Meander * Eerder * Artikelen * Jotie T'Hooft - de uitersten van een Vlaamse poète maudit
 
Jotie T'Hooft - de uitersten van een Vlaamse poète maudit
Elisabeth (Betje) Vangheluwe

I

Dichter zijn betekent
tot het uiterste gaan

Tot het uiterste van twijfels
tot het uiterste van hoop
tot het uiterste van hartstocht
tot het uiterste van wanhoop

pas dan bij elkaar tellen
Niet eerder Niet eerder

(Milan Kundera: geciteerd (p.7) in "Een zeer treurige prins" van Jean-Paul Mulders en Annick Lesage, Manteau Antwerpen, 1997)


Met deze woorden slaat Milan Kundera de nagel op de kop: het verhaal over Vlaanderens bekendste poète maudit... of hoe Jotie T'Hooft bijna een kwarteeuw na zijn dood mijn leven kwam binnengehuppeld alsof het allemaal heet van de naald was. Een kereltje van uitersten...

Elke opgroeiende volwassene, elke puber heeft wel wat last van onstandvastigheid, van angst de kar van de tijd te missen en gewoon achterop te raken. Die wereld waar je ineens wordt ingestort (Moeder gij hebt mij moeizaam uitgespuwd, die je niet als de jouwe erkent, zorgt dat je je soms als een vreemde in eigen huis voelt.) 1

Dit gevoel, in combinatie met overdreven druggebruik, zijn immanente verlangen naar de dood en zijn manische depressiviteit, heeft Jotie T'Hooft uiteindelijk - na twee mislukte zelfmoordpogingen - geveld.


Mijn eeuwenoud, mijn levenslang junkieverdriet
Van geboortepijn tot nu mijn eenzaamheid
Die ik deel met duizenden nu ik weet wat ik weet:
Dat de mens een naald is zoekend naar een ader
Zoekend naar de kiespijn van zijn ver verleden.

(Jotie T'Hooft, in: Junkieverdriet, Manteau Antwerpen, 1976)


Hij groeide op in een gezin uit de middenklasse als zoon van een schoolmeester die blijkbaar geen brede kijk op de wereld had; hij zag niet dat het met z'n zoon uiteindelijk van kwaad tot erger ging: van een goede leerling op de lagere school, naar een totaal gedesinteresseerde puber op de middelbare school, tot een onverbeterlijke junkie na zijn zeventiende.

Jotie T'Hooft was inderdaad een kereltje van uitersten. Al heel vroeg las hij boeken die allesbehalve voor zijn leeftijd bedoeld waren: een kind van twaalf leest 'Suske en Wiske' en kinderverhalen... Hij las echter boeken uit het mystiek-esoterisch milieu à la Hermann Hesse ("Steppenwolf"). Hij was begiftigd met de taal: hij schreef gedichten aan de lopende band, ze kwamen uit zijn inspiratie- en waarnemingsvermogen 'gespoten' naarmate hij meer en meer zelf 'spoot'. Nauwelijks veertien jaar oud kende hij al het hele reilen en zeilen binnen het drugswereldje: LSD, heroïne, cocaïne, niets was hem nog vreemd. Het moet gezegd dat eigenlijk dit kenmerk hem tot hype en cultfiguur heeft gebombardeerd; juist onder invloed van drugs pende Jotie T'Hooft, een naam die ik met ontzag uitspreek, zijn bekendste en vaak meest treffende gedichten neer:


Vele malen hebben wij de naald gezuiverd
Die etste in ons vel en hersens kwetste
Met haar zeldzaam zuur. En gehuiverd
Bij het warmen van de laatste lepel lafenis.

(Jotie T'Hooft, in: Junkieverdriet 1976, Manteau)

en ook

Lenny Bruce stelt vast:

Alweer: wie weet werkelijk
hoe glad de penisnaald glijdt
in de vagina van de aderen
die hij volspuit met peper-
dure zaadcellen die zenuw-
stelsel en hersenvlies ontsteken
met een kortstondige steekvlam
die al het andere doet verbleken
(de verlangens verenkelvoudigt)

(Jotie T'Hooft, Schreeuwlandschap, Manteau Antwerpen, 1975)


Maar niet alleen de terugkerende topos van druggebruik is kenmerkend voor T'Hoofts poëzie: het eeuwige doodsverlangen, een obsessie die hij als morbide psychoot (spijtig dat we hem zo móeten noemen) zijn hele korte leven lang in zich droeg, is ook overheersend in zijn werk. Hij leek wel door de dood omgeven, leek door het lot voorbestemd om met de dood hand in hand te gaan:


Het eeuwige leven.


Aan het eind van de tunnel
staat de man die ik zoek
ik loop erheen
hij reikt me vriendelijk de hand
een korte ruk
ik val een gat in
beneden is een tunnel
aan het eind van die tunnel
staat een man
ik loop erheen?

(Jotie T'Hooft, Nagelaten gedichten 1969-1972, Manteau)


In Oudenaarde, waar hij op 9 mei 1956 het licht aan het eind van de zwarte tunnel zag - zijn leven zou een en al ellende zijn - keek hij vanuit zijn slaapkamer uit op een begraafplaats met verkrottende zerken. Vaak ging hij daarheen om te genieten van de rust. Op zijn bureau stond ook een doodshoofd: hij beschouwde dit sinistere attribuut als 'zijn stilste en trouwste vriend, getuige van het vele leed dat groeit.'1 Zoals hij op de dood gefixeerd was, zo zag hij ook enkel die dimensies van het bestaan: zijn grootouders stierven toen hij nog een kind was, en dat tekende hem voor de rest van zijn leven, precies omdat hij zo met de dood begaan was.

Wat mij als vijftienjarige al aansprak, en wat ik nu overigens nog altijd zo treffend vind aan T'Hoofts werk, is het pseudo-ontoegankelijke. Want heeft niet iedereen de idee-fixe dat de gedichten van Jotie T'Hooft duister, esoterisch, maar vooral onbegrijpelijk zijn?
Het schitterende aan zijn werk - aldus mijn bescheiden mening - is dat je met een gedicht van Jotie T'Hooft uren kan bezig zijn om verschillende lagen uit te pluizen, en uiteindelijk toch moet toegeven dat er geen sluitende verklaring is voor wat hij zo'n twintig jaar geleden heeft neergeschreven. Hij was een kind van ongeveer zestien jaar, en schreef regeltjes die voor jong en oud zo intrigerend werken, dat ze steeds opnieuw gelezen worden.

Toegegeven, Jotie T'Hooft is één cultfiguur uit het rijtje. Er zijn Jim Morrison,


This is the end
Beautiful friend
This is the end
My only friend, the end
Of our elaborate plans, the end
Of everything that stands, the end
No safety or surprise, the end
I'll never look into your eyes...again
(The Doors, "The end")


Lou Reed, Jimi Hendrix, Janis Joplin, Kurt Cobain - doch stuk voor stuk figuren uit de muziekwereld. Allemaal (met uitzondering van de laatste dan) zijn ze ruim vertegenwoordigd geweest in T'Hoofts platenverzameling: hij genoot van de underground muziek, van de rokerige sfeer die deze muziek omgaf. Hij vereenzelvigde zichzelf vaak met die figuren - gegarandeerd zonder te weten dat hij later in één adem met hen zou worden genoemd - en gebruikte net zoals zij verdovende middelen om zo het ultieme genot te ervaren. Dat kreeg hij langzamerhand toen hij vanaf zijn zeventiende levensjaar op kamers in Gent ging wonen, onder het mom de kunstacademie te volgen.

Het duurde echter niet lang vooraleer hij Chapo - zijn boezemvriend en spuitbroeder - leerde kennen, een ex-junkie die ons vandaag de dag heel wat meer heeft weten te vertellen over Jotie's leven op de rand van de maatschappij: Chapo overleefde het extravagante bestaan in Gent, tussen drugkotjes, homobars, en duistere locaties; Jotie T'Hooft niet. Tot drie keer toe heeft hij uit het leven willen stappen: de laatste keer is hem blijkbaar goed bevallen, maar zelf heeft hij het niet meer mogen meemaken. De nacht van 5 op 6 oktober werd een overdosis geshotte cocaïne hem fataal. Na een hele rompslomp met zijn vrouw Ingrid Weverbergh - dochter van Julien Weverbergh van uitgeverij Manteau - die steeds meer uitgekeken is geraakt op Jotie's buien van extreme zwartgalligheid en zijn overmatige druggebruik, en verder het alsmaar knagende gevoel van het verlangen naar de dood, trekt hij die avond naar Brugge. Christian R., een verder anoniem gebleven Bruggeling, geeft Jotie T'Hooft die naar zijn zeggen zwaar terneergeslagen was omwille van de kapotte relatie met zijn vrouw, waar hij om vroeg: twee injectiespuiten van vijf milliliter, en twee à drie gram cocaïne.


Ben je dronken?
Nee.
High van het een of het ander?
Misselijk.
Welke drugs heb je ingenomen?
Ik kon de juiste niet vinden, zei hij en hij bedoelde dat hij de deur had
willen sluiten waardoor zijn dromen kwamen, maar dat geen van de sleutels op
het slot had gepast.

(uit: The Lathe of Heaven , van Ursula Le Guin)


Een hele tijd heeft men eraan getwijfeld of het daadwerkelijk een beoogde zelfmoord was, of veeleer een uit de hand gelopen berekend risico. De twaalf gedichten die men nadien echter vond in zijn huis in Sint-Agatha-Berchem, dat van vloer tot plafond zwart was geverfd, meenden klaarblijkelijk een afscheid te zijn. Waaiervormig lagen ze op de schoorsteenmantel uitgespreid.


Schuldbekentenis

Ja, ik geef het toe, ik beken het openlijk:
mijn lichaam was altijd een toren zonder uitkijk.
Ik heb hem steen voor steen in folianten gepend
ik heb mij geplooid naar de tijd en de trend.

De stenen die ik uit de wand verwijderd heb
zijn de woorden waar ik dit gedicht mee schep;
ik kijk naar de wereld waarin gij woont
en al zie ik onscherp en ben ik vreselijk stoned

er is iets dat mij niet ontgaan kan:
mijn toren is gebouwd in mijn eigen toren.
Ik weerhield mijn lijf niet in de groei tot man
maar ik zaag geduldig aan de pijlers die mij schoren.

Het lijkt niet erg duidelijk misschien
mijn keel snoert dicht en mijn tong heb ik gebroken
toen ik spreken leerde. Ik heb niemand ontzien.
Ik ben wereld, in mij is onstuitbaar de doodsbloem

ontloken.

(Schuldbekentenis, uit: De laatste gedichten, Manteau Antwerpen, 1977)



1 Een doodshoofd, in: Schreeuwlandschap, 1975, Manteau Antwerpen

[gepubliceerd: november 2000]
 
^