Meander * Eerder * Artikelen * Liefde, verlies en poëzie
 
Verlies
Kees Godefrooij over liefde, verlies en poëzie

1
Na de bestorming van de hemel wilde Zeus dat de mensen een toontje lager zouden zingen.
Weet echter dat de drie seksen nog waren verenigd. Drie seksen? Jawel, drie seksen. Naast man & vrouw was er ook de manvrouw. Je had dus man-man, man-vrouw en vrouw-vrouw, elk koppel als één geheel. Zij allen waren bolrond en hadden vier handen, vier benen, vier oren, twee schaamdelen maar slechts één schedel, een schedel met aan twee kanten een gezicht. Ze liepen rechtop en als ze hard renden, zetten ze zich af met hun acht ledematen en maakten salto's zoals acrobaten doen. Ze waren rond omdat de mannelijke sekse oorspronkelijk afstamde van de zon, de vrouwelijke van de aarde en de sekse die van beide iets had stamde van de maan, omdat ook de maan iets van beide heeft. De mensen waren verschrikkelijk sterk en energiek, bovendien hadden ze een enorm zelfbewustzijn, en zo kwamen ze er toe om een aanval te ondernemen op de goden in de hemel. Zeus besloot de mensen bij wijze van straf zwakker te maken door ze doormidden te snijden (Arrrgh, nee niet doormidden! Heb meelij, heb meelij!). Nadat hij deze dramatische beslissing had uitgevoerd en het oorspronkelijke menselijk lichaam doormidden was gesneden, verlangde elke helft wanhopig terug naar de ander helft, en zij zochten elkaar op. Dan sloegen ze de armen om elkaar heen en grepen elkaar beet in hun verlangen om tot eenheid te groeien. Zo lang geleden dus is in de mensen de liefde voor elkaar ontstaan. Die liefde brengt ze in hun oorspronkelijke gedaante bijeen en probeert van twee één te maken om zo de menselijke natuur te herstellen en te genezen.

2
De (verliefde) melancholicus is degene die altijd al bij voorbaat rouwt, die rouwt om de mogelijkheid van het verlies, die rouwt omdat hij nooit werkelijk, nooit volledig, iets heeft. Iets hebben, voor hem, zou betekenen dat hij het nog onmogelijk kan verliezen. Wat de wanhopige verliefde eigenlijk zou willen is het liefdesobject opeten zonder dat het daardoor vernietigd wordt, een soort doorslikken zonder kauwen en zonder vertering, want de melancholicus is de minnaar die maar één keer wil beminnen en die dus, zelfs in het fortuinlijke maar hoogst onwaarschijnlijke geval van even exclusieve wederliefde, wel compleet verlamd moet worden door de gedachte aan het mogelijke verlies van zijn object.
De melancholicus lijdt aan de angst tot verlies. Door ontroostbaar te worden maakt hij zichzelf in zekere zin ook onkwetsbaar: niets vanuit de buitenwereld kan hem nog ongelukkig maken, hij is het vanzelf al, uit zichzelf al - en hij klampt zich aan zijn lijden vast als aan het enige, volstrekt enige, dat niemand buiten zijn wil kan ontnemen. De pijn komt voor de melancholicus het object vervangen, ze wordt voor hem zijn eerste en zijn laatste, zijn dierbaarste object, oneindig beter, oneindig verkieselijker dan elk reëel object.
De vader, de moeder en het verlies. Het menselijk verlangen is een verlangen om terug te keren, maar terugkeren naar wat en over welk verlies gaat het? Volgens Freud wil het levend wezen vóór alles terug naar de volkomen spanningsloze toestand van de dood. Wat verloren werd is het Nirwana, die vreemde zelfgenoegzaamheid zonder zelf, als enige toestand van absolute veiligheid waar alleen wie niets heeft ook onmogelijk iets kan verliezen. De diepste motivatie van het leven is de onwil, het verzet om in beweging te komen, de angst om risico's te nemen. (Freud kwam hier later gedeeltelijk op terug, maar waarom zou je van zoiets moois terug willen komen?) Zelfs als dit onzin is dan is het machtige onzin.
De opperste zelfgenoegzaamheid voor het levende wezen is de toestand van volkomen passiviteit, waarin men, om zo te zeggen, zelfs niet meer moet eten om geen honger te hebben, waarin men geen honger meer kán hebben en dus al niet meer echt leeft.

3
'Dat poëzie de eenheid tussen taal en wereld, en daarmee tussen geest en lichaam wil herstellen, is een gedachte die ten grondslag ligt aan menige literatuurwetenschappelijke theorie. Jan de Roder heeft er in Het schandaal van de poëzie (1999) op gewezen dat goede poëzie soms een neiging tot betekenisloosheid vertoont, die wellicht voortkomt uit de rituele oorsprong van taal en literatuur. Of die neiging tot betekenisloosheid nu inherent is aan gedichten zelf of eerder een gevolg is van het leesproces, in ieder geval is het een feit dat enerzijds veel dichters de poëzie uit de klank en het ritme laten voortkomen, en anderzijds tal van lezers zich graag auf Flügeln des Gesanges laten meevoeren zonder zich al te veel van de betekenis aan te trekken. (...)
Fascinerend is de theorie van de Amerikaan Amittai F. Aviram, die in Telling Rhythm (1994) heeft betoogd dat de betekenis van een gedicht gezien moet worden als allegorie van de sublieme kracht van het ritme. Het is dus niet primair de inhoud waarom het gaat, maar het ritme. (...) Toch is het een spannend boek, omdat Aviram aannemelijk maakt dat ritme - en ik zou daar andere fysieke aspecten van de taal aan willen toevoegen - appelleert aan duistere regionen in de ziel die herinneren aan hetzij een cultuurperiode waarin het Dionysische nog niet door het Apollinische was getemd, hetzij die fase in onze persoonlijke ontwikkeling waarin we nog geen onderscheid maakten tussen onszelf en de moeder die ons zoogde. Dit zou betekenen dat iedere dichter steeds opnieuw probeert door middel van een in hoge mate cultureel bepaald artefact die cultuur uit te wissen om terug te keren tot een animale oertoestand. Dat is een paradoxaal gegeven.'

-
Dit artikel is onaf. Het bestaat uit drie prangende onderdelen, drie teksten van drie begaafde schrijvers waarvan er twee door mij bewerkt. De onderdelen vertonen weliswaar overeenkomst maar willen niet tot een eenheid versmelten, wellicht omdat de muziek ontbreekt. Ja, ik had de woorden aaneen moeten rijgen op de klanken van Satie.

Literatuur:
Gerard Koolschijn Plato, symposium Amsterdam 1980 (tekst 1)
Patricia de Martelaere Een verlangen naar ontroostbaarheid Amsterdam 1993, negende druk 2003
Piet Gerbrandy Tochtig wrenschen, zelfverslensen. de sublieme taal van Willem Bilderdijk uit: Tirade 407/2005 nr. 1 citaat blz 10-11 (tekst 3)

De tekst van Piet Gerbrandy is een citaat uit het genoemde tijdschrift. De twee andere teksten werden goeddeels gevormd door uit hun context gehaalde citaten uit de genoemde werken.




[gepubliceerd: april 2005]
 
^