Meander * Eerder * Artikelen * Het gedicht als wanhopige kleine ode aan de zorgvuldigheid
 
Het gedicht als wanhopige kleine ode aan de zorgvuldigheid
door Wil Fraikin

Waarschijnlijk kent U wel enige gedichten van Arjen Duinker en dan denk ik speciaal aan drie gedichten met de titels 'Detaillering', 'Briljantgeel' en 'Vroege drukte'.
Ik kan ze steeds weer opnieuw lezen en ik heb de preverbale notie dat ze over iets gaan, dat wel gesuggereerd of opgeroepen maar niet gezegd wordt, en wel: poëzie maakt geen gebruik van beeldspraken maar ís haar eigen beeldspraak; causaliteit binnen het gedicht is irrelevant; met logica kom je niet verder dus analyse is zinloos en tenslotte: identiteit is toeval omdat het toeval onze identiteit bepaalt. Dit is niet postmodern, want Gorter en Roland Holst zouden dit direct onderschrijven! Een (talig) bewustzijn onttrekt zich aan dit alles: want laten we nu eerst eens gewoon eerlijk bekennen dat beeldspraak, causaliteit, logica, analyse en identiteit op het prelinguïstische niveau niet werken, ook zij zijn tussen mensen afgesproken conventies opdat er begrip en polemiek heersen! De dichter is alleen, gelukkig.
Ondanks dat ik de dichter Duinker een filosofische onderlegdheid toedicht, zijn deze gedichten geen filosofisch traktaat maar wel een sympathiek manifestje, alsof Duinker zeggen wil: ik kan het ook niet helpen dat alles zo in elkaar steekt maar als je mijn gedi/achtes gelezen hebt, kun je beter met dat besef leven, dus wees zorgvuldig.
Is poëzie een vorm van waarheidsvinding? Ja, en bij het schrijven en lezen kun je maar beter zorgvuldig zijn. Het schitterende aan Duinker vind ik dan ook nog eens, dat hij het bestaat om een poëzie te schrijven zoals ooit eens geloof, wetenschap en kunst één waren. Arjen Duinker behoort in mijn heelal tot een van de betere rotswandtekenaars. Hij is hierbij ook nog eens consequent én compromisloos. Zouden deze de kenmerken kunnen zijn van goede poëzie?
Waarom zouden dichters zich met waarheidsvinding bezig houden in een maatschappij waarin veel andere vormen van waarheidsvinding (de regering, het justitiële apparaat, het wetenschappelijk onderzoek) hoger geacht worden en veel beter betaald worden?

Ik geloof dat dichten meer met een mentaliteit te maken heeft, dan met het hebben van een grote woordenschat die je verder (tenzij hormonaal) niet kunt slijten. Deze mentaliteit zou ik kunnen noemen: verbale brille in tijdnood. Wim Crouwel schijnt ooit eens gezegd te hebben, toen hij nog directeur bij 'Total Design' was, dat vormgeving een kwestie van mentaliteit is. En mentaliteit hangt van bewustzijnsinhouden af. En hierin verschillen mensen enorm.
De Middeleeuwer móet een andere mentaliteit gehad hebben: de aarde lag in het centrum, hij leefde in een geestelijke en maatschappelijk totalitaire maatschappij en wat hij kon en mocht weten, lag al klaar: geschreven, geschilderd en gebeeldhouwd.
Anno nu, na zovele 'revoluties' op elk terrein van het leven is onze mentaliteit wel even anders en lijkt de vervlugging steeds sneller te gaan. Zelfs onze kinderen hebben al een andere mentaliteit dan wij. Zij worden weer iets triester dan wij en wij kunnen ze ervoor niet behoeden: we kunnen ze hoogstens bijvoorbeeld de liefde voor poëzie bijbrengen.
Want die Middeleeuwer was wel gelukkiger, ook al duurde dat korter, maar dat wist hij toen nog niet.
Maar zou morgen het bericht komen van buiten de aarde (iets met algoritmes of zo), dat er ook nog anderen bestaan buiten de mensheid, en dat deze Extra-Terrestials al lang onze genen geüpgraded hebben, dan zouden wij ons rot schrikken, en ons bewustzijn, onze houding en onze mentaliteit zouden op slag veranderen. Zo erg (?) is het nog niet, maar veranderingen in mentaliteit en onze werkelijkheidsperceptie vereisen weer een nieuwe sensibiliteit die weer een nieuwe uitdrukkingswijze zoekt, of we het willen of niet.
Er groeien nu generaties op, die van meerdere mannen of vrouwen kinderen zullen hebben, die vaak zullen verhuizen, die werkende en niet voor geld werkende periodes zullen meemaken, die periodiek cultureel amateuristisch scheppend bezig zullen zijn, die verschillende beroepen zullen uitoefenen, nog hoger groeien en ouder worden en vaker en langer zullen studeren. Toch weer even anders dan dat rustige leven van die eerste na-oorlogsen.

Het gevoel (ik neem nu een voorbeeld) 'jaloezie' is jonger dan de mens en het pak-hem-beet man-vrouwgebeuren. Zou er nu eerst een dichter voor nodig geweest moeten zijn, die erover schreef? 'Hé mensen hoort mij, ik ben het slachtoffer van een mij onbekend gevoel: ik splijt mijn buurmans schedel ervoor: dit is niet te dragen, dat loeder!' Waarna het bij het schrijven bleef en er verder van schedeltjesplijten afgezien werd. Zou poëzie dan ook nog zachtmoedig maken? Ach, en dit is nog maar zoiets simpels als jaloezie.
Er ontstaan nieuwe, subtielere emoties of we het willen of niet. Eens zullen er menselijke klonen rondstappen en dichten. Stel U een iemand voor met wie U praat (U kent dat wel: terrasje, herbalifewaterpijp en ozondrankje), bekent hij ineens dat hij gekloond is, maar af en toe ook goed dicht: Wat zouden we dan voelen? Huiver? Walging? Neeklonie? Klofobie? Clonor resistans (deze is voor de classici)? Eerst is er het rare gevoel, dan de notie ervan, dan het communiceren erover, maar geen wetenschappelijk medewerker die jou nog ziet lopen of staan. Soms denk ik wel eens, dat veranderingen het eerst kenbaar worden in die kunstvorm met de kortste scheppingstijd: het gedicht. Kijk, dat is nu het fijne van poëzie: potloodje, papiertje en hoppeta: effies laten bezinken, een vakzuster mailen, bijslijpen, goed voelen bij dit alles, je wat spiegelen aan je goed dichtende medebroeders en dan maar droppen in het ervoor geëigende circuit. Maar: het talent moet het doen, naast het hebben van een visie.
Ben ík blij dat er gedicht wordt en ik soms terug kan lezen wat ik al vermoedde? Dit geeft mij goede moed, beter nog, hier krijg ik energie van. Van een goed gedicht wordt een lezer nooit moe. Het is het beste middel vóór de Prozac. De dichter mag mij zo verontrusten als hij kan, graag zelfs, want ik word ook erg ongerust om wat ik om mij heen zie gebeuren en lees, en dus ook binnen mijzelf merk wat er verandert.
De dichter signaleert, maar hoeft het probleem niet op te lossen, want hij kan dat niet. Hij is net zo machteloos als ik. Maar zijn gedicht geeft mij goede energie, een soort geestelijke adrenaline. Hiermee is de poëzie dus weer maatschappelijk zinvol: zorg naar menselijke maat.
Ieder mens is met waarheidsvinding bezig, alleen de grootte van de terreinen, de onderwerpen, de codes en de bewustzijnsinhouden verschillen. Zijn we niet meer met waarheidsvinding bezig, dan zijn we niet meer toerekeningsvatbaar, dan zijn we psychisch niet meer in orde. Ja, en nu zult U wel zeggen, wat dacht je dan van die erotomane driftkikker van een Achterberg, of die sombere Andreus of de manisch-depressieve Vincent van Gogh? Oké, allen hadden een fikse persoonlijkheidsstoornis, MAAR: ze hadden ook een meer dan middelmatig talent, naast een grote mate van zelfreflectie, taalvaardigheid of schilder- en tekentalent. Ze wisten diep in zichzelf dat ze iets te pakken hadden wat telde, ze wisten dat ze met 'waarheidsvinding' bezig waren en wilden daar zorgvuldig mee om gaan. Ze waren iets op het spoor gekomen.

Goede, schitterende poëzie geeft goede energie. Van slechte gedichten worden goede dichters moe. Daarom zou ik niet willen ruilen met dié dichters die ook nog poëziekritieken schrijven -wat ze doen omdat ze ook moeten leven. Erger zijn de categoriseerders, die welbespraakt zonder zelf te dichten (zeggen ze) het machtsbastion quasi veristisch aanvallen: ze weten dat wij weten dat zij gefrustreerd zijn, omdat zij weten dat er eerst het gedicht is, en dan hun bespreking.

Wie dat wil, kan verzuipen in de huidige nationale productie van verzen.
Lees de eerste twee regels en je weet het al. Ook schrijver dezes (ja ik dicht, zelfs pretentieus) kwam recentelijk thuis met een veertien en een halve centimeter hoge stapel bundels van aanstormende amateurs, en - je wilt zorgvuldig zijn - lag dagen op apegapen over wat daar stond. Dan maar even het knopje om van poëzieliefhebber naar antropoloog die een nieuwe stam ontdekt heeft. Begrijpen wij elkaar goed: dit is een democratie. Ieder mag schrijven en lezen wat ie wil. Maar dit kan en wil ik niet. Hier word je doodmoe van, ondanks de vrijheid van meningsuiting die wij in ons hart meedragen.

Daarom mis ik Van Gogh, Büch, Achterberg, Andreus, Hermans, Joan Diddion, Jellema en ben ik blij met hun waardige opvolgers. Lees ze, de bundels uit de serie De 100 beste gedichten van ... Onlangs verscheen daarin De 100 beste gedichten van 2004, samengesteld door Thomas Vaessens (De Arbeiderspers, ISBN 90 295 6226 9, € 9,95)


[gepubliceerd: augustus 2005]
 
^