Meander * Eerder * Artikelen * De Dordtse dichter Tjeerd Segaar (1938-1996)
 
De Dordtse dichter Tjeerd Segaar
door Wil Fraikin

'Ik ben de zoon van een postbode en dat geeft me het recht
slechte manieren te hebben.

Ik schrijf zelden of nooit over pappie.
Hij is een soort rustende verzetsheld,
met de vrede tevreden en lui,
tiert wel vaak over het loonbeleid
met al het elan van vroeger jaren, het eten halen, de winter
van vier op vijfenveertig
dat komt omdat wij erg arm zijn en omdat
ook mijn grootouders al arm waren,
waarbij ik nog over mijn moeder moet zeggen
dat haar ouders helemaal nergens waren,
maatschappelijk bedoel ik,
ze woonden in een achterbuurt
en als ze verhuisden gingen ze naar een andere achterbuurt

Maar mijn vader is zijn hele leven bij de PTT geweest,
(aan de post noemt hij dat zelf).
Zijn vader was trouwens hetzelfde, ook aan de post.

Toch is pa daar helemaal niet kapot van
het is voor hem geen reden zich minder te voelen
dan noem maar op de dokter, zijn direkteur
de dokter noemt hij altijd: die rotpil,
de direkteur van het postkantoor noemt hij een hufter.

Die dingen maken pa voor mij en mijn broers
eigenlijk zonder dat hij onze vader zou zijn,
- want als zodanig voert hij weinig uit
de aardigste man die we kennen.'

Trad de Dordtse dichter Tjeerd Segaar (1938-1996, docent Nederlands, toneelschrijver, galeriehouder en motor achter de 'Werkgroep Dordtse dichters') met dit gedicht in 1966 opnieuw in de semi-openbaarheid? Meander en andere E-zines bestonden nog niet: er waren gerenommeerde poëzie-uitgevers en verder was er naast de literaire bladen niet zo veel meer. Behalve dan de literaire prijsvraag van de 'Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs' waar we nu nog literair op teren! Ik vond het in de verzamelbundel Ultrakort en Langer, verhalen en verzen van de VARA-prijsvraag gekozen door Hella S. Haasse, Hugo Claus, Willem G. van Maanen, Adriaan Morriën en Sybren Polet uit 1966.
Enkele nu niet meer kleine jongens stuurden toen in: Rudolf Geel, Henk van Teylingen, Jacq Firmin Vogelaar en Ad Zuiderent om maar de bekendsten te noemen. Er staan juweeltjes in van toen nog amateurdichters. Hoewel, toen bestond dat onderscheid nog niet: 'je dicht of je bent het niet', geurde het in die tijd: de PvdA bepaalde toen nog geen democratisch verspreid nivellerend afbraakcultuurbeleid!
Tjeerd zou het met lede ogen aangezien hebben. Hij had de oorlog meegemaakt:

Toen

Toen ik nog enkelzinnig was,
papier kostbaar,
de gracht de dood.

Toen was er geen voorval,
papier gebonden,
water tijdloze gracht.

School of vakantie deinden in temperatuur,
dunne schriften,
puisten en strikken.

Toen lag Katwijk veilig tussen de mijnen,
zwart-witboulevard verstuurd,
de dominee brak in de branding.

Toen bewoog de economie per fiets,
elk woord riep om een rijtje,
ik had zintuigen over.

Soep en warm eten smaakten naar snoep,
het licht mocht niet aan,
dus huiswerk bestond niet.

Na Tjeerds plotselinge dood in 1996 werd er postuum een dichtbundel van hem uitgegeven, nr. 6 in de Reeks Dordtse Dichters. Bij leven zou hij van Geert van Oorschot te horen hebben gekregen dat deze alles wat hij in zou zenden, van hem zou publiceren. Kom daar tegenwoordig eens om, toch? Tjeerd deed het niet. Die leefde allereerst en bleef zichzelf, die moest niets hebben van dat gebonden zijn, dat vastgezet worden; naast dat het hem zijn vrijheid zou ontnemen om te schrijven wanneer híj dat wilde. Als ex-student Nederlands te Leiden kende hij de ins-and-outs van het gecoryfeerde dichterschap. En daarnaast, als je niet publiceert, kun je blijven schrijven wat je wilt. Zo was Tjeerds poëzie: eigenzinnig, breed van onderwerp, het momentgebondene ontwijkend naast authentiek. Tjeerd dichtte zichzelf de plaats van een begenadigde gelegenheidsdichter toe. Eigenlijk was hij een 'poets poet'. Wie zoiets is, die heeft talent, maar wil zijn vrijheid, dus zijn eigenste onvoorspelbaarheid, behouden. Dit lukte Tjeerd, en daarom schrijf ik hem hier zijn Parnassus boven de druivenvelden op.

Tijd

Wijn is een lange weg.
Ik verlang zeer traag, als ik dit zeg.

De neus, de keel, de tong -
Ik voel me wijs en jong.

Eenmaal de nacht en dan 10 keer.
De zekeringen gaan tekeer.

De stem van Emmy is gemeen.
Je krijgt haar, maar te leen.

Wijn is een lange weg.
Ik heb mijn hand aan het glas gelegd.

Ik leerde Tjeerd ooit kennen toen hij mijn schilderijen beoordeelde en met mij doorpraatte over inhoud en gedrevenheid. Tjeerd was de eerste galeriehouder met wie ik aan de hand van mijn expositie veel moest optrekken. We vonden elkaar in onze mening dat Cornelis Bastiaan Vaandrager een onderschatte dichter was en we twijfelden beiden aan de artistieke integriteit van de Amersfoorter die zich Armando noemt - diens zelfgeschapen mythe klopte niet. We waren soms lyrisch over de dichters van de Nul-groep en de Fluxusjongens.
Tjeerd mocht ik ervaren als een getalenteerde dichter passend in de 60'er jaren poëziestijl, zo een die ervoor ging zitten in zijn zolderkamer, en dan kwam er ook iets uit. Het leek wel of hij het schrijven van gedichten beschouwde als een laatste rustpunt na alles.

Voor mij ligt de postuum uitgebrachte gedichtenbundel van Tjeerd Segaar. Zijn poëzie bekoort mij door zijn quasi laag-bij-de-grondse nuchterheid. Hij kon zijn gevoel in eenvoudige maar zeer rake typeringen samenvatten. Ondanks zijn ongrijpbaarheid en de vervreemdingseffecten in zijn gedichten is hij wars van hoogdravendheid. Hij blijft in al zijn gedichten toegankelijk. Vaak schrijft hij droogkomisch met een trieste ondertoon; zijn keuvelende dichtstijl gaat ongemerkt over naar suggesties door verschuivingen in aanzicht en onvoorspelbare weglatingen. Er zit een bepaalde suspense in zijn poëzie, ook al beschrijft hij geografische tijdsbeelden. Dat zijn poëzie ook zijn autobiografische mimicry was, wist hij, want ook in zijn spreken en argumenteren ging hij met een 'krabbengang' te werk. Hierin vind ik Segaar soms ook in veel van zijn gedichten qua dichtstijl vooruitlopen op toentertijdse en ook hedendaagse dichters.

Onzijdig het schip

Scheepsspant en boorden, ijzeren ledematen,
Bloot voor de maan leg ik mijn doodshoofd.
Ik wil deinen, diep ruggelings te water.
Ik scheep me in en lig aan het Groothoofd.

Ik duw van het stenen kussen af, vaar weg.
Duistere Noord, mijn boeg die stoot jou open.
Ik doe met ogen dicht mijn diesel lopen.
De gladde Noord scheert flanken langs mij recht.

Het Westen brandt van Licht de Wereldwekker
Roest en Erosie rafelen in 't licht mijn huid.

Ik kan de schade na de tocht niet meer bedekken.
Bij de kade duwt men mijn vracht eruit.

Alblasserdam, daar kan de werf verrekken.
Ik vaar in vrijheid zonder schipper uit.

Hij stierf op nieuwjaarsochtend nadat hij van een trap gevallen was. Een vreemde dood op een vreemd moment, maar misschien gaan die dingen altijd samen. Poëzie is zachte lankmoedige draden spinnen als een vegetarische spin: Tjeerd deed dat. Tjeerd had inzicht in poëzie: bij hem was alles van waarde karig.
Ik schrijf dit omdat ik Tjeerd als dichter mis. Ik mis de poëzie die hij nog had kunnen schrijven. Had hij nog geleefd, dan had hij doorgeschreven: dan was hij nu een Anker gelijk.

blauwe maan regelt vannacht verkeer
verlaat met witte pet en riem
een zijstraat van de melkweg om niet meer
naar vrouw en kinderen om te zien
voor hij jouw auto en mijn machien
dimmen, ontkoppelen en remmen heeft geleerd
men heeft ons met elkaar gezien
'ternauwernood elkaar ontwijkend' wordt beweerd

dit is een droom, morgenochtend vroeg
zal ik ontwaken om op verzoek
van de politierechter op te staan
mijn nek te wassen, me uit te rekken
pyama op te vouwen, uit te trekken
en opnieuw het kleinste ruitje van je woning in te slaan

Beste lezer: kent U nog een beter liefdesgedicht? Geen conventie paste op Tjeerd.
Tjeerd was eerlijk naast dat hij ook knap ingewikkeld in elkaar stak. Men mocht hem: hij kon zich wegcijferen. Hij was de motor voor veel dichters en kunstenaars. Slechts in zijn poëzie liet hij zich kennen: hij had alleen maar zichzelf en zijn eigen verwerking van zijn ervaringen: van daaruit schreef hij poëzie. Goede poëzie is eerlijk, elke teveel bedachte constructie is dodelijk voor de schrijverij.
Wat gebeurde er op die zeer vroege Nieuwjaarsochtend? Was er (n)iemand bij? Was hij, flink ingenomen hebbende, de lucht boven een trapgat zijn vliegdwang uit aan het leggen? Wist hij wat hij deed, en nam hij in die fractie een bezopen besluit? Had Tjeerd niets meer met alles? Hij was er open over dat hij een tijd opgenomen geweest was. Hij slikte antidepressiva. En dan nog zo kunnen dichten!
T. Segaar zal nooit het onderwerp worden van een literatuurscriptie: daarvoor publiceerde hij te minimaal. In de 60'er jaren schijnt hij geschreven te hebben voor KAF-t, de Leidse Studentenalmanak en Maatstaf. De gedichten die we nu nog van hem kennen, staan haaks op publicatiegeilheid: zijn generatie was Fluxus, te vergelijken met de New York School of Painters - de tragische generatie die getalenteerd toch koos dat leven hetzelfde als poëzie/kunst is: er is niet meer:

Sentiment

Dichtbij hem in een schoon vertrek
mag ik door glas zijn gezicht zien.

Ik was zijn gewoonte,
totdat ik groeide bij mijn moeder.

Magerder dan toen hij een kleur kreeg en stierf.
Vermagert de dood?

Hij omhelsde haar. Haar ogen glansden. Echt!
Zij loog twee jaar bij haar leeftijd.

Zij waren mooi, want alles glansde
zelfs de winter.

Zij boden alleen zichzelf, toen
precies zoals zij nu alleen is.

Volgens mij is dit gedicht heel vaak geïmiteerd of moet ik zeggen: dit gedicht had een vooruitschaduwende invloed op veel dichters erna die over de dood van hun vader schreven. Maar Segaar stak hiermee zijn nek uit: je dicht als het pas moet. Verder moet je leven. De woorden liggen voor je voeten op straat, in de hoekkroeg, het spoelende water en de wanhopig spartelende vis aan een haak:

Een gedicht op de dag voor Kerstmis 1995

Gegevens en waarnemingen - toen ik bij het water kwam
dat het eiland omringde
diep het mes in Holland - daar stonden de vissers,
Marco Bakker en Corrie in hun oren en de vissen
verlangend voor zich - zij namen geen vissen
waar, maar koud, eindeloos verlangen.

Het water mes in Nederland, hier in Willemstad.
Ik voel een vochtig mes in mijn rug (Wilmesstad).
Toen ik bij het water kwam dat Nederland scheidt
van de politiek, van het bestuur.
Daar staan de vissers met hun apparaten -
Marco Bakker en Corrie Konings gezellig in hun oren
en de vissen verlangend voor zich.

Koud eindeloos verlangen.
Is het verlangen warm?

'Waaróm schrijf je gedichten?', vroeg ik hem.
Het was een tijd stil achter het stuur. Zoals ik ook wist dat het stil was in de inrichting toen de vraag waarschijnlijk ook gesteld werd. Of misschien door de vrouwen die hij ooit begeerde. Het is hetzelfde als aan een alcoholist vragen waarom hij drinkt. Een goed antwoord overvraagt altijd de perceptie van de beantwoorder én van de vragensteller tenzij je een korte inhoud als gecomprimeerd antwoord wenst.
Tjeerd Segaar dichtte, en verder moet je erover niet praten.
'Is poëzie wanhoop?', vroeg ik. 'Nee, het komt erna', zei Tjeerd.

Denkend aan Holland

Het was warm. Ik was arm. Ik zocht mijn vader op.
Ik liep dronken met mijn vader over straat
door Leiden waar de buren zo luisteren. Onweer rommelde.
Wij waren de baas. Hij kocht een pond paling, nog warm.

Mijn moeder deed iets kleins. Zij trok aan het touw van de deur.
Het bliksemde.

Wij staarden naar haar en zagen wat zij deed: koken,
hoorden wat zij zei ze zweeg even later.

En een damesdrankje onder zijn arm op de trap,
verklaarde mijn vader de toestand in de wereld.

In de zwetende straten verdween ik,
tot ik wist dat in een zwarte punt, schuin onder de Roomse kerk,

-'Hic domus dei est et porta coeli.'

vergrijsd en gerimpeld, zij elkaar

beminden.


[gepubliceerd: augustus 2005]
 
^