Meander * Eerder * Artikelen * Dandyisme, of de kunst van het strikken
 
Dandyisme, of de kunst van het strikken
Vier miniportretten
door Kees Godefrooij

In het begin van de negentiende eeuw wordt de Engelse society opgeschrikt door een opmerkelijk verschijnsel: de dandy. De saaie alledaagsheid van hun aristocratische bestaan moe, leggen jonge mannen uit de hogere kringen zich in het uitgaansleven toe op extravagante manieren en verfijnde uitdossing.
Het optreden van de dandy wordt gezien als een uiting van weerzin tegen cultuurbarbarij en materialisme. Schoonheid en elegantie worden belangrijker geacht dan de trivialiteit van het dagelijkse leven. Wie zulke opvattingen is toegedaan en vindt dat de civilisatie veel meer zou moeten worden beheerst door een esthetisch elan, plaatst zich in een isolement. Het dandyisme wordt bij uitstek de uitingsvorm van dat isolement, de dandy voelt zich uitverkoren en ver boven de gemiddelde burger verheven.


'Men laat het dandyisme wel beginnen met Beau Brummell (1778 -1840), die als het prototype van de dandy's wordt gezien in de periode 1800 - 1816. Al tijdens zijn verblijf op Eton wist de dandy in spe met zijn onberispelijk uiterlijk de aandacht te trekken. Door een toevallige ontmoeting met de prins van Wales slaagde hij erin opgenomen te worden in de entourage van de prins.
Brummell (portret) installeerde zich in een klein maar elegant Londens onderkomen van waaruit hij zijn modedictaten decreteerde die met een bijzondere gretigheid werden opgevolgd door de exclusieve society. Zijn macht op het gebied van kleding ging verder dan die van de prins (de latere George IV), die de suprematie van de dandy vooralsnog goedmoedig scheen te erkennen en zich zelfs door hem liet adviseren. De betovering van Brummells verschijning lag vooral in de nauwelijks te definiëren gratie waarmee hij zich bewoog en in de eenvoud van zijn kostuum, die weldadig aandeed na de achttiende-eeuwse overdaad aan fluweel, kanten roesjes, zijde en opzichtige versierselen. Zijn bijdrage aan de mode was het ontwerp van een halsdoek waarvan de plooitjes precies goed vielen en, belangrijker nog, gedurende de hele dag bleven zitten. Hij had deze perfectie weten te bereiken door zijn halsdoek te bewerken met stijfsel. Deze voor die tijd revolutionaire uitvinding maakte zeer veel indruk op de tijdgenoten. Om zijn halsdoek smetteloos wit te houden, verwisselde Brummell deze minstens drie maal per dag.

Misschien was Brummell nog wel beroemder om zijn sarcastische geestigheden en boutades dan om zijn perfecte uiterlijk. Vermoedelijk kon hij zich zijn brutaliteiten juist veroorloven vanwege zijn koele onberispelijkheid. Het sneren was een verplicht onderdeel van het dandyisme als levenshouding. Baudelaire zegt hierover: 'Een dandy doet niets. Kunt u zich een dandy voorstellen die het publiek aanspreekt behalve om het te beschimpen?'
Over de sarcastische snieren van Brummell doen vele anekdotes de ronde. De betekenis ervan lag vooral in de onherhaalbaarheid van zijn optreden, in het feit dat het effect van zijn woorden aan een unieke situatie gebonden was. Hij was zeer gevreesd om zijn scherpe tong. Tegelijkertijd leek de beau monde er een bijna masochistisch genoegen in te scheppen de gesel van zijn sarcasme te ondergaan. De fashionables lieten zich Brummells brutaliteiten keer op keer aanleunen, waardoor de dandy zijn onbeschaamde vrijpostigheden des te hardnekkiger cultiveerde. Hij hoefde slechts naar iemand te staren om hem fashionable te maken, en iemand te negeren om hem uitgestoten te zien.
Toen een jonge geldschieter hem eens vroeg wanneer hij van plan was zijn schulden af te betalen, antwoordde de spilzieke dandy stoïcijns: 'Hoezo, ik heb je toch al betaald?' 'Betaald! Wanneer dan wel?' vroeg de verbaasde knaap, waarop Brummell antwoordde 'O, toen ik voor het raam van White's (een dandyclub) stond en je toen je passeerde vroeg 'Hoe maak je het, Jemmy?'
Nadat Brummell te ver was gegaan met zijn onbeschaamdheden viel hij in ongenade bij George IV, hij vluchtte uiteindelijk voor zijn schuldeisers naar Frankrijk en stierf daar in armoe.

De meeste dandy's volgden het voorbeeld van Brummell door te leven als grootsteedse aristocratische individualisten, die hun tijd doorbrachten in ijdelheid en lethargie. De verveling trachtten zij te verdrijven met uitzinnige, exclusieve frivoliteit van spel en drank.
De dandy-dag begon met een kop chocolade om de uitspattingen van de vorige avond te vergeten. Gehuld in de zogenaamde chamber-cloak en liggend op een chaise-longue werden vervolgens de laatste society-nieuwtjes doorgenomen, waarna het sacrale toilet-maken begon dat meestal de gehele middag in beslag nam. De rest van de dag werd gevuld met flaneren in het West End of met een rendez-vous in Hyde Park met de dandizettes. In Hyde Park bewonderde men elkaar vanuit het rijtuig. De laatste roddels werden uitgewisseld. De meeste dandy's brachten iedere woensdagavond een ritueel bezoek aan Almack's, een societyclub. De andere avonden werden doorgebracht op de dandyclubs, waar men zich wijdde aan het spel en de alcohol. Soms werd de sleur doorbroken door een bal of soirée bij een van de fashionable lady's of door een bezoek aan de Opera.

De carrière van George Bryan 'Beau' Brummell imponeert vooral, zo schrijft Mrs. Gore, auteur van moderomans, om de volgende reden: 'He was a nobody, who made himself a somebody, and who gave the rule to everybody'. Toch viel het nogal mee met de zogenaamde bescheiden afkomst van Brummell. Zijn vader was een invloedrijk en gerespecteerd ambtenaar, maar de aspiraties van Beau gingen verder. Hij zou zijn vader later omschrijven als 'een hoogst voortreffelijke bediende die gedurende zijn hele leven zijn plaats kende'.

Toen het dandyisme tussen 1830 en 1840 zijn tweede en meer romantische bloei kende, en wel in Frankrijk, kwam de Franse invloed onder meer tot uiting in een groeiende verscheidenheid aan dassen waarin de drager zijn persoonlijkheid kon tonen. Balzac onderscheidde destijds drie varianten van mannen in relatie tot de das: de man die elke ochtend zonder enig gevoel of begrip de das als een koord om zijn nek bindt, de man die de das van anderen slaafs navolgt en - op de eerste plaats - de man die gevoel en begrip heeft voor de das en deze spontaan vanuit zijn instinct en inspiratie omdoet. 'De das', aldus Balzac, 'is in essentie romantisch: vanaf de dag waarop zij algemene regels volgt met vaste principes, heeft zij opgehouden te bestaan.'
Voor Baudelaire is het dandyisme een wrede doctrine van elegantie en originaliteit tot de dood er op volgt: 'Het dandyisme is de laatste opbloei van heroïek in tijden van verval.'

Voor de mode in de periode 1832 stond de kunstzinnige Alfred d'Orsay (1801-1852) model. Hij was een knappe en grote, breedgeschouderde man met brede borst en slanke taille, krullend haar en bakkebaarden die overgingen in een smalle ringbaard. Zijn uiterlijk en houding werden gebruikt voor modeprenten uit die tijd. In tegenstelling tot Brummell was D'Orsay gehuwd. Het kleedgedrag van deze grote dandy was kleurrijker en theatraler dan van zijn Engelse tegenhanger. Vanaf 1821 koos D'Orsay Londen als woonplaats. Daar en in andere steden die hij sindsdien met tijdelijke bezoeken vereerde, zoals Parijs en Napels, was hij rond 1830 het middelpunt van het salonleven. In 1848 zou hij met schulden beladen Engeland verlaten voor Frankrijk, waar hij in 1852 berooid maar als een onberispelijke dandy stierf.

In het Parijs van de Belle Epoque was Robert de Montesquiou (1855-1921) voor velen de verpersoonlijking van het dandyisme in de betekenis zoals die zich in Frankrijk had ontwikkeld. Zijn verschijning was perfect en ongenaakbaar.
De inrichting van zijn appartement genoot in Parijs een zekere faam, hoewel slechts weinigen waren uitverkoren om er persoonlijk ontvangen te worden. De publicatie van Huysmans roman A Reboursbezorgde hem ook veel publiciteit, omdat hij door heel Parijs als het model voor Des Esseintes (de hoofdpersoon) werd beschouwd. In 1883 had hij eens Mallarmé in zijn bizarre woning ontvangen. Huysmans had het verslag van Mallarmé over dit bezoek gebruikt voor A Rebours. De Montesquiou (portret) kon niet vermoeden dat hij door zijn vriendschap met Marcel Proust niet alleen in een roman geportretteerd, maar op de snijtafel gelegd zou worden. In 1921, het laatste levensjaar van de Montesquiou, verscheen Sodome et Gomorrhe. Proust aarzelde bij verschijning van dit deel van A la Recherche du Temps Perdu een exemplaar aan de Montesquiou te sturen, en toen de Montesquiou hem er speciaal om vroeg, stuurde hij hem een exemplaar waarin een aantal bladzijden ontbrak. In de figuur van de pederast Baron de Charlus had Marcel Proust de laatste representant van het Franse dandyisme getekend, een man die na zijn schittering in de wereld van de fin-de-siècle eenzaam zou overblijven als een misplaatste overlevende van de ineenstorting van de Belle Epoque.


Oscar Wilde (1854-1900) had zich in Engeland al in de Aesthetic movement onderscheiden door zijn fluwelen kostuums en zijn zijden kniebroeken, maar bij zijn bezoek aan Parijs in 1883 had hij kennis genomen van de Franse ontwikkeling van het dandybegrip. Hij voelde zich aangetrokken tot Baudelaire's verheerlijking van alles wat artificieel was. Wilde las het zojuist verschenen (1884) boek van J.K. Huysmans, A Rebours en zou het decadente dandyisme van Des Esseintes later transformeren in een Londense omgeving in The picture of Dorian Gray. Hij identificeerde zich met Balzac door te schrijven in een monnikspij of door te flaneren met een wandelstok voorzien van een ivoren knop.
De omgekeerde wereld van Wilde was amusant en onschuldig voor de Victoriaanse lezer zolang hij die presenteerde in het geheel van een luchtige komedie; bij het lezen van The picture of Dorian Gray raakte men echter verontrust door de uit Frankrijk ingevoerde verheerlijking van de schoonheid in verbinding met het kwaad. Wilde poseerde zonder enige vorm van mystificatie voor de dandy's en hun opvattingen in zijn eigen boeken en toneelstukken. De weergave van de gesprekken tussen Lord Henry Wotton en Dorian Gray is de weergave van Oscar Wilde's conversatiekunst. Hij liet in zijn roman het boek van Huysmans een vergiftigende uitwerking hebben op de hoofdpersoon Dorian Gray. Hoe was dit te rijmen met de on-Victoriaanse uitspraak in de inleiding van The picture of Dorian Gray: 'There is no such thing as a moral or immoral book. Books are well written or badly written. That is all'? In het proces tegen Oscar Wilde zou deze uitspraak als bewijslast tegen hem worden gebruikt.

Het dandyisme maakte de oversteek over het Kanaal, toen het in Engeland met de opkomst van het Victorianisme gedwongen werd ondergronds te gaan of uit te sterven. In het frivolere Frankrijk vond de dandy een warm onthaal, de literaire dandy uit de inmiddels verschenen moderomans wel te verstaan. Hij werd de nieuwe held van de Franse bohémien. Als symbool voor het door Baudelaire en Huysmans bewonderde slechte, leefde de literaire dandy ook voor hen voort als decadent. Het was deze dandy uit de Franse demi-monde die Oscar Wilde aan het einde van de negentiende eeuw in Engeland poogde te introduceren, hetgeen zijn populariteit aldaar zeer heeft geschaad.


Deze tekst bestaat vrijwel geheel uit citaten uit de volgende boeken:
André Hielkema (red.) - De dandy, of de overschrijding van het alledaagse, Meppel/Amsterdam,1989
John Sillens (red.) - De dandy, Den Haag/Gent, 1997


[gepubliceerd: 27 januari 2006]
 
^