Meander * Eerder * Dichters * Karin Doornik
 
Interview met Karin Doornik
Reizen door de tijd en de wereld
door Antoinette Sisto

Karin Doornik (1959, Heerde) is docente Nederlands, prozaschrijfster en dichteres. Ze publiceerde verhalen in de Baarnsche en Soester Courant en in een lezerscolumn van de Volkskrant. Gedichten van haar hand verschenen in e-zines en tijdschriften, waaronder Meander, Opspraak Digitaal en Schrijven. Ook werd een gedicht van haar opgenomen in de tuinscheurkalender van Uitgeverij Contact. In 2006 won ze de Nieuwegeinse poëziewedstrijd met haar gedicht 'Niets van alles'.

Je bent docente Nederlands en geeft les aan anderstaligen. In hoeverre is dit van invloed op je schrijven?
Ik doceer Nederlandse taal, maar voornamelijk aan beginners. Het proces van alfabetiseren op latere leeftijd boeit me. Sommigen leren heel snel, anderen krijgen het nooit onder de knie. Het lesgeven als zodanig is niet van invloed op mijn schrijven. Wel inspireren de cursisten me van tijd tot tijd bij het schrijven van gedichten. Sommigen hebben een niet-westerse achtergrond, waar ik dan geïnteresseerd in raak. Bijvoorbeeld het gedicht Dodenakker gaat over het oude Babylon in het huidige Irak. Andere voorbeelden zijn de gedichten 'Anderland' en 'Welkom', die op mijn website www.karmina.org staan.

Heb je wel eens een gedicht in het Nederlands gelezen met je cursisten?
We hebben met Gedichtendag op school een poëzieworkshop gedaan met de cursisten, zowel met allochtonen als laaggeletterde autochtonen. Daar gebruikte ik het schrijven vanuit de zintuigen als uitgangspunt, waardoor er heel authentieke gedichten ontstonden. Poëzie was op dat moment niet 'eng' meer en ook niet ver van hun bed. De gedichten hebben we gebundeld en verspreid op school. Het doen en ervaren is belangrijker dan beschouwing.

Aan welke criteria moet goede poëzie volgens jou voldoen?
Zelf houd ik niet van hermetische poëzie die alleen voor de dichter duidelijk is. Wel houd ik van cryptische gedichten, in de zin dat er een verborgen boodschap of meerdere lagen in zitten. Een goed gedicht geeft bij eerste lezing een vermoeden van begrip, maar je overziet het nog niet helemaal. Daarin ben ik het helemaal eens met P.F. Thomèse in zijn inleiding bij Het muzikaalste gedicht. Vernieuwing qua vorm vind ik ook interessant, en er mag ook iets rauws in zitten, iets pijnlijks. Dat geldt ook voor het zelf schrijven van gedichten. Het is belangrijk om te merken dat je over een grens gaat, meestal zit je dan op de goede weg. Ik ben altijd blij als mijn gedichten heel verschillende reacties opleveren. Daaruit blijkt dat er iets geraakt wordt bij de lezer, negatief of positief. Die wisselwerking vind ik een belangrijk aspect van poëzie.

Welke dichters lees je graag?
Om er een paar te noemen uit een divers gezelschap: ik lees graag de poëzie van Sappho. De eerste keer dat ik haar lyrische fragmenten las, had ik het gevoel rechtstreeks geraakt te worden, dwars door zesentwintig eeuwen heen. Verder houd ik erg van Slauerhoff, de romantische dichter, vanwege zijn weemoed, zijn reizen naar verre oorden. Wislawa Szymborska vind ik ook geweldig, ik heb de verzamelbundel Einde en begin met de uitstekende vertalingen van Gerard Rasch. Esther Jansma's Hier is de tijd vind ik mooi vanwege de thematiek en het vermogen van de dichter om het heel persoonlijke in universele gedichten te verwerken.

'Poëzie is voor mij het reizen van de geest door de tijd en de wereld' staat er op je website. Op wat voor manier vindt deze opvatting zijn weerslag in je gedichten?
Door middel van taal schep je je eigen universum, waarin je kunt doordringen tot onbekende gebieden, vaak tot je eigen verrassing. Heel toevallig zie ik net bij het bladeren door de bundel van Szymborska het gedicht 'Lof der dromen', waarin ze beschrijft wat ze in haar dromen niet allemaal zou kunnen doen. Ik heb op mijn site iets dergelijks geschreven over taal: woorden zijn de handvatten die toegang geven tot een bijna oneindig aantal werelden dwars door tijdlagen heen.

In je gedichten bespeur ik een voorliefde voor neologismen en woorden afkomstig uit vreemde talen. Gebeurt dit spontaan of is het een bewuste keuze?
Neologismen ontstaan vaak spontaan. Archaïsche taal of onbekende woorden gebruik ik ook graag. Ze kunnen zelfs een uitgangspunt vormen voor een gedicht, zoals in mijn opsommingsgedichten 'Tot stof' en 'Oerakker', die oude weefsels en vergeten groenten tot onderwerp hebben. Wat betreft de woorden uit vreemde talen probeer ik altijd een zorgvuldige afweging te maken: blijft het woord staan, omdat dit bij me opkwam tijdens het dichten of moet het toch vertaald worden naar het Nederlands? Het blijft staan als het een extra dimensie geeft en niet stoort.

Hoe zou je jouw eigen poëzie het liefst typeren?
Dat vind ik moeilijk, omdat mijn poëzie steeds in ontwikkeling is, zowel qua inhoud als vorm. In het begin gebruikte ik nogal eens volrijm en was de inhoud erg persoonlijk. Daarna volgde er een aantal gedichten die muziek, zangers, mannenportretten en anderstaligheid als thema hadden. Momenteel ben ik bezig met een cyclus met de titel 'Archefacten' en ook een reeks gedichten over 'de wereld' en de snelle veranderingen daarin. Ik gebruik wel veel alliteratie, binnenrijm en assonantie en vaak bestaan de gedichten uit strofen van vijf regels.

Afgaand op de indrukwekkende hoeveelheid gedichten op je website zou je een heel eind op weg zijn naar een persoonlijke dichtbundel. Enige plannen in die richting?
Zeker, ik heb de eerste voorzichtige stappen gezet, onderweg moet ik de angst kwijtraken om te vallen. En de juiste uitgever vinden, natuurlijk!



naar de gedichten van Karin Doornik


[gepubliceerd: 21 april 2007]
 
^    >