Meander * Eerder * Artikelen * Koen Peeters, Robert Marchand en hun relatie tot K.
 
Koen Peeters, Robert Marchand en hun relatie tot K.
Geert Goeman

Beknopte biografie:

Koen Peeters werd geboren in 1959. Hij studeerde in Leuven antropologie en pers- en communicatiewetenschappen. Momenteel werkt hij op de dienst communicatie van een bank.
Peeters debuteerde in 1988 nogal opvallend met "Conversaties met K.", waarvoor hij de AT & T-prijs en de Nieuwe-Yang-prijs in ontvangst mocht nemen. "Bezoek onze kelders" werd anno 1991 genomineerd voor de NCR-prijs. In 1994 kreeg hij deze prijs ook werkelijk voor zijn roman "De postbode". Voor "Het is niet ernstig, Mon Amour" ontving hij anno 1997 de Literaire Prijs van de Provincie Vlaams Brabant. Januari 2001 verschijnt werk nummer zes, "Acacialaan", zoals steeds bij Uitgeverij Meulenhoff te Amsterdam. Koen Peeters werkt(e) mee aan verschillende literaire tijdschriften, zoals: Yang, Nieuw Wereldtijdschrift, Dietsche Warande & Belfort, Verschillig, Markant, Parmentier, De Gids, De Morgen en Radio 3.


Korte inleiding:

"Boeken dienen geenszins om uit te leggen...", schreef Koen Peeters. Ik ga daar volledig en onvoorwaardelijk mee akkoord. Een roman hoeft zijn geheimen - uitgaande van de veronderstelling dat er al iets geheimzinnigs te beleven valt - niet echt prijs te geven!
Werk van Koen Peeters leest vlot. Maar een vlot geschreven werk is geen eufemisme voor een makkelijk werk. De romans van Peeters zijn zodanig geconstrueerd, gelaagd en 'handig-geheimzinnig' geschreven, dat je na de lectuur het gevoel hebt dat je er nog een paar dagen over dient na te denken. Kenmerkend voor Koen Peeters is het gegeven dat hij graag werkt rond een goed verhaal. Op die basis gaat hij experimenteren en laat hij zijn fantasie de vrije loop. En fantasie heeft hij! Fantasie gekoppeld aan banaliteit is zijn geheim. Peeters beschrijft banale, kitscherige toestanden of creaties die hij goed kent en bij ons allen als zeer vertrouwd overkomen, die we allen ook zeer goed (her)kennen en weeft er vervolgens een boeiend verhaal omheen.
Om zijn werk een extra dimensie te geven, maakt hij daarbij gebruik van allerhande stijlmiddelen, zoals het inlassen van brieven, dialogen, telefoongesprekken, neergeschreven bedenkingen of allerhande artikelen en zelfs van op de straat gevonden notities en banale boodschappenlijstjes. En hij beheerst die techniek, last alles op het ideale moment in, zodat niets artificieel lijkt.


"Conversaties met K."

"Conversaties met K." uit 1988, het opmerkelijke debuut van de toen negenentwintigjarige Koen Peeters, was een schot in de roos. In 1995 kende het werk een tweede druk. Deze auteur wist blijkbaar toen al zeer goed waar hij mee bezig was. De taal is eenvoudig, maar mooi, vlot en onderhoudend. Het werk laat zich in één ruk uitlezen en boeit tot de allerlaatste pagina. Robert Marchand, Peeters' hoofdfiguur (en alter ego?) in verschillende werken, zal samen met de mysterieuze, maar zeer vriendelijke en gecultiveerde K. verschillende avonturen beleven. K. is een 'Hooggeplaatst Persoon', de 'Eerste Belg', wijlen Koning Boudewijn. Robert is de eeuwige student, goed op de hoogte van zoölogie, geografie en antropologie. Samen bezoeken ze de Antwerpse Zoo, het 'Koninklijk Museum voor Midden-Afrika' en K. probeert Robert te interesseren voor zijn hobby, de filatelie. De onderwerpen zijn meestal vrijwillig triviaal, maar Peeters weet zelfs met banale onderwerpen een interessant werk te schrijven. Via de Wereldtentoonstelling anno 1958 keren K. en Robert terug in tijd & ruimte en komen terecht in de oude Belgische kolonie, Kongo.
In de epiloog vertelt Robert: "Je bent ijdel", waarop de ikfiguur repliceert: "Ik deed mijn best, ik wil een schrijver worden" (p.141).


"Bezoek onze kelders"

De cover toont een mooie modernistische villa, waarvan we later - tegen het einde van de roman - zullen vernemen dat het de woning van de auteur Peeters is en niet zomaar een huis!
Dit huis heeft verschillende kelders, of beter uitgedrukt door middel van een metafoor: 'zielen', een soort geheimzinnige biografieën van vijf personages in vijf verschillende kelders opgeslagen in eenzelfde 'huis-met-geschiedenis'.
Tevens spelen Robert Marchand en K. een rol.
"Over de hoofdstad is een net gespannen. Langs dat rag weef jij een carrière. Sommige knooppunten zijn signalen waardoor in de media lichtjes gaan branden." (p.58). Uiteraard uit de context gerukt, maar een groot deel van het gehele verhaal is opgebouwd uit dergelijke eenvoudige woorden en korte zinnen, die een abstract en hermetisch gevoel creëren. Peeters omtrent 'banaliteit': "Zeer triviaal vat men samen dat de mens gecompliceerd in elkaar zit." (p.64).
Wanneer Peeters het over antropologie heeft, wordt het iets meer vakjargon: "Mijn examens bij Salmo (zijn promotor, GG) waren voorbeeldig. Ik onderhield hem over Warlbiri-iconografie uit Australië, kleurenperceptie bij de Zulu en de metamorfose van de kasuaris bij de Umedia in Nieuw-Guinea." (p.75).


"De postbode"

Ironie, antropologie, Robert Marchand, de gecultiveerde K., massa's symboliek, de oude Belgische kolonie, dit alles gekoppeld aan een vlot verhaal, zijn de vaste ingrediënten voor een werk van Peeters. De auteur toont nogmaals aan dat hij een rasecht verteller is. Zijn opdeling in aparte hoofdstukken met ondertitels is een uitnodigend en weerkerend stijlmiddel. De hoofdrol in ieder hoofdstuk wordt vertolkt door een 'gewone' postbode. Opvallend is het voorkomen van verschillende veel te vroeg overleden, jonge mensen (circa 36-37 jaar). Soms zijn ze naamloos, soms zeer bekend: een Vlaams auteur Dirk D., Patrice Lumumba, Christus, Vincent van Gogh etc. Peeters kruipt werkelijk in de huid van zijn personages. In een hoofdstuk gewijd aan Patrice Lumumba geeft Peeters opnieuw blijk van een grondige kennis van de ex-kolonie. Omtrent Lumumba: "Nee, ik was geen aap, woonde niet op een tak in een boom, ik at met vork en mes." (p.75-76). Hij neemt het op voor de autochtone bevolking, tegen de koloniale politiek: "Kolonialisme is brutaal en subtiel geweld." (p.77).


"Het is niet ernstig, Mon Amour"

Neen, echt ernstig is het nu ook weer niet, het zijn hoofdzakelijk kwajongensstreken, pesterijtjes van 'Titaantjes'; en de relatie met Nescio is niet zomaar ontstaan. Regelmatig wordt er in het werk aan gerefereerd. De gehele roman biedt een sfeer van te rijpe pubers, adolescenten, die amechtig een allerlaatste poging wagen om zich aan de dierbare jeugd vast te klampen. Vruchteloos, zo zal blijken. Een getuigenis van een niet-onbelangrijke periode uit de jeugd, toevertrouwd aan (en vereeuwigd via) het papier. Misschien ook wat nostalgie. Een van de meest belangrijke hoofdpersonages in dit werk is het "Independent Research Center", of kortweg IRC, een fictieve organisatie, opgericht met als (enige) doel er een roman over te schrijven. Het IRC, bestaande uit een groepje van vier in de Belgische hoofdstad rondzwervende ambitieuze jongemannen, tracht zich te bevestigen op het vlak van cultuur, wetenschap en administratie. Allen alter ego van Robert Marchand, op zijn beurt alter ego van de ikfiguur. Om beurten zullen de vier jongemannen een verhaal vertellen, zelf schrijven, mededelen via brief of telefoon. Verschillende bekende Belgen, zoals onder andere Hergé, worden aan de lezer voorgesteld.
Opnieuw vormen banale onderwerpen en massa's 'kitsch' een dankbare aanleiding tot discussie en zelfs tot bestudering en objectief wetenschappelijke inventarisering.
Werkloosheid: een probleem gebonden aan de tijd: "De werklozen staan in rijen langs het nadarrek. Ik herken ze al aan hun lijfgeur, aan de schrammen in hun nek." (p.22). (Nadarrek = metalen afsluitingen). Het verscheurde België wordt vergeleken met toestanden in Sarajevo. "Dit is het meest te benijden land. Dit is het vaderland dat geen vaderland is. Het Belgisch nationalisme is het zwakste nationalisme, met de grootste lafhartigheid. Er zijn drieduizend volkeren, en wij zijn er daar al twee van." (p.71).


"Bellevue / Schoonzicht"

Tegen het einde van "Het is niet ernstig, Mon Amour" schrijft Peeters dat kunst bij voorkeur individueel dient uitgeoefend te worden. Toch is dit werk geschreven samen met de auteur Kamiel Vanhole. Twee jongemannen trekken door Brussel, noteren logo's van onder andere bedrijven en noemen dat wérken. Qua taal een prima werk. "Voor zijn geestesoog rees weer de oude chocoladefabriek op zoals hij die uit zijn jeugd kende. Op weg naar school was hij zelden tot aan het Zuidstation verzeild, maar de geur, de zoele, bitterzoete geur die hem bij vlagen tegemoet woei terwijl hij de Ursulinenstraat afdaalde, die was nooit weggeweest." (p.54-55).
Alle oude bedrijfjes zijn opgeslokt door multinationale ondernemingen met enorme lichtgevende logo's. Werkloosheid en bouwvallen kwamen ervoor in de plaats. Nostalgie en vergane glorie dus: "Ze waren in de rue Notre-Dame du Sommeil beland, een smalle straat die haar vorig leven aan het overdenken was." (p.61).

Werk nummer zes, "Acacialaan" verschijnt begin 2001 bij dezelfde uitgeverij. "Het nieuwe boek gaat over het banale, het gewone, maar ook 'Het Leven', en hoe de literatuur ons helpt ontsnappen", schreef Peeters. Méér dan voldoende om iemand (erg) nieuwsgierig te maken!


Bronnen:
- "Conversaties met K.", Meulenhoff / Kritak, Amsterdam, 1988, 1995, 144 blz.
- "Bezoek onze kelders", Meulenhoff / Kritak, Amsterdam, 1991, 160 blz.
- "De postbode", Meulenhoff / Kritak, Amsterdam, 1993, 1994, 1995, 143 blz.
- "Het is niet ernstig, Mon Amour", Meulenhoff, Amsterdam, 1996, 1997, 186 blz.
- "Bellevue / Schoonzicht", Meulenhoff, Amsterdam, 1ste & 2de druk 1997, 119 blz., samen met Kamiel Vanhole.
- "Acacialaan" verschijnt begin 2001 bij Meulenhoff, Amsterdam.

Voor een meer uitgebreide informatie & bespreking van elk werk afzonderlijk, zie: http://geertschrijft.cjb.net.

[gepubliceerd: december 2000]
 
^