Meander * Eerder * Artikelen * Splash: everything but the mermaid
 
een postmodern essay over wetenschap en poëzie
Splash: everything but the mermaid
door Herlinda Vekemans

Wetenschap en poëzie: op het eerste gezicht hebben ze even weinig met elkaar gemeen als, alweer op het eerste gezicht, wetenschap en religie. De wetenschap spreekt zich echter hoe langer hoe vaker uit over domeinen die traditioneel eerder aan de poëzie en de religie toebehoren. Zo weten we dankzij de wetenschap dat verliefdheid een hersenproces is waardoor we tijdelijk dommer worden. Liefde is blind, het is wetenschappelijk onder de scanner vastgesteld. God zit in de genen, hoorden we onlangs in de pers. De betreurde grote verhalen, ze zijn niet dood: ze zaten al die tijd in onze genen, en we pieren ze er wetenschappelijk wel weer uit. Ons menselijk genoom krioelt van de verhalen. En schrijven zit allicht ook in de genen. Op een dag barst het uit het inktjetpatronengen.

Jan Lauwereyns is dichter, romanschrijver, essayist en neuropsycholoog. Zijn debuut en zijn eropvolgende bundels kregen grote weerklank. Jos Joosten nam hem in zijn essaybundel Onttachtiging (1) op onder de rubriek 'Het serieuze werk', wees op zijn 'uitgesproken formele kant van de poëzie. (...) een bij uitstek postmodernistisch kenmerk' (p. 227). Lauwereyns moet het niet hebben van taalopsmuk: 'Lauweryens' taal is eerder eenvoudig en vertellend maar zij onthult bij nadrukkelijker lectuur een indrukwekkend complex aan betekenislijnen. Lauwereyns' sobere, heldere, soms laconieke toon maakt herlezen des te plezieriger.' (p. 234). Met Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie is er nu van hem een essay te lezen waarin de wetenschapper erudiet poëzie, filosofie en wetenschap met elkaar verbindt. Hij schreef het voornamelijk als wetenschapper, in antwoord op de stellingen van J.H. de Roder over de poëzie, waarin die meent dat het ritueel aan de basis ligt van de poëzie die op haar beurt weer aan de basis ligt van de taal. Poëzie zou in deze visie naar betekenisloosheid neigen, en de ervaring ervan zou in de eerste plaats steunen op lichamelijke sensaties bij klanken en ritme. Als wetenschapper heeft Lauwereyns bezwaren tegen deze redenering en dat is een understatement. Over zijn leeservaring van de essays van De Roder schrijft hij dan ook het volgende: 'bij het lezen (...) stootte ik op zoveel halve waarheden en verdraaiingen op het gebied van de biologie dat ik me bijna persoonlijk aangerand voelde'. Zijn antwoord op De Roder is een aaneenschakeling van wetenschappelijke bevindingen en redeneringen die de stellingen van De Roder tegenspreken. Na een anekdote over de kracht van de poëzie schrijft hij als een wetenschapper: het belang van de probleemstelling wordt benadrukt, er worden andere auteurs bijgehaald om het probleem scherper te stellen, de wetenschapper geeft de lezer iets wat hij wil bewijzen, een soort hypothese (naast de impliciete hypothese die al volgde uit de noodzaak om als wetenschapper De Roder van antwoord te dienen): 'Splash bied ik aan als een toets voor de stelling dat darwiniaans denkende cognitiewetenschappers alsnog zinvolle opmerkingen kunnen maken over zoiets supercultureels, op het eerste gezicht compleet onbiologisch als poëzie en het ontstaan van poëzie.' (p. 13) Hij wil echter meer dan een weerlegging van De Roders ideeën: vanaf p. 81 tot het einde op p.115 heeft hij het over het wezen van de poëzie.

Eerst toch dit: Het onbehagen in de literatuur van J.H. de Roder (2) vond ik een enthousiasmerend werk, niet alleen door de ideeën die nu door Lauwereyns weerlegd worden, maar ook en vooral door zijn verdediging van de poëzie. Ook na lectuur van Lauwereyns' essay heeft de essaybundel van De Roder voor mij zijn glans niet verloren.

Het opzet van Lauwereyns' essay is in hoge mate postmodern. Zijn tekst is het resultaat van constructie en het probleem dat hierbij rijst is dat van de coherentie. Ik haal de mosterd uit het boek van Vaessens en Joostens over postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (3) (4) en pas hun visie toe op deze tekst die zich aandient als een 'lyrische suite', eruit ziet als een essay met wetenschappelijke en kunstzinnige illustraties en mij qua vorm vaak deed denken aan een postmodern gedicht. Postmoderne gedichten krijgen een centrifugaal gehalte, de tekst van het gedicht kan alle kanten op gaan, er komen vele intertekstuele elementen in voor en zoals Joosten en Vaessens het melden in verband met poëzie van Holvoet-Hansen: er ontstaat 'een spanningsveld (...) tussen toevallige opbouw en welbewuste structuur' (3) (p. 73). Dat dit ook het geval is met het essay van Lauwereyns moge al blijken uit de bevreemdende foto's die hij naast wetenschappelijke figuren als intertekstuele elementen in een postmodern gedicht, in zijn betoog opneemt. Hij weet daarbij als neuropsycholoog dubbel goed wat hij doet. Hij weet dat wij als lezer zijn boek eerst nieuwsgierig voor het lezen inkijken, de wetenschappelijke figuren en foto's van bijvoorbeeld hersenen verbinden met het woord 'biologie' in zijn ondertitel, de stukjes notenbalk met de 'lyrische suite', maar de foto's niet meteen kunnen plaatsen. Doe daarbij nog een foto met een navrante aantrekkingskracht (p. 58) en de lezer is in de juiste state of mind: 'klaar' voor meer bevreemdende elementen. Het wetenschappelijke karakter van het betoog is daarvan een voorbeeld, maar het meest bevreemdende element is de verminkte tekststructuur. Alle lezersverwachtingen met de voeten tredend kondigt hij haast nooit aan waarover hij het zal hebben, doorspekt zijn proza met allerhande associatief materiaal en laat blokjes wetenschappelijke tekst (in de marges voorzien van definities van termen) frontaal botsen met stukken poëzie en verstilde muziek (het eerste stukje notenbalk wordt zelfs ingelast tussen een gesplitst woord). Lauwereyns doet onderzoek naar visuele prikkels en verwachtingen ('neuronen, die hoopvol uitkijken naar visuele prikkels', p.72); hij weet als neurowetenschapper, dichter en schrijver erg goed hoe lectuur verloopt, en hoe de lezer zijn verwachtingen opbouwt. Hij geeft die lezer zelden wat hij verwacht. Als hij na een wetenschappelijke redenering voor een keer toch lezersvriendelijk vraagt 'Waar of hoe past de poëzie in deze nieuwe gedachtegang?' kiepert hij vervolgens, uiteraard zonder voorafmelding, een paragraaf van de Russische futuristische dichter Chlebnikov over ons heen. Ik beschuldig hem er niet van met de lezerstolerantie te sollen, maar ik meen wel dat hij zich als dichter en wetenschapper bewust is van de mogelijke uitwerking van een en ander. In mijn leeservaring was die duidelijk. Op dat punt had ik als eerbiedig potloodstrepend lezer een ernstig dipje in mijn dopaminergische neuronen, en neen, 'dipje', slaat wetenschappelijk gesproken nergens op. Laat me het zo stellen: dit postmodern vormgegeven essay is erg interessant en intellectueel stimulerend, maar in zijn vorm ook af en toe ergerlijk.

Aanvankelijk heb ik me ook vragen gesteld bij wat me de terloopse inlassing van muziek in zijn tekst leek. Hij gebruikt zonder veel uitleg de delen van Alban Bergs Lyrische suite als 'structurerend' principe in zijn essay, en verknipt stukjes van het gedeelte Largo Desolato uit die muziek in zijn tekst. Ik vond dat nogal ongepast in een essay waarin hij De Roders positie dat poëzie naar betekenisloosheid kan neigen, weerlegt. Maar bemerk hoe genuanceerd hij hierover denkt: 'het idee dat poëzie naar de staat van muziek zou neigen, (...), kan mij alvast bekoren. Als dit begrepen moet worden als een neiging naar betekenisloosheid, dan zie ik dat in de eerste plaats als een type betekenisloosheid dat door zijn overschot aan betekenis te complex wordt om door het menselijke verstand bijgehouden te worden, zodat de ratio er geen vat op krijgt. Als De Roder dat bedoelt met een neiging naar betekenisloosheid, ben ik het daar niet mee oneens'. (p.54) Genuanceerd, zoals wellicht ook zijn visie op de muziek. Hoe dan ook, zijn tekst getuigt van een meta-ambitie in verband met de vorm die, toegepast op een al postmoderne tekst, resulteert in postmodernisme om het postmodernisme. Dat de muziek in deze lus gezogen wordt, is ondanks zijn nuanceringen enigszins onverkwikkelijk.

Dit over de vorm van Lauwereyns' essay. De inhoud ervan is een middelpuntvliedende leeservaring; een coherent overzicht is onbegonnen werk. Ik heb bijgeleerd, en me hier en daar verbaasd. Ik rapporteer hier over de verbazing, voor wat die waard is. Zijn theorie over poëzie is complex, en over theorie schrijft hij als dichter in zijn intrigerende, taal- en ideerijke bundel Tegenvoetig, tweebenig het volgende: 'wonderen zijn de wereld uit als men in theorie gelooft []'. Enige exegese leidt ook in zijn essay tot relativering van de mogelijkheid om over poëzie een theorie te poneren. Anderszijds lezen we op p. 108: 'Als mijn SPLASH-theorie klopt, (...)'. Wat er ook van zij, voor mij is zijn poëzie het belangrijkst. Over de inhoud van zijn essay eerst een bijzaak, dan iets over een onderdeel van zijn theorie.

Lauwereyns stelt in de loop van zijn wetenschappelijk onderzoek iets vast wat o.a. leidt tot de conclusie dat apen iets als hoop kennen en mentaal kunnen lijden: 'De vaststelling dat er hersenactiviteit (bij apen, HV) bestaat die getuigt van een op de toekomst gerichte voorkeur, een wens dat het zus zal uitpakken en niet zo, deed mij een beetje schrikken. Het rijmde niet met de klassieke dualistische voorstelling, terug te voeren tot het werk van Descartes, dat dieren wel pijn of lichamelijk genot kunnen hebben, maar geen mentaal lijden, geen 'echte' ervaringen van vreugde of verdriet.' (p.75). Eerder in zijn essay schreef hij over dualisme bij de mens: 'Met Damasio en Spinoza geloof ik niet dat zo'n dualisme echt bestaat, anders dan als een gevoel van vervreemding, en wil ik volharden in de poging om alle fenomenen in de natuur op natuurlijke wijze te begrijpen.' (p.58). Het verbaast me dat hij voor dieren wel uitging van dualisme. Het genoom van apen komt in hoge mate overeen met dat van ons. Er zijn overeenkomsten in de hersenen van primaten en mensen. Waarom zouden zij dan wel dualistisch benaderd kunnen worden? Dit lijkt me een uitgangspunt dat niet meteen logisch is. Mocht ik wetenschapper zijn (maar lees in zijn bundel Tegenvoetig, tweebenig hoe het betweters vergaat), ik zou er gezien de ontstellende biologische overeenkomsten tussen de mensapen en de mens veiligheidshalve wel vanuit gaan dat apen mentaal kunnen lijden. Dat dit nu ook wetenschappelijk vastgesteld is, vind ik een prachtige verdienste van Lauwereyns' wetenschappelijk onderzoek.

Lauwereyns' 'beetje schrikken' over zijn vaststelling dat apen mentaal kunnen lijden, wil ik nog graag van wat meer context voorzien. Hij schreef een lang gedicht over een experiment in zijn bundel Buigzaamheden. Hij schreef ook een roman, Monkey Business, over de laatste uren voor de dood van een laboratoriumaapje. De roman werd door lezers en collega-wetenschappers goed onthaald (5), wat getuigt van Lauwereyns' genuanceerde visie op een delicaat onderwerp. De schok in verband met het experimenteren op dieren verwoordt hij als een plots inzicht, dat hij 'opliep' terwijl hij naar zijn dochtertje keek: 'zo'n klein mensje vertoont opvallend veel gelijkenissen met een klein aapje. Op een bepaald moment had ik een erg akelige ervaring. Mijn oog viel op de fontanellen van mijn dochtertje en ik zag plots het beeld voor me dat bij haar een elektrode werd ingeplant. Sindsdien heb ik geen elektrode meer geplaatst.' (5). Dit plotse inzicht, gekoppeld aan zijn eigen wetenschappelijke bevindingen in verband met de mogelijkheid van mentaal dierenleed, een mogelijkheid die hem, de logica van de biologie volgend, haast voor de voeten liep, vind ik ontroerend. Het lijkt me een geval waarbij een waarheid zich maximaal verdichtend achter de kleinst mogelijk blinde vlek verschuilt en zich dan plots als een epifanie onthult. Een waarheid onthulde zich hier aan Lauwereyns als wetenschapper, maar ook aan hem als dichter-schrijver, getuige de inspiratie en de moed die het inzicht hem gaf om erover te schrijven. De dichter als moedige ziener; het respect voor Lauwereyns dat ik al had na het lezen van zijn poëzie, wordt hierdoor alleen groter. Dat ik me niet zo kan vinden in de vormgeving van zijn essay en in zijn theorie over de poëzie, verandert daar niets aan.

Tachtig bladzijden postmodern 'gestructureerde' tekst lang, onderstrepend, wacht ik op het laatste element in de titel van zijn 'suite': het stuk over de poëzie en niets dan de poëzie. De eerste these hierover verbaast me. Die luidt: 'Schrijven begint met het dodelijke verlangen naar stilte.' Lauweryens verwijst naar de Franse filosoof Blanchot die een destructief verlangen, een vorm van Thanatos, aan de oorsprong van het schrijven situeert. Er zijn wel meer dichters die de puurheid van de stilte nastreven. Paul Celan bijvoorbeeld; hij leed aan het trauma van de holocaust. Maar Lauwereyns' eerste these verbaast me desalniettemin, want hier schrijft een darwiniaans denkende cognitiewetenschapper, zoals hij zichzelf noemt. Waarom denkt hij als wetenschapper eerst aan Thanatos en niet aan de darwinistisch verantwoorde en voor de hand liggende Eros? Ik kijk naar de andere twee interessante thesen: ook daar geen Eros. De sonnetten van Shakespeare geschreven vanuit een dodelijke verlangen naar stilte? Lauwereyns had op dit punt ook de januskop Thanatos/Eros kunnen introduceren. Hij vermeldt het erosprincipe terloops wel als darwinistisch gegeven. Hij schrijft dat 'natuurlijke selectie niet enkel begrepen moet worden in termen van de strijd om te overleven. Seksuele selectie en opname in een groep zijn even dwingende factoren.' (p.95) Hij verwijst vervolgens naar Geoffrey Millers The Mating Mind: How Sexual Choice Shaped the Evolution of Human Nature waarin die poneert dat ons intellect verscherpt is door natuurlijke selectie: intelligente mannen maken meer kans bij vrouwen. Seksuele selectie in het darwinisme, het is een wetenschappelijke versie van Eros. Eros is een evolutionair dwingende kracht: het heeft ons gemaakt tot wat we zijn. Darwinistisch bekeken is Eros uiteraard dwingender dan Thanatos; het doodsverlangen zal evolutionair gezien later komen in de ontwikkeling van de menselijke geest. Waarom kiest Lauwereyns eerst voor Thanatos als drijfveer van het verlangen? Waarom vermeldt hij Eros niet eens? Lauwereyns de dichter en Lauwereyns de wetenschapper hebben hier een boeiend meningsverschil.

Ik mis de liefde van de kleine zeemeermin in Lauwereyns' essay. Hij haalt haar er even bij uit de Disneyfilm die de titel met zijn theorie deelt, verwijst naar zeemeerminnen bij andere dichters en besluit de paragraaf op de volgende manier: 'Maar het kan niet mijn bedoeling zijn om de lezer te vermoeien met onnodige uitweidingen.' (p.89). Ontgoochelend. De kleine zeemeermin in het sprookje werd gedreven door Eros en ging daarbij zeer ver. Het mooie aan het sprookje is dat het de Eros aanvult met onschuld, tragische grandeur, spiritualiteit en verlangen dat zelfs op darwinistisch vlak het onbereikbare bereikt, want de kleine zeemeermin behoort tot een andere 'soort'. Het verlangen naar het onbereikbare met een darwinistische invalshoek, Lauwereyns laat hier een sprookje liggen. Ter verdediging van die dichtkunst waarin Eros wel een drijfveer is van het schrijven laat ik hier graag de poëzie voor zichzelf spreken. In sonnet 116 verbindt Shakespeare de liefde en het schrijven:

'Love alters not with his brief hours and weeks,
But bears it out even to the edge of doom.
If this be error and upon me proved,
I never writ, nor no man ever loved.'

'Liefde houdt stand, hoe snel ook tijd verstrijkt,
Tot aan de rand van graf en ondergang.
Als't anders is en men bewijst mij dat,
Dan schreef ik nooit, heeft geen ooit liefgehad.'

vertaald door Peter Verstegen (6)

Deze bedenkingen doen geen afbreuk aan de veelzijdigheid van Lauwereyns' essay. Hij presenteert zijn theorie mijns inziens immers ook als een wetenschapper. Een wetenschappelijk artikel is naast een verslag van geboekte resultaten ook een uitnodiging aan de andere wetenschappers in het betreffende veld om theorieën en hypotheses te toetsen. De inspanning van Lauwereyns vraagt om aanvullingen, weerleggingen en instemmingen. Splash is bovenal een wervelende intellectuele leeservaring. Als een nieuwe uomo universale laat hij de lezer delen in zijn onvoorstelbaar erudiete wereld. Het is een literair essay van een wetenschapper die als een dichter naar het onmogelijke streeft.

Jan Lauwereyns - Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie
Vantilt, Nijmegen 2005; 128 blz.; € 14,90
ISBN 90 77503 26 9
www.vantilt.nl

***

Van Jan Lauwereyns verschenen de dichtbundels Nagelaten sonnetten, Antwerpen: Manteau, 1999; Blanke verzen, Tielt: Lannoo, 2001; Buigzaamheden, Amsterdam: Meulenhoff, 2002; Tegenvoetig, tweebenig, Amsterdam: Meulenhoff, 2004. Verder de roman Monkey business, Amsterdam: Meulenhoff, 2003 en het essay Het bloembed van de werkelijkheid Gent: Druksel, 2004.
Voor een bijna volledig overzicht van publicaties van en over Jan Lauwereyns zie:
www.druksel.be/nl/fondsen/lauwereyns/bibliografie.html
De nieuwste gedichten van Jan Lauwereyns staan in het Vlaamse tijdschrift Nieuwzuid, nr 16. www.nieuwzuid.be/


(1) Jos Joosten, Onttachtiging. Essays over eigentijdse poëzie en poëziekritiek, Nijmegen: Vantilt, 2003.
(2) J.H. de Roder, Het onbehagen in de literatuur, Nijmegen: Vantilt, 2001.
(3) Thomas Vaessens & Jos Joosten, Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen, Nijmegen: Vantilt, 2003.
(4) Voor kanttekeningen bij het postmoderne in de poëzie, zie het artikel van Abe de Vries, Het experiment van de afbraak. Problemen van een postmoderne poetica, De Revisor, nr 3/4 , 2005.
(5) www.kuleuven.ac.be/ck/2003_04/09/ck15-09-lauwereyns.htm
(6) William Shakespeare, Sonnetten. Tweetalig; vertaald door Peter Verstegen, Amsterdam: Van Oorschot, 1993.

Zie ook:
- het afgesloten maar nog leesbare weblog van Bas Belleman, met o.a. lezersimpressies van Splash: doetpoezieertoe.web-log.nl/log/2850377 en Bas Bellemans weblog-openend artikel op 'Rottend Staal': Doet de poëzie er nu eindelijk toe? www.epibreren.com/rs/rs_frame.html?bellemanessay.html

- het helder geschreven essay van Henk van der Waal, De urgentie van het dichten, waarin hij voor de poëzie een andere weg aanbiedt naast die van de determinerende wetenschap, met Blanchot de urgentie van het dichten onderzoekt, en uitlegt hoe poëzie er volgens hem kan toe doen. In: Koen Vergeer en Yves T'Sjoen (red.) De Volksverheffing. Jaarboek voor poëzie.Amsterdam / Antwerpen: Atlas, 2004






[gepubliceerd: juli 2005]
 
^