Meander * Eerder * Artikelen * De Oostakkerse gedichten van Hugo Claus
 
De Oostakkerse gedichten van Hugo Claus
Wil Fraikin

1.

Hugo Claus is bij het grote publiek vooral bekend door zijn romans, toneelstukken en verfilmingen. Voor veel lezers zal hij vooral de schrijver zijn van de meesterlijke roman Het Verdriet van België, maar het eerste dat ik van hem las, waren vijf gedichten uit Paul Rodenko's verzamelbundel Dichters van deze tijd uit 1964; vier gedichten uit De Oostakkerse Gedichten en een uit De Geverfde Ruiter. Claus viel mij niet direct op: ik vond hem wat hermetisch en raadselachtig, ik voelde meer bij de gedichten van Andreus en Warmond. Claus staat in deze bloemlezing bescheiden tussen mededichters als Sybren Polet, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Hans Andreus, Lucebert, en na hem: Ellen Warmond, J. Bernlef en Jan Emmens. Veertig jaar later blijkt Claus een stokroos in volle zon!
De Oostakkerse gedichten, oorspronkelijk in 1953 in het Vlaamse tijdschrift Tijd en Mens verschenen onder de titel Nota's voor een Oostakkerse Cantate, hebben niets zangerigs, maar zijn noties over hoe poëzie geschreven moet worden na de laatste wereldoorlog. Deze versie Claus schreef de gedichten voor hij 24 was - is 'barokker' dan wat ik nu voor mij heb. Tijdens het subjectieve discours dat poëzie schrijven is, schrapte Claus veel.
De bundel bestaat uit vier delen: 'De Ingewijde' , 'Een Vrouw', 'Het Klemwoord Huis' en eindigt met 'Vier Verklaringen' die je beter het eerst kunt lezen. Soms is Claus een duiveltje!
Toch geloof ik dat Claus een heel aimabel mens is: hij opent met een motto dat de sleutel is voor zijn dichterlijke gedachten:

Van het eigengereide naar het merkbare gaat de beschouwing.
Woorden, gekleurd of niet,
Worden sleutels.

Bereikt de brand der keel
Het snelle van de lans, de slachting
En de nacht spreek dan niet tegen:
Woorden openen de beschouwing
Als messen de huid.

Ik begon te lezen en hortend en stotend brak ik over een compromisloos dwingend dichterlijk vocabulaire. Ik schrok en beet door. Stukken herlezend en grammaticaal ontledend begon ik zijn stellingen (want dit is 'stellingen'-poëzie) te herkennen: universeel voor elke (jonge) dichter. Maar Claus doet meer. Hij geeft een nieuwe taal vorm, zijn Vlaamse variant van het Vijftigersvocabulaire, en overtreft die Hollanders ook nog eens. Claus weet zich te beperken omwille van de begrijpelijkheid; hij valt niet mee in de door Lucebert aangevoerde put van vrijheid die tot vrijblijvendheid leidt, het zo beangstigende l'art pour l'art. Claus gaat voor begrijpelijkheid, en gaat niet mee in die toen heersende Hollandse egotripperij, hij staat als een dukdalf boven het Nederlands schrijvende Universum.

Hoe schrijft Claus deze gedichten? Hij is niet hermetisch, absoluut niet, hoogstens voor de Nederlander die in elke koe een symbool ziet voor iets hogers binnen hemzelf. Als taaldier beseft Claus perfect dat hij bezig is met woorden, die de intermediair zijn tussen het ene bewustzijn en dat van anderen. Elk primair woordgebruik is zelfreflectie voor een dichter, het woord opent alles. Het lijkt wel of deze gedichten ook een vermaan zijn aan die Hollandse Vijftigers, en misschien wel aan Lucebert voorop!
Natuurlijk is Claus ook ongrijpbaar, want hij is allereerst de zintuiglijkheid zelve. Elk gedicht ruikt, meestal de geur van het parfum als uitlaatgas. Hij is geen lieflijke dichter en valt niet in de valkuil van het dodelijke sentiment. Claus is aards maar denkt vanuit de luchtlaag erboven. Het is hem gelukt om in 45 gedichten over zichzelf ( 'De Ingewijde'), de liefde ( 'Een Vrouw') en de geografische plaats ('Het Klemwoord Huis') de naoorlogse poëzie weer in het middelpunt te zetten. En dat in een volstrekt eigen vocabulaire, vaag verwant aan de Vijftigers, maar omgezet en gebruikt voor zijn eigen doeleinden: schrijven waar het als dichter eigenlijk om gaat in zijn (het) leven zonder in het maniërisme van de late Vijftigers te verzanden. Hij is als de postimpressionistische schilder, die niet wil verdwalen in het momentane van de impressionist dat tot structuurloosheid kan leiden; Claus bouwt zijn eigen schriftuurlijke huis en doet dat getuige zijn laatste korte romans nog steeds.
Onnavolgbaar, hoewel dat wel door veel Vlamingen geprobeerd is om te doen. Mogelijk dat zij de inschattingsfout maakten dat Claus' poëzie multi-interpretabel dus multi-toepasbaar is, terwijl zijn poëzie na herhaaldelijke lezing duidelijk en eenvoudig is. Maar nogmaals: de innerlijke schoonheid van de Oostakkerse gedichten openbaart zich pas na vele malen lezen (waar poëzie tenslotte voor bedoeld is) én na zich gewoon eerst gewonnen te geven, door weer te lezen als een kind dat de taal/de dingen/de entiteiten voor het eerst ontdekt.

Claus bestaat het om je te dwingen en je door zijn ogen op jezelf vast te pinnen. Claus schrijft geen 'muziek voor taaldieren' (Andreus). Claus weigert zangerigheid of muzikaliteit, rijm komt slechts een enkele keer, maar dan ook heel consequent voor, metrum deert hem niet, inhoudelijkheid is omfloerst: Claus heeft een eigen poëtisch taalkundig woordenboek geschapen, ondanks dat hij zijn kwetsbaarheid erkent: 'Jullie (de Nederlanders, WF) hebben het Woord, wij het Beeld'.
Claus' perceptie en ideeën zíjn Zijn Taal, de Nederlanders 'gebruiken' hun taal; wij zijn de pragmatici die ideeën hebben, Claus ís het Idee. Claus is hierin zowel taalfilosoof, humanistisch beschouwer met Sartriaanse inslag, als minnaar van vrouw, bodem en Vlaamse haard. Claus is hier zowel de revolutionair die voor De Idee gaat, als de toehoorder die stelt: maar eten we dan nog wel en wat? Claus is Apollinisch en Dionysisch ineen. Claus begreep al heel vroeg hoe alles in elkaar steekt. Ten tijde van het schrijven van deze gedichten voelde en begreep hij al wat later in zijn romans (die je kunt beschouwen als nawoorden bij zijn gedichten) anders beschreven herkenbaar werd: de voor het subject verhelderende dialoog met zichzelf, de vrouw als eigenzinnig volgzaam dier, de neutrale omgeving, de gevoelsmatig onteigende familie, de gruwelijkheid onder al het lieflijke aardse bestaan, en de zuivering na de daad, waarbij het slachtoffer een meedogende dader wordt door de vrouw bespeeld, die in haar eigen kuil valt opdat hij haar schuld inlost.
Claus is niet conventioneel gelovig; ieder, maakt hij duidelijk, gaat gebukt onder andermans schuld en neemt hiermee het schuldenaarschap vrijwillig op zich, omdat er anders geen vooruitgang meer is.


2.

Uit Claus' Oostakkerse gedichten valt af te leiden hoe hij tegen werkelijkheid en zíjn werkelijkheid als jonge schrijver aankijkt. Omwille van het begrip geeft hij ons zelfs een handvat, zijn de vier delen van de bundel dus verdeeld in gedichten over hemzelf als dichter, als minnaar en als bewoner van een huis in een hem afwijzende omgeving, maar in een voor hem lieflijk paganistisch landschap, gevolgd door vier poëticale 'verklaringen' over het voorafgaande.
Claus vindt zichzelf als dichter een ingewijde in het besef van het voor hem merkbare, en wil daarover schijnbaar zingen, maar zijn melodieënoogst is wrang en indringend hoewel nooit agressief.
Hij is ouderlijk gedestineerd en zijn omgeving berecht hem hierom achterbaks, naast dat hij als schrijver gewantrouwd wordt. Hij is de Marsyas die gemarteld wordt, zinnebeeld van de bevrijdende blootlegging van het zuivere innerlijk. (Marsyas werd in de Griekse mythologie levend gevild door Apollo, die de mythologische belichaming was van de schoonheid, de beheersing, de maatvoering en de harmonie; Apollo is ook de hoeder van o.a. de dichtkunst; tegenover hem staat Dionysos, die voor de grenzenloze vervoering staat.)
Claus loutert zichzelf door zijn schrijven. Claus vindt zichzelf Dionysisch, maanziek, een nachtwezen verbonden met de vruchtbaarheid van de natuur, een zanger, een veranderend dier en een vlinder die bij dag waarneembaar maar ongrijpbaar is en 's nachts zoek.

Claus dicht erover dat hij dan in een problematische positie belandt: poëzie is nu eenmaal orde scheppen na de overgave: hij beseft dat vervoering en reflectie niet zonder elkaar kunnen, tenzij je kiest voor een zoeken naar een ego-vervlakkend autistisch zingenot of een intellectualistisch verbalisme dat je ook autistisch kunt noemen. Tenzij in poëzie kan dit menselijke probleem nooit afdoende opgelost worden. Claus weet dit en kan erover schrijven; hij bestaat het om op het scherp van deze snede te blijven zonder naar een van de twee kanten af te glijden. Claus voelt aan in taal dat je dit menselijke probleem slechts MET en IN de taal kunt bezweren. De eenheid der tegenstellingen beseffen én er naar schrijven is de eenzaamheid van de dichter. Claus gáát deze weg ook. Hij maakt daarbij de goede keuze: hij kiest voor een dichterlijke (dus Apollinische) Dionysos: hij dicht vanuit zijn onderbuik en de vijf andere zintuigen in een taal anders dan zijn Vlaamse voorgangers die niet van 'een gevlamde anus' durfden te schrijven, maar hij blijft wel bij zijn talige les omdat hij gehoord en begrepen wil worden.
Heinrich Böll heeft na de Tweede Wereldoorlog geschreven dat het Duits als door de Nationaal Socialisten ontkrachte taal, opnieuw als descriptieve taal uitgevonden moest worden. Zoiets gold ook voor Claus. De taal van zijn ouders en zijn omgeving was niet meer de zijne, en die Hollandse Vijftigers waren met andere zaken o.a. zichzelf en de kunstzinnigheid bezig.

De eerste veertien gedichten gaan over de thema's van waaruit hij wil schrijven: het besef ingewijd te zijn als je op je 22ste je persoonlijke positie t.o.v. alles bepaalt - het antikatholicisme of antiklerikalisme, het besef dat als je kiest voor wellust je een afwijzende hypocriete omgeving tegenover je vindt, de vlucht naar het innerlijk van de Verdichtung, het zingen zonder melodie maar zonder vals te klinken, het zich als een dier voelen, de ervaring dat de zee de vrouw sensitiever en ontvankelijker maakt, de dubbelzinnigheid van de vrouw die onder invloed van de man tot hypocrisie verleid wordt, de vermaledijde moederbinding, het zoeken naar de oorsprong van zijn identiteit, de vluchtige vaderrol in zijn leven, het Lourdesbijgeloof van de Vlamingen.
Dit is niet niks - hoe lag dat bij u, lezer, toen u zo jong was?

De volgende veertien gedichten onder het kopje: 'Een Vrouw' hebben geen titels.
Hier excelleert Claus nog meer dan ervoor. Als illustratie neem ik één zo'n schitterend gedicht op.

Met schaterend haar,
Met meeuwenogen, met een buidel op de buik,
Een moeder of een goede verrader,
Wie kent deze laaiende vrouw?

Haar nagels naderen mijn hout,
Haar klauwzeer wekt mijn jachtige huid,
Als een jachthoorn hangt zij in mijn haar te tuiten.

Zij nadert in vouwen en in schicht,
In hitte, in hars, in klatering,
Terwijl in staat van begeerte,
Gestrekt als een geweer en onherroepelijk
In staat van aanval en van moord ik
Omvat, doorploeg en vel,
Gebogen, geknield, het geurend dier
Tussen de lederzachte knieën.

Zij splijt mijn kegel
In de bekende warmte.

De veertien gedichten zijn geen ode aan de vrouw, maar een twijfel over de perceptie van haar zelfdonatie en van het erop volgende samenzijn. Op Wolkers' proza geilde je vroeger, maar Claus pint je vast op het probleem. Wolkers wil domweg behagen, Claus niet. Claus benoemt het gruwelijke maar geeft een uitweg, Wolkers wil grof geld verdienen.
Deze gedichten gaan over de erotiek in het algemeen, de liefdesdaad als ultiem moment, de verwijdering die al in de daad zelf zit besloten, over dat de opperste lustervaring eenzaamheid is; indringend of ontvangend ervaren dat je die ander nooit kunt bezitten en over dat je je afvraagt waar het omklapmoment zit; over de ervaring van de vrouw als een slechts tekstueel benaderbaar prehistorisch wezen, dat trivialiteit aan spreken smeedt, het mythologische dier, de bron- en waternimf, kortom over het onvermogen van de dichter om de persoon in de vrouw te zien zoals hij die van haar binnen zichzelf ervaart. Zij blijft de druïde (de maretak) van de alledaagsheid, onkenbaar. Waarop Claus zich afvraagt of de vrouw in dezelfde mate ook hem niet kent. Wat ze ook niet doet, vindt hij, want de man is slechts een pragmatisch voorgeprogrammeerd gewenst schild zoals de vader (de geborgenheid), tegen de moeder (de boze buitenwereld die via de moeder de normen oplegt) en tegen zichzelf (het onbegrensde afhankelijke te begrenzen werpdier).
Ergens is dit gruwelijk, maar het is Claus zijn verdienste als dichter/schrijver, dat hij het voor zijn generatie weer eens adequater benoemt en het probleem niet oplost, maar het op een hoger plan zet én op dichterlijke wijze terug op de Nederlandstalige agenda zet. Claus beseft ook dat hij haar probleem niet hoeft op te lossen, maar gewoon bij zichzelf moet blijven. De lust aan het twijfelende zelfbewustzijn is draagbaarder dan het moeten oplossen van een probleem dat eigenlijk geen probleem is, omdat het niet oplosbaar is. Problemen zijn per definitie oplosbaar, en zijn ze dat niet, dan is het geen probleem, maar de condition humaine, de ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

De derde categorie betreft het huis, de kindersponde, verzonken in een afwijzende omgeving die landelijk, agrarisch, diep (bij)gelovig en volgzaam is. Die plek is voor Claus zo beklemmend als een schelp, de dubbelkleppige en dubbelzinnige, die hij soms inruilt voor Oostende maar welke actie niet veel uitmaakt voor zijn preoccupaties. Er vinden nieuwe ontmoetingen plaats die hem labiel en gespleten maken. Hij twijfelt aan zichzelf, en vlucht in zelfreflectie, maar ervaart ook weer de bronstigheid van het alleen zijn als man. Hij hangt aan de herinnerde erotiek, maar ook aan het inzicht dat hij onbevangen moet blijven en zo de eenzaamheid kan voorkomen. Claus kiest voor het dichterschap en erkent de scheiding tussen de vrouw als lustkameraad, als de ontalige triviale kletster en het dichterschap. Berusting sluipt er ook in: de dichter gaat verder kijken dan de zintuiglijke lustvolle liefde.
Claus geeft geen duidelijkheid waarvoor hij nu kiest: reflectie en eenzaamheid of het eigen leven leiden. De geschiedenis wijst uit dat Claus koos voor het primaat van het schrijverschap, en al het zijdelingse als 'hondenvoer' (die Kynische Vernunft!) tot zich nam.
Claus begrijpt het hopeloze van de liefde als communicatief bedrijf. Het blijkt slechts de opmaat voor iets wat er haaks op staat, want Claus weigert dienstbaar te zijn aan een nooit verkozen en nooit gewenst concept van het intergeslachtelijke bestaan Om hem heen ziet hij hetzelfde, maar hij gaat de herhaling omwille van de oninspiratieve persoonlijke prijs niet aan. Claus is de pagaan die het niet kan laten ook nog eens over taal na te denken:

Bloedig gefluister tot de vrouwen hoort men 's avonds in
De duinen waar ik waak
En luister.
Tussen de hagen van moedwil, tussen dorens van wrok
Worden de knagende zinnen ontmanteld, groeien de stemmen
En opent zich de tang der liefdeloze lispeling:
'Ik zal je altijd beminnen'.

En herhaaldelijk bidt en groeit een bittere
Kern in dit spuwsel. Hoor:
'Ik zal je strelen en schenden en kwetsen je verlangen'.

'Ik zal je schaamlippen beklemmen
Alsof ik tegen je sprak'.
De jonge, jonge vrouwen geuren en de man duikt verblind.

Herhaaldelijk in dit luisterend duin
Verenigen zich de beminden,
Kerven zich ruimte om hun gekwelde ster van zaad
En roepen, drinken aan de mond van geweldig gras en helm
Raken schedels, lang en ontbottend haar van haat,
En durend leiden de dag en de schuwe nacht
Hun sporen in de geheimste vrucht.


3.

Voordat ik dit artikel over Hugo Claus' Oostakkerse gedichten afsluit, wil ik u, lezer, eerst even lastig vallen met wat algemeenheden betreffende poëzie. Ze zijn m.i. nodig om Claus' gedichten naar waarde te schatten.
Het eerste is: indringendheid. Elke dichter met visie, poëtisch taalgevoel én een talige connectie met zijn onderbewustzijn, is indringend. Indringen of niet indringen, dat is de vraag. De dichter dicht om iets duidelijk te krijgen (waarheidsvinding), niet om gelezen te willen worden. Dat hij gelezen wordt, is niet omdat hij dicht om gelezen te worden, maar omdat zijn visie ons intrigeert - want vorm en inhoud zijn één, en het vent-of-vorm onderscheid is absoluut irrelevant voor de leeservaring.

Taal- of verwoordingscodes zijn er om te ondergraven, door er nieuwe voor in de plaats te zetten. Zeer zeker gaat dit 'proces' gepaard met maatschappelijk veroorzaakte veranderingen in de menselijke perceptie. Toegespitst op een dichter betekent dit, dat als hij werkelijk gelooft dat het nieuwe anders in elkaar steekt dan het oude, dat hij al dichtend ook sleutels moet aandragen ter ontcijfering, omdat hij weet dat elke lezer hem in eerste instantie leest vanuit een vorige beleden 'conventie'. Elk nieuw, indringend én goed gedicht hééft ook een sleutel om zichzelf al lezend te laten ontcijferen. Aangezien een gedicht korter duurt dan een roman, en de dichter mag eisen dat de lezer zijn gedicht meermalen leest, moet de dichter een meester zijn met brille voor verbale beknoptheid zonder alle schrijftechnische middelen die de essayist of de literatuurwetenschapper ten dienste staan.
Ten slotte: de disfunctie van de autobiografische gegevens voor de leeservaring.
Schrijver dezes ervoer bij Claus' gedichten dat het weet hebben van autobiografische verwijzingen niet van invloed was op het intense genot van het lezen van Claus' gedichten. Claus als schrijver/dichter weet donders goed dat je een lezer niet omwille van literaire kwaliteit op het verkeerde leesbeen zet. (Veel beeldend kunstenaars willen dit wel eens doen, het is ongeïnspireerde hybris.)
De bespreking van een gedicht larderen met noties of voetnoten met autobiografische gegevens van de dichter werkt voor de zich moeite doende lezer niet. De authentieke leeservaring waartoe Claus ons dwingt, is wat anders dan literatuurwetenschap achteraf.

Ik geloof dat Claus een grotere humanist is dan die Noordelijke Vijftigers die niet durfden te leven. O.a. Lucebert, Polet en Andreus zijn hem schatplichtig, maar halen niet zijn verdieping. Claus is grootmoedig, aards, niet belerend en schrijft vanuit een altijd werkende worgende zelftwijfel. Claus zet het stijloverstijgende manifeste menselijke probleem permanent op de agenda van de beschouwing van ons hier/daar en nu.
De dichter is wars van conventionele schoonheid der letteren; poëzie is in eerste instantie een drang, daarna volgt het vakmanschap. Claus snapt de immense werking van het testosteron in het ondermaanse. Claus snapt!

Zijn gedichten zijn blanke verzen: dwingend blank omdat wat hij te schrijven heeft niet in rijm, zangerigheid, metra en bedachte conventionele beeldspraken over te brengen is. Claus is als de dichter die vindt dat alles fragmentarisch en hopeloos is, dus dicht hij fragmentarisch en hopeloos. Maar hij zet wel een taalbouwsel neer: luchtig en open, dwingend maar bescheiden.

Rijm is in zijn gedichten ver te zoeken, uitgezonderd gedicht 2, in 'Het Klemwoord: Huis'. Dit gedicht, dat gaat over de overgang naar een andere plaats, wordt gedomineerd door de zangerigheid van de a-klank: 'vergaat - straat moordenaars staat slaat ooievaars verwaait bedevaart ornaat blatend daarna maagd cirkelvaart haat late -smaak blakende slaat'.
Is de aa een oerklank, in verdriet en lust? Haalt de dichter een truc met ons uit: zie je wel, ik kan best wel rijmend dichten? Of is deze klank de meest gebruikte van alle dichtklanken, en wil Claus ze dienstbaar aan zijn verhaal maken? Deelt Claus een sneer uit aan die Hollandse Vijftigers? Of is het een hommage aan Nijhoffs 'Awater'?
Is het belangrijk voor het genieten van dit gedicht, wanneer we weten waarom? Het is het enige gedicht tussen vele waar de klankherhaling opvalt.
Claus is aards, zintuiglijk, beheerst de taal en kent de Vlaamse taalkringen; hij hergebruikt ze voor een nieuwe uitdrukking, maar knielt hij hier voor de oerklank? Pleegt Claus hier een hommage aan onze taal? Wil de jonge man even laten weten aan het Belgische litteraire establishment dat hij het 'kan'? Dat poëzie veel met testosteron te maken heeft, geloof ik zeker. Maar Claus is te intelligent om voor éénduidige simpelheid te gaan.

Claus ziet af van de woorden 'als', 'zoals' of 'gelijk' om aan te geven dat er een vergelijking in beeldspraak volgt: alsof hij zeggen wil: elk gedicht IS al een beeldspraak. Omdat hij deze conventies vermijdt, maakt hij het de lezer in eerste instantie niet gemakkelijk. Het abstracte beschrijft de dichter alleen maar met beelden ontleend aan flora en fauna: de gewassen en de dieren des velds. Het beeldende, symboliserende woord draagt zijn bedoeling. Claus dicht pur sang en daarom kan geen huidige Vlaamse dichter om hem heen. Maar Claus staat wel boven de taalstrijd, wat je van zijn epigonen niet kunt zeggen. Taal is geen wapen, hoogstens een foedraal. Maar ook hierin is de meester de opperknecht van de terugtrekking. Zijn gedichten onttrekken zich aan de indeling tussen descriptie en beeldspraak, het gedicht ís de werkelijkheid. Stel dus uw leescodes bij als u hem leest, neem hem als het talige stomme dier van het veld aangeschoten, maar altijd in vrijheid voortschurkend.

Claus gooit de grammaticaal voorgeschreven woordvolgorde vaak door elkaar. Niet om rijm of metrum, maar om de beklemming te benadrukken die hij bij het schrijven ervoer. Deze beklemming tussen voorgeschiedenis en milieu maakt hij invoelbaar. Tel daarbij op het gebruik van woorden die zeer dubbelzinnig zijn (bijv. nachtschade), dan bevindt de lezer zich in dezelfde gemoedstoestand als de schrijver anno 1950 of daaromtrent.

In het laatste gedicht van de bundel schrijft de dichter een epiloog en neemt hij voorlopig afscheid van ons:

Toen viel mijn stem aan stukken
Alsof ik te hoog te spreken zocht,
Alsof ik dorst werd en begaf in dorst, woede, deernis
En ik in de wereld stolde, dit hard water.

Vergeving is mannelijk en vrouwelijk is vergif,
Daar leef ik binnen in
Als tussen vrucht en schil. En bedrijf
De geheime nering van de mens in zijn keerkring.

[gepubliceerd: september 2005]
 
^