen erover dat zijn grote roman 'De Chaitanya cultus' - waarvan al een aantal hoofdstukken waren gepubliceerd in het literaire tijdschrift Ruim - door zijn uitgever is geweigerd vanwege een teveel aan religieus taalgebruik. Ondanks de goede, humoristische stijl wil De Bezige Bij er niet aan. Het mag dus wel een wonder heten dat dit magnum opus, nu onder de titel 'Dronken olifanten', uiteindelijk toch nog in druk is verschenen. Zou hebben meegespeeld dat Van Teylingen inmiddels actief was als columnist op de kerkpagina van het dagblad Trouw? Aan het religieuze taalgebruik heeft Van Teylingen in elk geval niet geschaafd, integendeel: voor de hindoeïstische termen is zelfs een speciale typografie gebruikt om zo dicht mogelijk bij het originele Sanskriet te blijven.

RAMPJAAR 1998
In 1996 publiceerde Hendrik van Teylingen opnieuw een roman met een opvallende titel: 'De grote verschuiving van de aardas in 1998'. Deze roman bestaat uit een verzameling anekdotische verhalen en polemieken, die Van Teylingen schreef tussen september 1994 en februari 1995. Het verbindende element is de aardasverschuiving die volgens Van Teylingen in 1998 zal plaatsvinden, met catastrofale gevolgen voor de wereld. Hij beroept zich daarbij op diverse toekomstschouwers, waaronder Edgar Cayce en Chet B. Snow, en schetst tegelijkertijd tegen de achtergrond van deze dreigende Apocalyps een innemend beeld van zijn eigen Vedische geloofsopvattingen. Literaire en levensbeschouwelijke polemiek gaan in 'De grote verschuiving van de aardas in 1998' hand in hand. Tegenover de atheïstische en materialistische levensvisies die ons denken tegenwoordig lijken te domineren, plaatst Hendrik van Teylingen een op eeuwenoude hindoeïstische wijsheid gebaseerde houding van dienstbaarheid en dankbaarheid. Zijn persoonlijke leven neemt hij daarbij als voorbeeld.
'De grote verschuiving van de aardas in 1998' zou je kunnen beschouwen als een soort tussenboek, net als Van Teylingens verhalenbundel 'De huilspiraal' (1996), waarin hij negen verhalen opnam over zijn tijd in Suriname. De volgorde waarin Van Teylingen zijn autobiografische teksten schrijft en publiceert, volgt niet de chronologie van zijn leven. Voor wie die chronologie bij het lezen wel wil aanhouden, geldt het volgende rijtje:
  1. Suriname ('De huilspiraal');
  2. Hare Krishna-tijd ('Dronken olifanten');
  3. Beginperiode van Sri Caitanya Gemeenschap ('De verschijning van de godin Saràsvati in Hellevoet');
  4. 1994-'95 ('De grote verschuiving van de aardas in 1998').
Beginnen met 'De huilspiraal' is zeker geen slechte keus, want de hilarische verhalen in dit boek laten een Van Teylingen zien die het alledaagse leven, met al z'n seksuele en religieuze besognes, weet om te toveren in een ware sprookjeswereld.

DRONKEN OLIFANTEN
In 1998 verscheen dan eindelijk Van Teylingens grootste en tegelijk ook meest doorwrochte roman 'Dronken olifanten' (De Bezige Bij, 368 p., fl. 44,50). Het boek is een uitvoerige apologie tegenover de corrupte leiders van de Hare Krishna-beweging en tevens, zij het wat minder uitgebreid, tegenover het zelfvoldane gereformeerde christendom van mensen als Sipke van der Land (in de roman aanwezig als Lipke van der Sand). De eerste verhaallijn wordt vooral zichtbaar in de psychologische oorlogsvoering tussen de Amsterdamse tempeloverste Harinama Dasa (Van Teylingen) en de "zonal pr minister" Hiranyagarbha Dasa, door Van Teylingen ook wel Shri Hasti (Heer Olifant) genoemd. De Heilige Olifanten - onder andere beeld van de god Ganesha wiens afbeelding het omslag siert - zijn bij Van Teylingen slachtoffer geworden van de materiële wereld waarin ze zijn neergedaald. De begeerte naar macht en geld heeft de geestelijke leiders corrupt gemaakt, zodanig zelfs dat ze terugvallen in een puur materialistisch bestaan of door jaloerse medegelovigen worden vermoord.
Daarnaast komt Harinama door een TV-uitzending in conflict met aanhangers van het gereformeerde geloof dat hij zelf als jongeman is ontvlucht. Ondanks vooraf gedane toezeggingen blijkt de documentaire over Harinama's Amsterdamse Krishna-tempel geen eerlijk beeld te geven van leven en geloof van de Hare Krishna-discipelen. Voor het oog van 'de miljoenlijvige cycloop der Lage Landen' worden ze voorgesteld als een stelletje psychopatische hersenspoelers, en als verontschuldigingen van de kant van de christelijke zendgemachtigden uitblijven, is een rechtzaak het gevolg.
In engere zin wijst de term "dronken olifant" (matta hasti) op de overtreding van de dronken olifant (vaishnavaparadha), een soort zonde tegen de Heilige Geest in het hindoeïsme: belediging van een toegewijde dienaar van Vishnu, de Opperheer, die identiek is aan Krishna. Harinama's hogergeplaatsten wijzen hem er dan ook onophoudelijk op, dat hij zich moet onderwerpen aan zijn guru's en zich niet zo kritisch moet opstellen, want wat zij doen is immers allemaal in dienst van de beweging en tot meerdere glorie van Krishna!

VEDISCHE THEODICEE
Het dramatische hoogtepunt van de roman wordt gevormd door een openlijke aanval van Harinama Dasa op zijn superieuren, meteen gevolgd door de desastreuze TV-uitzending met Sipke van der Land. Als nederige tempeloverste en vertaler van Vedische teksten ergert Harinama zich groen en geel aan de luxe en rijkdom waarmee de leidinggevende figuren in de Hare Krishna-beweging zich omringen ten koste van het hardwerkende grondpersoneel. Alles lijkt er te draaien om de sankirtana: het verwerven van fondsen door middel van het verspreiden van boeken, elpees en schilderijen. "De lakshmi-bedragen slierden in nullenrijke rissen door Aishvarya Gosvami's geest, als de parelsnoeren van de murti, wiens levende vertegenwoordiger hij geacht werd te zijn. Zes dagen per week waren er ruim zevenhonderd bhakta's en bhaktins voor hem op pad: in de Benelux, Frankrijk, het Iberisch schiereiland, Italië, Griekenland, Israël, Mauritius, Zuid-Afrika, de Kaap Verdische eilanden, de Canarische eilanden, de Britse eilanden, Ierland, Canada, New York en binnenkort ook Singapore, Hongkong en Bombay. Allemaal hadden ze hun eigen quotum, vastgesteld aan de hand van hun persoonlijke energie en inzet. Dat quotum werd tijdens speciale perioden, zoals bijvoorbeeld de Kerstmarathon, wanneer de lakshmi los in de zakken van de mensen rinkelde, per gelofte opgeschroefd tot plafonds van steeds fantastischer hoogte." Het spirituele in de Hare Krishna-beweging wordt zoetjesaan omgebogen naar iets commercieels. De missiepost die Harinama's tempel zou moeten zijn, verandert door de ingrepen van op rijkdom beluste managers in een handelsfirma en die verloedering is volgens Van Teylingen symptomatisch voor de Hare Krishna-beweging wereldwijd.
In 'Dronken olifanten' geeft Van Teylingen een raak satirisch beeld van de Hare Krishna-wereld op z'n smalst. Maar hoe kritisch deze schrijver ook is, altijd overheerst bij hem het geloof in de waarheid van de Vedische boodschap. Niet voor niets heeft deze roman, die door de combinatie van hilariteit en religieuze ernst het karakter heeft van een tragikomedie, als ondertitel 'een Vedische theodicee'. Zijn idealisme en vertrouwen in de goede afloop - na veel of hopelijk weinig reïncarnaties - worden door alle stoffelijke beslommeringen geenszins teniet gedaan.

UDDHAVA-GITA
Van Teylingen betoont zich in 'Dronken olifanten' een enthousiast verteller, die zijn verhaal op de juiste momenten weet te relativeren. 'Dronken olifanten' is ook een erudiet boek, met veel informatie over het hindoeïsme. Je ontkomt er bijna niet aan Van Teylingens vertaling van de 'Bhagavad-gita' zelf ter hand te nemen. Of zijn vertaling van de 'Uddhava-gita, het ultieme onderricht van Sri Krishna', dat samen met 'Dronken olifanten' verscheen in 1998.
In dit boek, gepubliceerd bij de Haagse uitgeverij Mirananda (192 p., fl.25,00), belijdt Van Teylingen in een uitvoerige inleiding opnieuw zijn geloof in een persoonlijke God, karma, reïncarnatie, enzovoorts. Het vormt de ideale samenvloeing van literatuur en geloof. Zoals Van Teylingen indertijd al in een interview verkondigde: "Daar komt het op neer, poëzie als lofdicht voor de Opperheer. Dat wist ik niet in het begin, maar daarvan ben ik nu heilig overtuigd. Het is het hoogste waartoe iedere ziel in de materiële wereld kan komen, de naam van God op je lippen is al poëzie. We zingen de Hare Krishna-mantra op wel honderd verschillende manieren. Als je gewoon goed over Krishna schrijft is dat al poëzie."


'De verschijning van de godin Saràsvati in Hellevoet'
De Bezige Bij, Amsterdam 1995, 192 blz.
ISBN 90-234-3431-5
(niet meer leverbaar)

'De grote verschuiving van de aardas in 1998'.
De Bezige Bij, Amsterdam 1996, 220 blz.
ISBN 90-234-3555-9
prijs: fl. 37,50

'Dronken olifanten'
De Bezige Bij, Amsterdam 1998, 368 blz.
ISBN 90-234-3798-5
prijs: fl. 44,50

[gepubliceerd: juni 1999]
 
^