Meander * Eerder * Artikelen * Baudelaire in een notendop
 
Baudelaire in een notendop
Een tekstcollage met commentaar
door Kees Godefrooij

Charles Baudelaire (1821-1867) maakte op twintigjarige leeftijd een zeereis van tien maanden langs de kusten van Afrika, waaraan hij een hang naar het exotische overhield. Hij joeg er een fortuin door en werd onder curatele gesteld. Een groot deel van zijn moeilijk, door schuldeisers achtervolgd bestaan deelde hij met de mulattin Jeanne Duval: de gedichten voor haar en enkele andere vrouwen in zijn leven behoren tot de mooiste liefdespoëzie die er geschreven is. Baudelaires werk staat enerzijds in het teken van de zwarte romantiek, door zijn fascinatie met het lugubere en satanische, het onbehagen van de mens met zijn lot: anderzijds stond hij als hij als eerste poète maudit lijnrecht tegenover de romantische opvatting van de dichter-ziener die de mensheid verlicht op haar reis naar een betere toekomst. Hij verwierp fervent ieder geloof in vooruitgang. Baudelaire werd na verschijning van Les fleurs du mal (1857) veroordeeld wegens obsceen geachte inhoud van zes gedichten, die uit de bundel moesten worden verwijderd. Les fleurs du mal wordt tegenwoordig beschouwd als een onbetwist hoogtepunt uit de wereldliteratuur.

Charles Baudelaire beziet de dichterlijke activiteit als de enige manier om te ontsnappen aan een banale werkelijkheid, die hem vervult met verveling (ennui) en melancholie (spleen). In de zichtbare werkelijkheid speurt de dichter daarom naar reminiscenties aan een andere, betere werkelijkheid. Hij heeft daarvoor een speciale sensibiliteit, die zijn zintuiglijke indrukken zo transformeert dat ze hem leiden naar de paradijselijke oorden die verloren zijn gegaan. Wat hier aangeduid is als paradijselijke oorden, is een essentie die weinig te maken heeft met het christelijke paradijs. De eenheid die de dichter kan ervaren, omvat naast het goede evenzeer het kwade. Pas in de synthese van die twee uitersten kan schoonheid ontstaan. De glans van die schoonheid, van het Absolute, is slechts af en toe waarneembaar, de schepping is maar zo nu en dan transparant, de manifestatie van het goddelijke erin is momentaan. Buiten die momenten van genade is de wereld een chaos en die ervaring van zinloosheid leidt tot wanhoop. De poëzie is daarop het enig mogelijke antwoord.
Het dichterschap is dus niet het resultaat van een vrije keuze, maar van een doem waaraan de waarlijk sensibele mens niet kan ontsnappen. Hij kan zich niet onttrekken aan de fascinatie van het andere, het ongekende, hij is ertoe veroordeeld steeds weer te proberen het verloren paradijs te evoceren. Die pogingen betekenen een uiterste beproeving.

Het gedicht Un charonge heeft veel bijgedragen tot de legende dat Baudelaire een voorkeur had voor al wat vies en voos was en niets liever wilde dan de brave burger choqueren met zijn macabere lyriek. Rilke vertelt in een van zijn brieven dat Cézanne, die van Een kadaver schetsen gemaakt heeft, dit gedicht zeer bewonderde en uit zijn hoofd kende. Met dit gedicht zou de objectieve expressie begonnen zijn.

Een kadaver

Weet jij, mijn ziel, op deze zoele zomerdag
Nog wat wij in de ochtend vonden:
Bij t omslaan van een bocht, op een stuk keigrond, lag
Een smerig kreng, al half ontbonden.

De benen in de lucht, als van een vrouw die brandt
Van wellust, van lijkvocht vergeven,
Toonde het ons wijdopen, cynisch nonchalant,
Zijn buik waar wolken stank uit dreven.

De zon scheen met zijn hitte op het rottend beest,
Of hij t als stoofvlees wou bereiden;
Zo gaf hij de natuur terug, ten offerfeest,
Waaraan zij eerst haar krachten wijdde.

De hemel staarde neer op dat subliem karkas
Als op een bloem die zich juist opent.
De stank was zo intens dat jij het daar in t gras
Haast met een flauwte moest bekopen.

Veel vliegen rond de buik die van verrotting droop,
En waaruit zwarte drommen bleven
Stromen van larven, een dikvloeibare siroop
Langs lappen aas dat leek te leven.

Dit alles steeg en daalde als een golf van vlees
Of gleed soms wemelend naar voren;
Dan leek het of het lijk van wind vervuld verrees,
Of er veelvuldig werd geboren.

En uit die wereld klonk een vreemde soort muziek,
Als stromend water, wind of regen,
Of als wanneer de wanners, soepel van ritmiek,
Het koren in hun wan bewegen.

De vormen werden vaag, nog maar een droom, of ooit
Iets wat niet uit de verf wou komen
Toch door de kunstenaar wellicht nog wordt voltooid
Als zijn herinnering gaat stromen.

Een teef achter een rots, die heel gespannen was,
Keek toe met ogen die ons haatten,
Gespitst op het moment dat zij van het karkas
Kon scheuren wat ze los moest laten.

- En toch ben jij niet anders dan dat creatuur,
Van gruwelijk bederf vergeven,
Jij, sterre van mijn ogen, zon van mijn natuur,
Mijn engel, passie van mijn leven!

Ja! Ook jij zult zo zijn, na t laatste sacrament,
Jij die de kroon draagt van het schone,
Wanneer je tussen bloeiend gras en botten bent
Geborgen waar de wormen wonen.

Zeg dan, mijn schoonheid, tot die wormen in de aard,
Die jou met kusmondjes verslinden,
Dat ik de vorm en t goddelijk wezen heb bewaard
Wanneer mijn liefste gaat ontbinden!

Baudelaire verdiept zich hier in het rottingsproces van een kadaver, een proces dat hij aanschouwelijk maakt in prachtige, duistere kwatrijnen waarmee hij het kadaver kaalvreet en uitkomt bij zijn geliefde. Er lijkt een schreeuwende noodzaak te spreken uit het gedicht maar een schreeuwende noodzaak waartoe? Is het de walging van de eigen tijd die Baudelaire ervoer, walging van de burgerlijke hypocrisie? Of is het relateren van dood aan erotiek te wijten aan de syfilis, een in zijn vroege jeugd opgelopen syfilisinfectie waaraan hij uiteindelijk zou overlijden?

De uit verval gedestilleerde virtuoze schoonheid die ik beleef bij het reciteren van Een kadaver is de sleutel die mij toegang verschaft tot een tijdvak dat goeddeels bestaat in mijn fantasie en slechts ten dele wortelt in het verleden. Een kadaver voedt mij als lezer zoals het de maden en vliegen voedt, ik smul me een weg door het gedicht en raak er zat van. Zat - als ik me laat gaan in een roes van vrije associaties - zoals ook de raaf zich zat vreet aan een kadaver en vervolgens tegen de tijd in vliegt om aan het einde van zijn tocht te belanden bij het gedicht The raven van Edgar Allan Poe. Baudelaire koesterde een grote bewondering voor Poe, toch lijkt me er geen verband tussen The raven en Une charogne, niet anders dan dat een kadaver een offergave kan zijn voor een raaf.

Het is deze poëzie die mijn verlangen opwekt naar de negentiende eeuw, de Franse literaire negentiende eeuw die ik ervaar als ik door mijn ooghaartjes kijk vanaf een bankje in de Hortus Botanicus van Amsterdam. Dan zie ik ze allemaal voorbij komen in hun mooiste kledij, Baudelaire, Flaubert in de vlinderkas, de gebroeders Goncourt, en Proust met zijn witte kostuum en hoed. Ik zie ze aan bloemen ruiken, van de kleurenpracht genieten, hun hoed oplichten voor een bekende of zich een vrouw herinneren bij het zien van de Kardinaalsmuts. In een volgende versnelling van mijn fantasie hoor ik het knallen van pistoolschoten op de zolderkamertjes van Parijs; jongelingen die zich van het leven beroven, zoals de dichter Gautier eens opmerkte. Dan waan ik me in de periode van de zwarte romantiek. Ja, Een kadaver brengt mij aan boord van het schip De zwarte romantiek, een schip waarop de muzen aanmonsterden samen met de onvergankelijke schoonheid, een schip dat voer over de oceanen van melancholie op weg naar exotische havens met namen als Satanisme, Decadentisme en Femme fatale. Natuurlijk sloegen velen overboord in die onstuimige epoque, kunstenaars die letterlijk crepeerden aan hun metier.

Het is wellicht zoals een groot dichter schreef, dat alles wat achterblijft in de tijd zich ontwikkelt tot poëzie; dat alles wat verdwijnt in de verte; verre bergen, verre mensen en verre gebeurtenissen, romantisch wordt. De Hortus is misschien wel de laatste en meest uitgelezen plek in Nederland waar je zou kunnen duelleren tussen de blauwe en goudenregen. De mooie Hortus waar je Een kadaver kunt na wandelen, als het ware.

Charles Baudelaire - De bloemen van het kwaad
Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen
Van Oorschot, 3e herziene druk, Amsterdam 1995; flaptekst, blz. 89-91, 472

T. van Dorp en A. de Oude-de Wolf (red) - Kunst & Waarheid, Idealisme en Symbolisme in de negentiende en twintigste eeuw
Open universiteit, Heerlen 1994; blz. 57-58


[gepubliceerd: 29 juni 2006]
 
^