Meander * Eerder * Dichters * Karlijn Groet
 
Karlijn Groet
door Gerben de Ruiter

Karlijn Groet (Amsterdam, 1977) studeerde af met haar eigen Engelstalige poëzie aan de Educatieve Faculteit Amsterdam, richting Creative Writing.
Ze won diverse Poetry Slams zoals Festina Lente en de publieksprijs van Slammersfoort. Karlijn ‘bundelt’ haar gedichten onder de titel ‘Gedichisj’
Als er een bundel zou uitkomen, zou hij deze titel hebben.
Naast het dichten zorgt zij voor dochter Kaja, werkt zij aan haar scriptie en schrijft zij artikelen voor MUG, een maandblad voor uitkeringsgerechtigden. Daarnaast loopt zij stage bij Amsterdam.nl
en is zij bezig met een theaterprogramma met vier andere vrouwen.


Karlijn is veelvuldig te zien op het podium. Zij onderscheidt twee soorten podiumdichters: de 'poetryslammers' en de 'slampoets': Het eerste type schrijft gedichten en draagt die voor, het tweede type schrijft gedichten om voor te dragen. Een klein semantisch verschil, maar op papier en op het podium is het verschil aanzienlijk. Ik ben van het eerste type. Iemand als Pom Wolff ook, maar hij heeft de mazzel dat hij jarenlang toneel gespeeld heeft: hij doet zijn - op papier meer dan leesbare - gedichten op het podium zo goed dat de voordracht zelfs wat toevoegt aan de gedichten. Dat is bij mij niet het geval, ben ik bang.

Naast Pom Wolff, mededichter bij De Residentie, het door Karlijn mede opgerichte dichtgenootschap, noemt zij de volgende dichters ‘geweldig’: Erik Jan Harmens, Floor Cornelisse, Lotte Asveld, Jet Crielaard en Gijs ter Haar. Maar ook de meer ‘papieren’ dichters kan zij waarderen: Anna Enquist vind ik juist fantastisch vanwege - en niet ondanks - het feit dat ze het onbeschrijflijke heeft beschreven. Maar ik vind dan ook dat de mens niet weg hoeft, die mag best blijven in het gedicht. Natuurlijk moet er wel gezocht worden naar een manier van depersonalisatie en moet de poëtische waarde niet uit het oog worden verloren, want zoals Frank Starik een keer zo fijntjes zei: 'Er is al zoveel gezegd...en zoveel beter'. Over het algemeen zou ik zeggen dat ik van een gedicht houd als het me iets doet. Dat mag ook iets verschrikkelijks zijn. Een walgelijk beeld waar ik een uur minder door slaap vind ik ook zeer de moeite waard. Misschien heb ik wat je zou kunnen noemen 'literaire borderline' .

De onderwerpen voor haar poëzie zijn zeer ecclectisch. In het gedicht ‘Het besef van het goede’ (dat zij zelf als enige niet postrealistisch noemt) schroomt zij niet onderwerpen aan te snijden als ‘de waarheid’, ‘het goede’ en ‘God’, terwijl ‘Kartonnen Kasteeltje’ veel meer een poëticaal karakter kent. Maar ook een erg dicht op de huid geschreven gedicht als 'Oma' komt op papier (en op het podium) goed uit de verf.
Mijn gedichten doen iets met mij, dat is mijn eerste criterium. Op het gedicht ‘Kartonnen Kasteeltje’ was ik meteen al trots. Een gedicht dat mij niets doet schrijf ik niet en een gedicht dat mij niet iets blijft doen lees ik niet meer. Er moet een soort tijdloos element in zitten, iets dat ik altijd goed blijf vinden, hoe vaak ik het ook lees. Zo doende flikker ik de meeste gedichten weg, omdat ze dat ene missen en daardoor niet boeiend blijven. Ik zou mijn Gedichisj postrealistisch noemen. Zwart is zwart en wit is wit, maar je kunt soms iets zwarts op een witte manier brengen en andersom. Als je daar eenmaal bedreven in bent kun je de naarste onderwerpen bespreken alsof het niets is, maar nog steeds op een manier dat het iets met je doet, zoals het gedichtje 'Kom naar beneden'.
Soms is relativeren helemaal niet mogelijk. Bijvoorbeeld mijn gedichtje 'Oma', dat ik schreef twee dagen nadat ik haar dood had zien gaan. Daar is niks romantisch of grappigs aan, aan iemand dood zien gaan. Ik voelde toen ook helemaal niet de behoefte er lacherig over te doen, of het minder zwaar te maken. Ik wilde gewoon het zwart uit mij, alle troep naar buiten en in dat proces geen onrecht doen aan de poëzie.

Is een dichter dolend of een doler dichter, wanneer een dichter zichzelf literair borderliner noemt?
'Dolende' houdt in 'voortgaan buiten de juiste weg, zonder de weg te kennen'. Ik zou juist zeggen dat we allemaal voortgaan binnen de juiste weg, zonder de weg te kennen. Een Frans filosoof schreef ooit: 'Elk van onze handelingen verbergt een onuitdrukbare gedachte. Het is aan het eind van ons leven, met de inachtneming van deze obscure ketting van onze handelingen, dat we het geheim van onze bestemming begrijpen'. Waar het mijn dolen betreft sluit ik me daar helemaal bij aan: we zijn allemaal even dolende, of allemaal niet.

Samenstelling: Gerben de Ruiter

naar de gedichten van Karlijn Groet


[gepubliceerd: 3 mei 2006]
 
^    >