Meander * Eerder * Artikelen * Twee miniaturen
 
Twee miniaturen
door Kees Godefrooij

Laatste toast van Anna Achmatova

Zou het kunnen bestaan dat een vrouw zo eenzaam is dat ze alleen nog maar kan toasten op het ongeluk?
Reeds op jonge leeftijd was zij een legende, Anna Achmatova (1889 1966): zij publiceerde gedichten die niemand onberoerd lieten, met een tot dan toe onbekende toon. Getrouwd in 1910 met de toentertijd grote ster Nikolaj Goemiljov, begon zij op haar huwelijksreis een affaire met de nog nauwelijks bekende Modigliani, er zouden meerdere verhoudingen volgen. Acht jaar later kwam het tot een scheiding. Aan het eind van de burgeroorlog in Rusland (1921) werd Achmatova als staatsvijandig element beschouwd en zij zou de komende decennia amper nog iets uitgeven. Pas na 1956, toen Stalin werd 'ontmaskerd' mocht ze weer mondjesmaat publiceren.
- Ja, dat kan.

3 Laatste toast

Op mijn bestaan vol nijd en spijt,
Ons huis in stof en as,
Ons samenzijn in eenzaamheid,
Op jouw hef ik het glas,
En op die ogen, kil en dof,
Die mond, die mij verried,
En op de wereld, wreed en grof,
Op God, die ons verliet.

27 juni 1934 (vert. Hans Boland)

Ik beheers het Russisch niet en kan onmogelijk oordelen over de vertaling van dit vers, maar één ding is wel zeker, dit gedicht staat als een huis! Als een huis dat onderdak biedt aan getergden, ontheemden en... liefhebbers van poëzie. Boland heeft hier in naam van Achmatova een gedenkteken voor de eenzaamheid opgericht. De combinatie van rijm, klankkleur, metrum en ritme (met de sterke afwisseling van 8 naar 6
lettergrepen) doen hier hun werk. Lees het hardop en ervaar de kracht in deze schone. Eigenlijk zou dit gedicht op ieder willekeurig tijdstip, in elk door verraad geteisterd huishouden mogen opklinken. (Op mijn bestaan vol nijd en spijt!). Welke van weemoed overlopende kroegloper zou deze woorden niet voor zich uit willen mompelen? (Op God, die ons verliet!). Het zijn de ideale regels om een boze dag mee te besluiten.

Hans Boland - Maar mijn liefde voor jou maakt me machteloos, Amsterdam, 1999


De nacht van Petronius

Er was die avond geen sprake van vallende sterren en ook de Orionnevel scheen zich nergens om te bekommeren. Toch zou er iets speciaals gebeuren op die winderige winteravond in december. Nippend aan een Spaanse spelonkenwijn las ik in het boek Op de snaren van Apollo, ik was aangeland op pagina 269 bij een gedicht van Petronius, de man die in het jaar 66 op last van keizer Nero op onbekende leeftijd zelfmoord pleegde.
Nooit eerder was ik jaloers op een dichter, altijd kon ik genieten van de pennenvruchten van collega's, zonder meer. Hoe anders deze avond, waarin de wind in kracht toenam, boomtakken afbraken, grachtwater de kade opspatte en het geheel spookachtig verlicht werd door zwiepende lantarenkabels. De nacht diende zich aan, De nacht van Petronius, de moeder van alle gedichten, de troost van menig melancholicus, de tover in elke drank, hierna slechts de leegte.....zes korte regels, zes regels die ík had willen schrijven, maar
helaas, iemand was mij voor, en wel tweeduizend jaar geleden.

De nacht

Mijn god wat een nacht
en hoe zacht het bed
waarop wij versmolten

en onze verdoolde zielen
tussen elkaars lippen goten:
eindelijk geen mensen meer.

(vert. Paul Claes)

Patrick De Rynck - Op de snaren van Apollo, acht eeuwen Latijnse poëzie, Baarn, 1993






[gepubliceerd: april 2005]
 
^