Meander * Eerder * Dichters * Cyriel Vermaelen
 
Interview met Cyriel Vermaelen
Dichteres in Zuid-Afrika
door Peter Wullen

Cyriel, je studeerde in Leuven en Amsterdam. Hoe kwam je in het Zuid-Afrikaanse Stellenbosch terecht?
Een vriend van me besloot enkele jaren geleden de brui te geven aan zijn studies en reisleider te worden van groepsreizen doorheen zuidelijk Afrika. Ik was twee jaar geleden bij hem op bezoek en logeerde een maandlang in zijn appartement in Kaapstad. Zuid-Afrika overdonderde me. Het is een schitterend land met heel aardige mensen, maar aan de andere kant is er de schrijnende armoede en criminaliteit. Dit contrast fascineerde me. Tegelijkertijd werd ik verliefd op het Afrikaans: de overeenkomsten en de verschillen met het Nederlands waren elke dag weer verrassend voor me. Ik besloot langer te genieten van dit land en ging op zoek naar een manier om mijn studie hier voort te zetten. Dat is me gelukt aan de universiteit van Stellenbosch.

Onderhoud je daar contacten met de literaire wereld?
Ik ben als beginneling nog maar met mondjesmaat contact aan het zoeken met de literaire wereld in Zuid-Afrika én in Nederland en Vlaanderen. Mijn eerste publicaties verschenen enkele maanden geleden in Winks en Ydele Hoop, twee tijdschriften van hier. Daarvoor had ik nog nooit ergens gepubliceerd. Ik schrijf al een aantal jaren verhalen, maar puur voor mezelf: om het zelf kunnen schrijven en om mijn eigen criticus te zijn. In staat zijn je eigen werkelijkheid weer te geven en met taal je omgeving te kunnen manipuleren, dat zijn voor mij drijfveren om te schrijven. Taal produceren kan een fantastisch machtsmiddel zijn en het helpt me om orde te scheppen in de grote chaos, zoals ik mijn wereld zie.

Bestaan er in Zuid-Afrika literaire tijdschriften die werk van Nederlandstalige dichters publiceren?
Er wordt van hieruit weinig gedaan om de literaire banden met Nederland en Vlaanderen aan te halen, heb ik het idee. Schrijvers en dichters hier zijn vooral op het eigen land gericht, iets wat trouwens ook voor de Nederlandse en Vlaamse literatuur geldt. In Zuid-Afrika zijn schrijvers nog steeds bezig met het zoeken naar een eigen identiteit en met het verwoorden van de complexe eigen geschiedenis en het ingewikkelde heden. Door de contrasten tussen arm en rijk, zwart en blank, en de maatschappelijke problemen is hun blik sterk naar binnen gericht. Ik denk dat uitvoerig contact met Nederlandstalige dichters een stap is om in de toekomst te nemen.

Je studeerde sociolinguïstiek en je doet onderzoek naar tweede taalverwerving van adolescenten. Wat moeten we daar onder verstaan?
Mijn onderzoek naar tweede taalverwerving ligt in het verlengde van mijn studie sociolinguïstiek. De sociolinguïstiek onderzoekt de verhouding tussen de taal en haar sprekers. Met andere woorden: hoe de sociale context invloed heeft op het taalgebruik van het individu of een groep. In Zuid-Afrika is het interessant om te onderzoeken hoe de sociale klassen verschillen in hun taalgebruik. Ik plaats dit gegeven in de context van tweede taalverwerving onder jongeren van 12 tot 18 jaar. Ik onderzoek hoe de sociale klasse een rol speelt bij deze jongeren wanneer zij een nieuwe taal leren. Bijvoorbeeld in hoeverre een jongen, die van huis uit Xhosa spreekt en uit een lagere sociale klasse komt, hierdoor in zijn leerproces belemmerd of gestimuleerd wordt als hij zich het Afrikaans of Engels eigen maakt.

Je publiceerde tot nu toe enkel verhalen in enkele tijdschriften. Hoe kwam je bij de poëzie terecht?
Ik heb nooit poëzie willen schrijven. Iedereen dicht en vijfennegentig procent doet dat op een bedenkelijk niveau. Jan en alleman brengt bundeltjes uit, ook in eigen beheer. Proza schrijven is veel ingewikkelder. Prozaschrijvers zijn er ook veel minder dan dat er dichters zijn. Zij moeten kundiger zijn, intensiever met hun teksten omgaan, en vallen snel door de mand als hun verhaal niet deugt. Slecht proza valt makkelijk aan te wijzen, maar slechte poëzie kan door een mantel van vaagheid worden bedekt: 'Je hebt het gewoon niet begrepen,' wordt er dan gezegd door de slechte dichter. Sowieso een belachelijke opmerking natuurlijk: een lezer maakt zelf wel uit hoe hij een gedicht interpreteert. Ik ben toch bij poëzie terechtgekomen doordat ik in aanraking kwam met Onbederf'lijk Vers, een poëziefestival in Nijmegen. Ik ontdekte dat men op dat festival het kaf van het koren weet te scheiden. Ik kwam in contact met Joris Geelen, medeorganisator en redacteur van tijdschrift Komkommer en Kwel, die enkele van mijn verhalen las. Door hem werd ik aangemoedigd om toch eens de gok richting poëzie te wagen. Hij las enkele probeersels van me en vertelde me dat hij erg enthousiast was over open, blakend. Dat gedicht is in maart in Komkommer en Kwel verschenen.

Vanwaar je keuze voor de gedichten die je instuurde voor Meander?
Ik probeer verhalend te schrijven, ook in mijn gedichten. Ik wil een film voor mijn ogen zien wanneer ik poëzie lees. Er zijn dichters die zo kunnen schrijven: Ingmar Heytze is iemand uit deze tijd die dat goed kan. Simon Vestdijk was er ook zo één: zijn de uiterste seconde is voor mij het summum van de Nederlandstalige poëzie. Tijdens mijn studie in Amsterdam kwam ik in aanraking met de poëzie van Charles Bukowski. Ik wist niet wat ik zag en las. Die man schreef exact zoals ik het wilde lezen. De gedichten die ik heb ingestuurd zijn voor mij zulke kortfilms, vooral vertrekhal, aankomsthal en de dag dat ik verliefde op een blank meisje. Ze geven weer hoe mijn werkelijkheid er uitziet: er gaat altijd wel iets fout of er sluimert iets onheilspellends. Vaak heerst er een duistere ondertoon en moet er geleefd worden met de gebreken die wij allemaal hebben. Open, blakend geeft weer hoe de wereld er uitziet als je niet meer uitgaat van het goede in de mens. Sinds enkele jaren heeft dit mensbeeld bij mij helaas de overhand genomen.



naar de gedichten van Cyriel Vermaelen


[gepubliceerd: 7 april 2007]
 
^    >