Meander * Eerder * Artikelen * Yves Joris - Emile Verhaeren
 
Het dichterlijke Scheldeland
Emile Verhaeren, nog niet vergeten
door Yves Joris

Mariekerke, Weert en Sint-Amands. Pittoreske dorpen in een verlaten zijarm van de trotse Schelde maken zich op voor de zomer. Een palingfestival, boeken- en brocantemarkten, fietsroutes: het Scheldeland weet hoe het zijn toeristen moet ontvangen. En eenzaam in die bocht ligt er een graf: graniet en zwart marmer, doodse kleuren voor een man die Vlaanderen aan het einde van de 19de eeuw op de literaire kaart gezet heeft. In het Frans weliswaar, maar dat was meer een gewoonte van de tijd dan van een bepaalde communautaire overtuiging.

Emile Verhaeren werd op 21 mei 1855 geboren als zoon van een welstellende handelaarsfamilie. De Franstalige opvoeding thuis staat in schril contrast met het Vlaamse dorpsdialect dat de jonge Verhaeren met de klasgenoten van de dorpsschool spreekt. De middelbare studies op het jezuïetencollege in Gent zorgden echter voor een volledige verfransing van de jonge Verhaeren, die zich niettemin zijn ganse leven Vlaming blijft voelen. Tijdens zijn rechtenstudies aan de Katholieke Universiteit van Leuven ontplooit hij zijn eerste literaire activiteiten en merkt al snel dat literatuur hem meer zegt dan rechten. Hij hangt dan ook snel de toga aan de haak.

Verhaeren maakt furore als dichter en criticus. In 1883 verschijnt Les Flamandes, waarin hij op sensueel-realistische wijze het leven van zijn geboortestreek onder de loep neemt. De bundel slaat in als een bom bij de goegemeente onder de kerktoren en aangespoord door de pastoor proberen Emiles ouders om de ganse oplage van de bundel op te kopen en te vernietigen. Ook de tweede bundel Les moines heeft niet het verhoopte succes. Door deze literaire tegenslagen, zijn aanhoudende gezondsheidsproblemen en de dood van zijn ouders belandt de dichter in een diep dal, waaruit hij pas zal kruipen na de ontmoeting met zijn toekomstige echtgenote, Marthe Massin, in 1889.
Als sociaal geëngageerd man trekt Verhaeren als dichter ten strijde tegen de sociale uitwassen van de opkomende industrialisatie. Getuigen hiervan zijn de bundels Les Campagnes Hallucinées (1893), Les Villes Tentaculaires (1895) en Les Villes Illusoires (1895). Uit deze laatste bundel het gedicht 'De Veerman':

De Veerman

De veerman, met de riemen in zijn handen
Geklemd, worstelt al lange tijd
Tegen de stroom op, een riet tussen
De tanden.

Maar zij, helaas, die hem van de over-oever riep
Over de golven, aan de voet der dijken -
Zag hij steeds verder, vager in de mist
Geworden, langzaam, langzaam van hem
Wijken.

De vensters van de huizen der rivier en
De wijzerplaat des torens in het dorp
Zien hem hardnekkig vechten met zijn vlak
Gebogen lichaam en zijn wilde spieren,
Als koorden strak.

Dan, plotseling breekt een riem in twee;
De stroom grijpt hem en sleurt hem mee

Tartend naar zee.

En zij, daarginds, die in de mist helaas
En in de wind vergeefs hem aanriep, schijnt
Een handenwringende, nu door het waas
Der scheemring hij, steeds minderend verdwijnt.

De veerman, met zijn ene riem nog over,
Buigt zich nog feller in ’t gevecht voorover,
Totdat zijn lichaam, dat de stroming tart
Kraakt… en de koorts jaagt in zijn hart.

Dan, met één slag, breekt hem het roer kapot,
De stroom, die grijnst, versleept het als een vod.

De vensters van de huizen aan de kant
Staren met de ogen, van ontzetting groot,
En rood en koortsig van de zonnebrand
Over het water… en de wijzerplaat
Des torens, die een oude vrouw gelijkt
Gehurkt aan de oever, lijkt verbleekt en kijkt
Neer op die gek, die onverveerd
De storm, de tegenstand en ’t lot
Trotseert.

Maar zij, daarginds, die door de neevlen riep,
Schreeuwt naar hem, schreeuwt, het hoofd gerekt
En heel haar wezen naar ’t onbekende
Smekende uitgestrekt.

De veerman, als van staal, geplant
Recht in zijn boot en de doodsbleke wind -
Met slechts één riem in zijn wanhoop’ge hand -
Kastijdt de golven, bijt de stroom, verslindt,
Vreet zich in ’t water vast, zijn blikken hard
Over de vlakten zendend, waar die stem
Kreet jamm’rend in het koud heelal naar hem.

De laatste riem… de laatste hulp… breekt af
De stroom verliest hem als een nutloos kaf
Naar zee.

De veerman - en zijn armen vallen neer -
Knakt machtloos samen op de ruige bank;
Zijn lenden zijn als brekend, lijk een veer
Die sprong - totdat de boot plots schokt
aan de oever, waar, in ’t riet… het water klokt.
De veerman, omziend, wat zijn strijd mocht baten,
merkt dat de boot de wal niet heeft verlaten.

De vensters van de huizen aan de oever
Zien spottend neer. De toren heft zich stroever
En merkt de onmacht van zijn handen -
Maar hij, de veerman, starend stil en stom
Houdt koppig nog - en God weet slechts waarom
en tot welk doel -
het riet tussen zijn tanden…

(Vertaald door Martien Beversluis)

In 1898 vestigt Verhaeren zich definitief in Saint-Cloud nabij Parijs. Die verhuizing brengt hem niet alleen faam in Frankrijk, maar zijn werk zal zelfs tot in Japan vertaald worden. Andere bekende dichters als Paul Valéry, Stéphane Mallarmé, Guillaume Apollinaire en dichter bij huis Greshoff, Verwey en Van Deyssel behoren tot zijn vriendenkring. Rainer Maria Rilke vindt in Verhaeren een bron van literaire inspiratie en op het toppunt van zijn roem ziet hij in 1911 de Nobelprijs Literatuur maar net aan zijn neus voorbijgaan (de gelukkige was dat jaar Maeterlinck, een andere ‘vergeten’ dichter).

Het einde van de dichter kon ironisch genoeg niet sociaal geëngageerder zijn. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ontpopt de dichter zich tot een overtuigd pacifist die in Europa voordrachten houdt tegen de oorlogsgruwel. Op 26 november 1916 brengt een van die voordrachten hem naar Rouen waar hij de volgende dag de trein wil halen. Hij verliest zijn evenwicht, belandt onder de trein en overlijdt ter plekke. De Franse staat biedt hem een rustplaats aan in het Pantheon te Parijs, maar zijn familie bedankt voor het aanbod. De dichter wordt eerst begraven in Adinkerke, maar als het IJzerfront oprukt, wordt het stoffelijk overschot overgebracht naar Wulveringem om uiteindelijk op 9 oktober 1927 te eindigen in het praalgraf aan zijn geliefde Scheldearm. Naar aanleiding van zijn 100ste geboortedag wordt zijn weduwe, die hem tot 1931 overleefde, bijgezet in het graf.

Hoeveel mensen die hier tijdens de zomermaanden voorbijwandelen of fietsen zouden weten dat hier de wieg stond van een dichter die bijna de Nobelprijs won? Hoeveel mensen zouden Emile Verhaeren nog kennen? Sint-Amands doet in ieder geval moeite om de dichter niet in een vergeethoekje te doen belanden. Zo is er niet alleen het Emile Verhaerenmuseum waar geïnteresseerden op een interactieve manier kunnen kennismaken met leven en werk van de dichter, maar langs de Scheldeboord werd ook een wandelparcours aangelegd met zijn gedichten.


De Schelde

En deze is bleek en licht, bewust en breed van borst
en in haar lenige greep hutselt zij zon en vorst.
En die heeft uitgestald tussen haar sombre zomen
een tuin, waarin de maan kan sprankelen of dromen -
Of ginds weer spoedt zich één door de eenzame contrée,
alsof hij hunkert naar de koele mond der zee;
waar die weer met haar schijn de nevelen, die bleken
plots komt doorbreken
en een Walhalla beeldt van louter gloed en goud.
(Een wolk van geesten heeft dit oud trezoor omstouwd.)
Bemanteld met de roem komen zij langs gevaren
’t zij Oeral, Rijn of Nijl, de Oder of de Loire. -

Goden en koningen en helden! Door de tijd
met stem, gebaar en daadstroom, hebt gij hen gewijd -
Hun oevers zijn nog trots door U, en hun paleizen
komen in U weerkaatst nóg naar de wolken wijzen -
Rivieren! Krijgers zijn ’t! Nog uit de spiegeling wellen
de wrede kronen op van burcht en citadellen,
wier brede muzen schijnen als een doodsgewaad -
- Maar die geen der waatren gaat
en heeft zó in haar vloed verworsteld en verdroomd
het grootste en gruwbre saam destijds, en zo verheven
zich aan het volk, dat streefde en stormt weer zich gegeven,
dan die door Vlaanderen stroomt.
Gij zijt zo zacht en ruig, al naar gij ’t wilt of weigert
Noordwaarts nog stromende, aan vale of groene randen -
Gij! weg voor wind en licht of tussen wilde zanden
de plaats waar zwart de hengst van de orkaan opsteigert.
Of waar de winter rust op de verstomde schotsen
of ’t licht des zomers danst op ’t duizend-koppig klotsen
der tintelende vloed, die zich alzijds beijvert.

O! in die jonge tijd, hoe heb ik u aanbeden
te meer naar ik ’t verbod trotserend, u begleden
heb, korte wijl
gelijk een goed matroos met riem en zeil -
En zwierf langs uwe slecht bewaakte jonken,
ideeën dronken!
En der gedachten stroom
ge hebt ze mij geschonken.
De ruimten, eindeloos;der kimmen diepe droom,
’t vergeten van de tijd, zijn welgetelde uren,
bij ebbe en dure,
gij gaaft het mij.
Ik heb benomen met mijn ogen
de bloemen, die bewogen
in ’t fonkelen van uw mijmerij -
Uw neevlen ros en woest waren het ijl gebied
waar ’t hijgende verdriet
zich schuilplaats zocht, een glorie-rijke fase.
Uw golven zweepten op de ritmen van mijn lied
mijn bloed bracht gij tot kracht, mijn ziel tot haar extase.

Uw storm en windgeweld, uw stroming deed verbazen
mijn zacht, ontvanklijk hart, gij gingt door mij -
gij hebt mij hard gemaakt, als staal gesmeed, gestoerd -
mijn wezen is het uwe en mijn mond
zingt u! De ontroering welt en wondt
en heeft mijn keel omvingerd en als dichtgesnoerd.



O Schelde!
wilde en schone Schelde!
’t In mij verzonken
zacht smeulend vuur der jeugd, fel of geslonken
deedt gij ontvonken -
Geschonken
zij mij, breidt de Dood zijn poort,
dat in uw grond, dat aan uw boord
ik sluimren mag en zelfs gesmoord
mijn hart uw bonzend woord nog hoort.

..............

Ik ken uw glorie, Schelde - fel en klaar
toen de Wolvin eens der Romeinse schaar
in ’t hart der wereld zich zo wreed
met felle kaak vastbeet.

En in de vlakte die uw stroom beschermde
slechts slijk en regen, wind en sneeuw, die zwermde
te brijzlen kreeg; uit verre streken
vrije soldaten zwierden aan om u te wreken -
die uit hun boten, met de spies, het teken
van mannenmoed neerplantten in uw flanken.

Een dichte nevel woog op uw historie.
Gent, Brugge, Ieper, straalden in hun glorie.
Maar naar uw kracht, Antwerpen, rees en zwelde,
rees ook de roem, zong ook de naam der Schelde.

Gij zijt de stroom aan wiens voorname kaden
bankier en koopman, trots en weeldrig woont;
de sier van ’t Noorden, breed gekoepeld, troont…
wier goudblazoen in ’t gele water baadde.

Men schiep uw toren, wiens brommende klokken
hun klanken op de luchten lieten kabbelen en lokken.
Hij rijst, hij zingt, uit alle leven daagt
hij op, kaarsrecht, pal als een kreet, rein als een maagd.
Uw schepen rijk, van rogge en tarwe zwaar,
drijvende zolders van vergulde weelde,
die varen schaduw-bleek of zonneklaar -
voeden de aarde met het brood van deze beemden.
Het linnen en de hennep, die men braakt en spint
zwingelt en hekelt, in uw huizen, steden,
werden het zeil, waarop de schepen gleden
naar Oost en West, hol bollend op de wind.
De opvoedster zijt gij, Schelde, onderwijzend,
uw zonen hier, als zeeman of als boer;
lomp, maar geweldig, ruig maar sterk, loom maar oprijzend
in ’t avontuur, met een gestaald bravour!

En grootser wies uw stad, uw Hansa’s gaarden
in reuzen ketels, ’t goud en gistend graan
en won t Venetië af in roem, en zij voortaan
woog in haar holle schaal de schatten dezer aarde.

Uw trots zat hoog, supreem te steigerende paarde.
Toen plots
Terwijl haar toren zong en ’t zeehavengeklots
klonk tot in ’t veld
over de daken, heen tot op de drempels…
stónd dwaas en trots
Filips van Spanjes schaduw ver al opgesteld.



O Schelde!
van welk breed ópgaan
ten Oceaan
zijn uwe golven weergekomen,
toen op uw kalme waatren, licht van dromen,
een storm zich wierp, woest en verwoed
van bloed?

De zegenrijke tijd verliet uw oever
en uw verwachtingen, zij dreven stom
als brede boten, zonder roer alom
de een na de ander doellozer en droever.
Een dodelijke avond heeft uw stroom bezocht -
En langs de havens, heersend op uw landen
kettingen spanden.
Onteerd heeft men u en verkocht.
O woestenij! O bitter-golvend wee
toen geen groot zeil
tot heil
kloek uitgegaan
op mondings-goud-beglansde baan
meer zwenkte af naar zee.

Helaas! hoe moest gij lang uw slavernij verduren -
eer dat een kreet weer ’t volk van Vlaandren aan zou vuren,
- zo ongenaakbaar eens - te worstelen voor zijn leven.

Schelde! gij waart niet meer dan een gevangen bende
van waatren, roepende aan de oevers der ellende
waarop (naar ’t veil verdrag) koningen handel dreven.
Tot na ’t signaal der opstand, als bezeten
de haat zich weer verhief en zwaarder klonk de keten
die gij al zuchtend droegt…
maar dan -
de jaren gingen langs en nieuwe wéér - een màn,
Napoleon! zijn leven het uwe
in roem en droefenis vermengde en voort deed stuwen.

En uw hovaardig gaan vormde naar ’t zijne tot
één grootse samenhang op ’t kronkelen van het lot.
Toen - zoals vroeger - werd gij de onverstoorde;
uw steile stenen bekkens schoorden
tussen hun boorden
en prangden
weer gans de winst, behaalde en de verlangde
van wat de verre zee en de aarde toebehoorde.
En weer op uw fluwelen
mantel van water vonkten de juwelen. -
Vanaf het boegbeeld van uw welbestuurde boten
blies, met haar schubbige borst, weer de godin
fier uw fameuze faam de kinkhoorn in
der waarlijk groten.

O Schelde! Schelde!
Gij zijt het klaar gebaar
van gans dit land, tot waar
Straalt de Oneindigheid - gij zijt er grijpend naar
- Vlaandrens rivieren en kanalen al, ontwaar!
zij einden als de aadren, eens verward,
in uw groot hart.
Gij zijt de rijke helper, die gemeenzaam deelde
dit nors-hartstochtelijk volk van uwe kracht,
naar het zijn aandeel wil aan werelds glans en weelde.

Uw welig oeverbed, uw diepgang, fel en zacht
zijn spiegel van dit volk, zijn kinderen, zijn ras,
hardnekkig, taai en fier, als het door tijden was.
- En heel zijn droefnis, zijn wilskracht en verlangen
zijn in uw aangezicht van zwijgzaamheid gevangen.

Tragische hemelen, verrukte en eendre heemlen.
Schelde bij winter… zomer… herfst… Uw weemlen
’t is alles weerglans van ons wisselende wezen.
Verwinnend komt ge ons moed, verslagen, vrijheid geven.
En altijd en na deze
verrezen
weer de vertrapten, zuchtend maar genezen
om in uw kracht te leven, wéér te leven.


Emile Verhaeren, Les Héros, 1908.
Vertaald door Martien Beversluis

Ik geef toe dat de gedichten gedateerd overkomen, maar de combinatie met het ruisende riet en het kabbelende water kan in deze hectische tijden een middagje rust brengen.

Ten slotte wil ik graag verwijzen naar een artikel van Guy Dupré dat in Meander 229 verscheen. Daarin verwijst de auteur naar Jacques Brel, de Belg van de eeuw aan de Franse kant van de taalgrens. Een man die net zoals Verhaeren het mooie Vlaamse platteland in het Frans bezong.


[gepubliceerd: 16 juni 2006]
 
^