Meander * Eerder * Dichters * Jennifer Kesteleyn
 
Interview met Jennifer Kesteleyn
De oester toont haar glinsterende parel
door Jeroen Dera

Jennifer Kesteleyn (1984) studeert in het dagelijks leven aan de universiteit van Gent, waar ze de opleiding Politieke Wetenschappen volgt. Op creatief vlak is ze een bezige bij: naast haar dichtwerk houdt ze zich bezig met schilderen en tekenen. Deze maand debuteert ze in Meander.

Je bent een nieuwe naam in de poëziewereld. Kun je je poëzie aan het publiek voorstellen?
Mijn gedichten gaan over opgroeien en liefde. Ik ben nu tweeëntwintig en toch vraag ik me af of ik nu écht volwassen ben. Ik voel me soms net als het kind van twaalf dat begon met dichten. Af en toe heb ik zo'n gevoel van: 'Is dit nu mijn leven?' In mijn poëzie wil ik me wat dat betreft graag uiten.
En ja, welke dichter schrijft nu niet over de liefde? Je mag dat begrip niet eng interpreteren: het gaat me om de liefde in het algemeen, om liefde voor ouders, vrienden of vriendinnen, om dé geliefde, de liefde voor het leven zelf. Vaak gaan mijn gedichten over het loslaten van bepaalde dromen en de pijn die daarmee samengaat. Hoe ouder ik word, hoe meer ik merk dat mensen verdwijnen en anderen in de plaats komen.

Heb je grote voorbeelden? Hoe inspireren zij je?
Het is misschien een vreemd voorbeeld, maar ik kijk op naar De Villepin. Hij is een groot diplomaat die ook nog eens de tijd heeft om poëzie te schrijven. Verder kijk ik op naar poëzie van jongeren, dingen die je in de bundels van Soetendaelle kan vinden. Jongeren zijn vaak heel eerlijk en direct in hun poëzie, ze proberen niet altijd zo mysterieus te doen zoals dat volwassenen dat proberen. Ze inspireren me om zo toegankelijk mogelijk te schrijven, zonder aan taalcreativiteit in te boeten.


Over Soetendaelle gesproken: daar ben je zelf ook eens in de prijzen gevallen.
Ik heb inderdaad al verschillende keren meegedaan. Bij de editie van 2006 heb ik de derde prijs van de volwassenenjury gewonnen. In 2000 met drie gedichten een eervolle vermelding gekregen en ten slotte in 1998 de derde prijs van de jongerenjury gewonnen. In 2001 was ik bij de beste 100 van Doe Maar Dicht Maar. Zulke wedstrijden zijn leuk; ze vormen een manier om je poëzie onder de mensen te brengen, om je stem te laten horen.

Hoe ontstaat naar jouw mening een goed gedicht?
Door erover na te denken, te schrijven, wat te laten liggen en te herschrijven. Soms moet een gedicht rijpen in je hoofd. Het gebeurt vaak dat ik lang aan een gedicht schrijf en het op een bepaald moment niet meer kan zien. Dan leg ik het aan de kant en misschien komt er na een paar maanden iets veel beters uit. Een gedicht kan niet vanaf het eerste moment af zijn. Schrijven is schrappen en ik denk dat dit bij poëzie zeker het geval is.

Hoe heb jij je als dichter ontwikkeld?
Ik ben begonnen met dichten na een ingrijpende gebeurtenis toen ik twaalf was. Als kind las ik al massa's boeken, dus de fascinatie voor taal is er altijd al geweest. Toen ik begon met schrijven was het eerder een verwerking van gevoelens. Ik 'werkte' nog niet echt aan gedichten. Gaandeweg is schrijven een deel van me geworden. Door begeleiding van mijn literaire docent ben ik meer aan gedichten gaan schaven. Mijn dichten is nu een uitlaatklep voor de dingen die ik zie en meemaak. Het kan heel eenvoudig beginnen doordat ik een beeld zie dat me raakt. Of er blijft een zin of woord in mijn hoofd rondspoken. Ik denk veel na over woorden en klanken en probeer zoveel mogelijk met taal te spelen.

Hoe speel je dan met taal? Zijn er bepaalde procédés die kenmerkend zijn voor je stijl, denk je?
Ik vervorm graag bestaande woorden. Denk aan dinsdaagden, tegendagen en verwinteren in mijn gepubliceerde gedichten. Ik probeer de lezer ook te verrassen: sprong en branding in plaats van landing. De lezer moet denken: 'Hé, daar heb ik nog niet aan gedacht'. Ik hou van neologismen en het werken met contrasten. Het metrum is ook vrij belangrijk in mijn gedichten. Dat kun je misschien merken aan de tweede strofe van het eerste gedicht. Meestal komt het echter onbewust tot stand.

Ben je actief in de podiumwereld?
Helaas niet. Ik heb het gevoel dat mijn gedichten zich er niet echt voor lenen. Podiumpoëzie vraagt om direct begrepen te worden. Je moet de lezer meenemen. Volgens mij worden mijn gedichten het beste een aantal keer herlezen om begrepen te worden. Je moet er de tijd voor nemen om alle dingen erin te zien. Het is zoals mijn literaire docent zegt: mijn gedichten zijn zoals een oester die na herhaaldelijk lezen langzaam haar glinsterende parel laat zien.
Ik zou wel heel graag meer met mijn poëzie naar buiten treden. Misschien dat ik me eens ga toeleggen op meer podiumgerichte poëzie. Soms doe ik mee aan wedstrijden, met wisselend succes.

Heb je, jong als je bent, wilde ambities of toekomstplannen op het gebied van de poëzie?
Ik zou heel graag, ooit, een eigen bundel uitgeven. Natuurlijk als de tijd rijp is en als er interesse voor is. Binnen de studierichting die ik volg, bestaat er wel interesse voor poëzie. Ik wil binnenkort een oproep doen aan de studenten die ook schrijven om eens samen te komen. Eventueel zouden we dan posterpoëzie kunnen uitbrengen die we dan in onze faculteit kunnen ophangen. Dat is een project dat echter nog in de beginfase is.



naar de gedichten van Jennifer Kesteleyn


[gepubliceerd: 5 mei 2007]
 
^    >