Meander * Eerder * Artikelen * PoŽzie als daadkracht en verlangen
 
PoŽzie als daadkracht en verlangen
door Herlinda Vekemans

In de serie Vers van het Mes van Stichting Perdu in Amsterdam krijgen debuterende dichters niet alleen de kans hun gedichten te presenteren, maar wordt hun ook de mogelijkheid geboden zich in Mijn kleine poŽtica uit te spreken over de eigen poŽzie en het huidige poŽzieklimaat in het Nederlandse taalgebied. Op 16 september 2005 sprak Herlinda Vekemans onderstaande tekst uit over PoŽzie als daadkracht en verlangen tussen spanningsvelden.

1. De positie van de poŽzie

PoŽzie is paradoxaal. Ze wil openbreken, vernieuwen, en spreken, maar ook naar binnen vouwen, onderzoeken en zwijgen. Ze wil sluieren en verhullen, maar ook tonen en onthullen. Ze is taal, maar ze wordt ook taal. Ze balanceert tussen verstand en emotie. Ze huivert tussen liefde en dood.

Net als dat voor andere kunsten het geval is, bestaat de grondstof van de poŽzie, de taal, uit een onmogelijkheid aan mogelijkheden die in het dagelijkse gebruik tot communicatie maar ook tot redundantie, banaliteit, en zelfs geweld leiden. Woorden worden net als klanken, kleuren en vormen vermalen tussen de dingen van het doen en het denken. Op zijn scherpst gesteld is de taal geweldenaar en slachtoffer tegelijkertijd. Ze strijdt zelf tegen deze positie, bijvoorbeeld in de filosofie. PoŽzie en filosofie zijn hierin aan elkaar verwant, en de poŽzie waagt zich, net als de filosofie waarin in taal gedacht en geschreven wordt, ook aan doen. PoŽzie is een strijd tussen denken en doen, waarbij ze zich verzet tegen het geweld dat de taal net daar, tussen denken en doen, wordt aangedaan. Hiermee begeeft ze zich in een paradoxale situatie waarbij ze zich verzettend tegen strijd er toch moet aan deelnemen. Verzet door inzet en verlangen.

PoŽzie is geen verzetje. Ze is een maatschappelijk ondersteunde kunst die deel uitmaakt van een gesubsidieerd 'cultuuraanbod'. Daar is in een democratie wellicht niets mis mee, maar de poŽzie moet waakzaam blijven; ze mag zich niet laten verknechten of verdwazen, of zich lenen tot consumptie. De poŽzie mag zich niet laten meezuigen in commerciŽle kolken, in allerhande belangen en in geldcircuits. De poŽzie nadert meermaals en misschien meer dan ooit tevoren de vergeetput van het betaalde momentane entertainment. De overheid en het bedrijfsleven werken actief samen om de kunst te promoten als betrof het een consumptieproduct in een context van economische concurrentie. De overheid gebruikt hiervoor de term 'cultuurindustrie'. Het zal met de dichtkunst in dit verband helemaal niet zo'n vaart lopen als met andere meer door het bedrijfsleven begeerde kunsten. De houding van een dichter die het ernstig meent met de poŽzie kan er, wat zijn poŽzie betreft, echter alleen maar een van wantrouwen en afstand zijn.

Hoewel de poŽzie nergens toe dient en niet dienstbaar mag worden, kan ze in het menselijk denken en handelen wel degelijk een verschil uitmaken. In dat denken en handelen zijn het de dingen die de mens het nauwst aan het hart liggen die wellicht het vaakst benaderd worden. Net deze dingen zijn echter door de beeldvorming in het collectieve bewustzijn tot het uiterste toe gebanaliseerd en hebben zichzelf de paradox van de haat op de hals gehaald. Zo is het liefde wat iedereen wel wil, maar hoe haten we het als de liefde banaal wordt. Liefde moet eerst gehaat, voor ze door de mangel gehaald er weer mag zijn. Het woord liefde is kapot, en zelfs al schrapen we ad nauseam de keel, het blijft ons gehavend de strot uitkomen.

Andere dingen ondergaan in een gemedialiseerde samenleving in een versneld tempo hetzelfde lot. Het begrip van het kwetsbare wordt geŽrodeerd. De aanval op het weerloze, het is paradoxaal op een hoop gegooid met het banale van de liefde. Het tot leed verworden weerloze wordt gebanaliseerd door een niet aflatende stroom van beelden uit becommentarieerde situaties her en der in de wereld. De beelden omzeilen de taal moeiteloos, en komen met een zodanige frequentie dat er gewenning optreedt. De taal komt daarbij zoals bekend in een moeilijke positie. Haar status als meta-instrument komt in het gedrang. Ze slaagt er niet meer in de gewenning te vermijden, wordt medeplichtig en verliest haar duidend en performant karakter. De context van het woord Millenniumverklaring is op dit moment een van de scherpste voorbeelden.

Met het toenemende internetgebruik in de rijkere wereld wordt de taal bovendien in een blijvende virtuele ruimte gebruikt en op elk moment met haar verleden bezwaard. Op het internet kan in real time geschreven worden, daarmee het wordende karakter van de taal benadrukkend. Dat kan positief zijn. Maar het effect wordt meteen ook geneutraliseerd door de blijkbaar ongelimiteerde opslagcapaciteit van het internet. Voor Google is taal in de eerste plaats het product van een persoon en de taaluitingen worden automatisch onder een naam gearchiveerd. Een naam wordt zo een voor iedereen toegankelijk archief. Het heden krimpt in verhouding tot het verleden; in de virtuele ruimte verwordt taal tot biologisch onafbreekbaar zwerfvuil.

De poŽzie kan de daadkracht van de taal herstellen door er paradoxaal afstand van te nemen, of er net indringend op in te zoomen, waarover de gedichten dan ook gaan. De poŽzie onderwerpt de taal aan uitersten, rekt haar maximaal op, drukt haar samen tot ze haast verdwijnt. De poŽzie verwerpt de arrogantie van de vanzelfsprekendheid en treedt meer dan eens agressief op tegen schaamteloze banaliteit. In haar verzet tegen het falen van de taal, is de poŽzie zelf meedogenloos, tenminste als ze zichzelf niet verloochent. Paradoxaal genoeg durft ze, ontwapenend, ook haar meest kwetsbare, verlangende kant tonen.


2. De positie van een dichter

In dit talige strijdgewoel zijn voor de dichter een aantal posities denkbaar. Die zijn alom bekend en hangen o.a. met de aard van de grondstof samen. Waar klanken, kleuren en vormen minder betekenis met zich meedragen, is de taal net ontstaan uit de noodzaak aan communicatie en betekenisverlening. Het werk van een componist draagt geen automatische betekenis met zich mee; er is bijvoorbeeld wel wat mogelijk door de titel, en het komt ook wel eens voor dat buitenmuzikale omstandigheden betekenis toevoegen aan de muziek. De grondstof van de muziek is echter grotendeels betekenisvrij. Een mogelijkheid om in de poŽzie verzet aan te tekenen tegen de ontkrachting van de taal, is aansluiting zoeken bij de muziek, door de klankwaarde en het ritme van de taal op de voorgrond te zetten. Door de betekenislaag te minimaliseren, kan de taal even terugtreden uit de mallemolen van zichzelf altijd ernstig nemende woorden. Vooral indien de betekenisgevende elementen een gebanaliseerde richting dreigen uit te gaan (bv. de gevreesde liefde), lijkt me dit een valabele uitweg om de taal te dwingen zichzelf kritisch en vernieuwend te bekijken en tegelijk tegemoet te komen aan het verlangen; er dient dan wel doortastend te werk gegaan, zoniet overheerst toch nog het banaal geworden thema. Het muzikale van de taal spreekt me sowieso aan; voor een dichter kan een gevoel van onmacht en een soort van afgunst ten opzichte van de muziek ontstaan. Woorden, ze deugen niet. Ik heb bewondering voor werken van dichters die het muzikale van de taal onderkennen, en ermee experimenteren.

Indien de betekeniselementen als een mogelijkheid in plaats van een hindernis ervaren worden, begeeft de dichter zich met zijn werk in een weinig benijdenswaardig spanningsveld. Hij is met de taal bezig en wil daarmee dingen doen. De taal eist echter op de eerste plaats, inherent aan het fenomeen zelf, het voorrecht op van de communicatie. Een publicerend dichter komt daardoor niet alleen in communicatie met zichzelf maar ook met de lezer. De communicatie met zichzelf kan vooral taalmatig zijn, of een vorm van terugschrijven op lectuur, ervaringen, verlangens of gedachten. In wat ik las tot voor de aanvang van mijn dichten, was poŽzie altijd het meest vreemde. Het meest vreemde kan echter door een plotse omslag in het bewustzijn een onweerstaanbare aantrekkingskracht krijgen. Het verinnerlijken van het meest vreemde is een intensieve en verstorende ervaring. De relatie fictie - werkelijkheid biedt daarbij erg veel mogelijkheden. Al schrijvend heb ik zelf de intentie t.o.v. mezelf een werende en afstandelijke houding te bewaren. Ik merk echter dat er van de beide polen van fictie en werkelijkheid voor een dichter eenzelfde elkaar vindende subjectvermalende kracht kan uitgaan. Dichten is het aftasten van de randen van de taal, en die zijn scherp. De inzet van een dichter die het meent met zijn poŽzie is niet gering. De kwetsbaarheid van de dichter wordt overigens ongetwijfeld ook al gebanaliseerd. Kritisch verzet is al lang dat wat verwacht wordt; wereldvreemdheid, onconventionaliteit of andere van oudsher aanwezige componenten van het dichterschap worden als achterhaalde geromantiseerde mythes van de hand gewezen, in de verstrakte samenleving rechtgetrokken, of aan het ijkpunt van het cynisme afgemeten. Het verhoogde tempo van de beeldvorming rond een dichter in een klein veld als dat van de Nederlandstalige dichterswereld maar met de grote inzet van podia en internet is wellicht voor menig beginnend dichter een paradoxaal gegeven, met voor- en nadelen. Ook als maximaal participerend beginnend dichter verlaat ik mijn uitgangspunt van intuÔtieve scepsis niet en sluit ik een omkeer ten voordele van de introvertere kanten van het dichterschap niet uit.


3. De positie van een gedicht

Het gedicht, zoals ik het op dit moment aanvoel, bevindt zich binnen de paradox van de eenheid en de veelheid. Het komt me voor als een niet-statische eenheid, een spanningsveld van woorden dat op papier stabiel werd na een schrijfproces waarbij de taal en de dichter met elkaar verwikkeld raakten. De eenheid ontstaat voor de dichter op het ogenblik dat het gedicht klaar is. Daarna wordt de dichter lezer, en lost de eenheid weer op naarmate de tijd verstrijkt en de dichter loskomt van zijn schrijfproces. De kans dat er in het schrijfproces eenduidigheid beoogd werd, is vrij klein. De kans dat de lezer er precies dezelfde lagen in leest als die de dichter er meende te hebben aan gegeven, en die een andere lezer erin vindt is ook vrij klein. De mogelijkheid tot veelheid is dus groot.

Interessant is ook het fenomeen van de bundel. Gedichten kunnen door plaatsing in een bundel en door de structuur van een bundel een relatie tot elkaar krijgen. Interactie met teksten van anderen is verder een bijkomende haast vanzelfsprekend geworden verruimende mogelijkheid. Zelf hoop ik te kunnen vermijden dat de optie van veelheid die van de wordende eenheid ondermijnt. Dat houdt in dat een intertekstuele verwijzing de lectuur van het gedicht als wordende eenheid moet kunnen ondersteunen in plaats van verstoren, tenzij de verstoring een functionele, klankmatige, of andersoortige betekenis heeft binnen het gedicht. Verwijzingen naar andere kunsten zijn boeiend maar ook lastig: de veelheid die eruit voortkomt zou niet mogen ontaarden in vertoon en spielerei die afdingen op de kracht van de poŽzie. De uitdaging van de aansluiting met andere uitdrukkingsvormen is het aannemen waard, zolang op de eigen kracht van de gedichten niet afgedongen wordt. Voor mij is een gedicht daadkracht en verlangen in een paradoxale context.


[gepubliceerd: 6 oktober 2005]
 
^