Meander * Eerder * Dichters * Anne Büdgen
 
Interview met Anne Büdgen
'Er zit een rode tomaat in mijn bundel'
door Sylvie Marie

Je bent studente aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Wat volg je daar precies?
Ik volg er een fulltime schrijfopleiding, met als hoofdonderdeel dramaschrijven. Daarnaast zijn er vakken als proza, poëzie en filmscenario. Vier jaar lang lees en schrijf je je helemaal te pletter. Bedoeling is dat wanneer je uiteindelijk de school verlaat, je niet alleen technisch en theoretisch bent onderlegd, maar jezelf ook als maker hebt leren kennen en een eigen stem hebt ontwikkeld. Dat gebeurt zo'n beetje vanzelf. Tenminste, als je blijft zoeken naar wat je echt wil maken en zoveel mogelijk uitprobeert.


Foto: Bert Nienhuis
Kan je dan werkelijk kunsten aanleren?
Je kan niet leren om creatief te zijn, denk ik, maar wel om structuur in je creativiteit aan te brengen. Waarschijnlijk kan je dat ook wel in je eentje en is de opleiding meer als een snelkoker, waardoor het proces zich vlugger voltrekt. Je bent immers omringd door mensen die hetzelfde doen en je krijgt veel feedback van mensen uit het vak. De meeste studenten, onder wie ikzelf, schreven altijd al en zullen dat ook altijd blijven doen, met of zonder de opleiding. Toch, het is een luxe vier jaar lang je leven zo in te richten dat je zoveel mogelijk met dat schrijven kunt bezig zijn.

Hoe leer je dan bijvoorbeeld poëzie schrijven?
Dat kan je op verschillende manieren. Gedichten analyseren en voorlezen aan elkaar vind ik bijvoorbeeld heel leerrijk. Maar in opdracht een gedicht schrijven voor de volgende les, past niet bij me. Bij mij ontstaan gedichten immers toevallig en niet gedwongen.
Ik heb ook veel over poëzie geleerd door me in andere literaire genres te verdiepen. Met proza bijvoorbeeld, oefen je jezelf in het maken van een onontkoombare anekdote in een gedicht. Een monoloog dwingt je dan weer tot het neerzetten van een sterke stem, die je ook kunt inzetten voor een gedicht. Op die manier ontwikkel je je op meerdere terreinen tegelijk.

Behalve poëzie schrijf je ook teksten voor toneel en cabaret, en proza. Heb je een voorkeur?
Ik denk dat mijn vertrekpunt altijd poëzie is geweest. Van daaruit schrijf ik theaterteksten. Ze zijn vaak gebaseerd op een mislukt gedicht of een idee voor een gedicht, dat dan toch meer een dialoog blijkt of een tekst die tussen poëzie en drama in zit. Liedteksten voor cabaret zijn eigenlijk light verse, maar dan langer en met coupletten en een refrein. Ook in proza merk ik dat ik het spannend vind om de taal en de structuur van het verhaal poëtische elementen te geven, om uit te proberen hoe ver ik daarin kan gaan. Zo heb ik nooit het gevoel te moeten kiezen. Vaak bepaal ik pas wat het wordt als ik een tijd aan iets zit te schrijven.

Welke richting wil je later uit?
Eerst wil ik afstuderen, daar heb ik nu mijn handen aan vol. Na de opleiding wil ik misschien een theatergroep oprichten, waarvan ik dan een soort huisschrijver word. Maar ik wil me niet beperken. Ik wil vanalles doen. Het zal een freelancersbestaan worden met losse projecten. Daarnaast ben ik natuurlijk bezig met mijn tweede bundel en draag ik veel voor. Verder geef ik graag poëzieworkshops aan kinderen.

Medio maart debuteer je bij de Arbeiderspers met de bundel ze hapte van een tomaat. Vanwaar die gekke titel?
Ik vind het woord 'gek' nogal vreemd om een poëzietitel te omschrijven. Een poëzietitel wordt doorgaans niet geacht doorsnee te zijn, toch? Maar ik vond het sowieso vreemd om een titel te moeten bedenken. Mijn gedichten krijgen ook alleen een titel als ik er niet omheen kan. Nu kwam er maar niets dat mezelf overtuigde. Een titel heeft ook de pretentie iets allesomvattends te zeggen en dat wilde ik helemaal niet. Wie heeft eigenlijk bepaald dat dat moet?
Het is dus een beetje een antititel geworden. Ik heb een beeld genomen uit een gedicht dat in het midden van de bundel staat, geen openingsgedicht dus, want ik vind het ene gedicht niet belangrijker dan het andere. Het is een flits, een momentopname, een fragment. Wel koos ik voor een beeld dat prikkelt, dat bij de sfeer van de bundel past, dat nieuwsgierig maakt.

Wat mogen we van je bundel verwachten? Zit er een rode draad in?
Nee, wel een rode tomaat. Eigenlijk vind ik dat de lezers die maar moeten verzinnen, maar ik bracht zelf wel een beetje structuur in. De bundel bestaat namelijk uit drie hoofdstukjes. Het eerste ademt vooral de sfeer uit van jeugd en begin. Het tweede gaat over het ontdekken en verliezen van liefde en over het tekortschieten van taal. Het derde hoofdstuk gaat dan weer over zomer en dood. Maar de thema's overlappen elkaar wel. Ook staan er gedichten in die over iets heel anders gaan. De bundel is geschreven tussen mijn eenentwintigste en zevenentwintigste en herbergt veel verschillende stijlen en onderwerpen. Daarom denk en hoop ik dat veel mensen er iets in kunnen vinden, en niet alleen een kleine club trouwe poëzielezers.

Hoe beschrijf jij de stijl van je gedichten?
Deze bundel is wel anekdotisch te noemen, denk ik, hoewel dat niet voor elk gedicht opgaat. Misschien is het een beetje een mix van helder parlando en zwart-romantisch abstract, hoewel het abstracte dan wel weer de schijn van helderheid heeft. Ach, ik vind het altijd moeilijk ergens een sticker op te plakken. Ik merk wel dat ik langzaamaan anders ga schrijven, minder op anekdote en meer op beweging van de taal. Voorlopig ben ik nog wel bezig!


naar de gedichten van Anne Büdgen


[gepubliceerd: 10 maart 2007]
 
^    >