Meander * Eerder * Dichters * Wout Joling
 
Interview met Wout Joling
'De veronderstelling is een fiets'
door Yvonne Broekmans

Van Wout Joling (Assen, 1950) is pas geleden een tweede bundel verschenen, Waterstilte, bij uitgeverij De Schakel in Utrecht. In 2001 debuteerde deze dichter met Geluk of ander heimwee bij de Woordenwinkel in Zierikzee. Hij publiceerde in Meander en op diverse internetsites. Via zijn auteurspagina kun je zijn website bezoeken.

In eerste instantie geven je gedichten de indruk van losse fragmenten. Later lijkt juist de bouw ervan doorslaggevend voor wat ze oproepen. Welke aspecten van het dichten vind jij vooral van belang?
Leuk dat je de bouw noemt. Dat hoor ik niet zo vaak en ik vind het zelf wel belangrijk. Een goed gedicht is in balans, zowel wat betreft taal als structuur. Ik ben geen - wat men noemt - vormdichter, van de strakke rijmschema's en sonnetten. Maar je ziet in mijn gedichten geregeld binnenrijm, klankrijm, een vaste opbouw van versregels in kwatrijnen, terzinen of disticha. Daarnaast keren woorden of beelden uit het begin van een gedicht vaak aan het einde terug. Als spiegels. Of juist als tegenstellingen. Voor mij is misschien toch het belangrijkste dat er een ontwikkeling in een gedicht is, dat het naar een onverwachte wending leidt, naar een ontknoping of soms ook naar opperste verwarring.

Dichten als combinatie van werken en inspiratie. Welke plaats neemt de inspiratie daarbij in en hoe werkt dat bij jou?
Ik las pas iemand die verkondigde dat poëzie schrijven makkelijker is dan romans schrijven. Ik weet dat nog zo net niet. Met een gedicht is het als met wijn die moet liggen en rijpen. Inspiratie is voor mij iets ongrijpbaars. Ze bestaat absoluut en is onmisbaar voor een dichter, maar vraag niet hoe ze eruit ziet. Ik vind heel vaak inspiratie in een woord dat ik lees of in een zinnetje dat ik opvang. Neem het woord 'vogelhoogte', een prachtig woord dat mij een keer tot een geweldig gedicht inspireerde. Helaas had mijn goede dichtvriend Pom Wolff dat woord al drie keer in een gedicht gebruikt. Maar zo werkt dat wel bij mij. Het begint meestal met een paar woorden. Daar komen beelden bij en dan ontwikkelt het gedicht zich uit de taal zelf. Of niet natuurlijk.

Je registreert visueel en legt de interpretatie voor een deel bij de lezer. Hoe zie je daarbij de rol van die lezer. Wat wil je aan hem overlaten en wat niet?
Eigenlijk heb ik geen boodschap aan de lezer. Bij het schrijven denk ik geen moment aan wat iemand zich bij mijn gedicht voorstelt. Dat visuele is voor mijzelf meer sfeerbepalend dan betekenisgevend, zoals in Franse of Italiaanse films uit de jaren zeventig. Ik heb zojuist een gedicht geschreven, dat begint met de regel 'de veronderstelling is een fiets'. Daarin zie je een 'topje hoofd' dat zich achter een maïsveld voortbeweegt, alsof er een fietser rijdt. Maar wie zegt dat er een fiets onder dat hoofd zit? Misschien zit dat hoofd wel achterstevoren en rent er iemand achteruit. Moet er zich per se een lijf onder dat hoofd bevinden? Het resultaat is een zomers plaatje. Uit de reacties die ik krijg, blijkt dat deze manier van werken heel filmisch overkomt.

Brengt dat visuele karakter een voorkeur mee voor poëzie op papier? Je bent toch met een zekere regelmaat op internet te vinden.
Internet is een fantastisch middel om je werk te laten zien. De internetwerkgroep waaraan ik deelneem, met dichters als Edith de Gilde, Pom Wolff en nog een paar mensen, is een geweldige plek om feedback te krijgen op gedichten die nog in ontwikkeling zijn. Daar vind ik veel inspiratie en een prima leerschool. Maar als lezer, als poëzieliefhebber, lees ik weinig van het scherm. Dan print ik het eerst uit. Ik lees het liefst poëzie uit bundels en tijdschriften. Ik moet de woorden voor me zien en kunnen vasthouden. Internet is vluchtig, oppervlakkig. Dat geldt ook voor de rage dat elke dichter tegenwoordig het podium op moet. Dat moeten ze vooral doen, hoor. Maar voor mij is het niks. Soms vraag ik me af of er nog plaats is voor poëzie van de stilte in de arena van het marktplein.

Als je behalve dichter ook schilder was, wat voor werk zouden we dan van je te zien krijgen?
Dan zou je het werk van Chagall te zien krijgen. Of van Matisse.

Hoeveel van je tijd en aandacht gaat er naar het lezen en schrijven van poëzie en wat haal je er voor jezelf uit?
Gemiddeld ben ik elke dag wel een uur of twee met poëzie bezig. Ik denk dat dat veel is voor een niet-professionele dichter. Het gebeurt bijvoorbeeld in de bus naar mijn werk dat ik invallen krijg. 's Nachts stap ik ervoor uit mijn bed, en de volgende morgen ben ik geen mens. Ik kan niet zonder de poëzie. Die laat me nooit los. Maar er blijft toch nog tweeëntwintig uur per dag over voor andere dingen.

Op je site doe je prachtige dingen met foto's. Zie je de combinatie van taal, beeld en geluid altijd als een verrijking? Hoe sta je in de discussie daarover?
Altijd is te veel gezegd. Poëzie moet zelfstandig overeind kunnen blijven. Maar neem dat gedicht Wat water achterliet van Rutger Kopland. Het is toch een gemis als je de aquarel van Van Hoogdalem niet kent, waarop dat gedicht is gebaseerd. Terwijl Koplands gedicht een aquarel op zich is. En de combinatie van theater, muziek en poëzie bij Nynke Laverman die Slauerhoff en Albertina Soepboer, in het Fries, met de Portugese fado en Zuid-Amerikaanse bandonéon mengt. Dat is echt een verrijking

Heb je nog een vastomlijnd doel op literair gebied?
Ik zie mezelf nog niet gauw in de Dikke Komrij verschijnen hoor. Ik sta nog niet eens in Het Gebrek van Henk van Zuiden. Nee, ik heb geen grote literaire ambities. Ik kan mijn geluk niet op als ze vragen of er een gedicht van mij geplaatst mag worden op de cover van een krantje van een wandelclub met twintig leden. Er is net een tweede bundel van mij verschenen, Waterstilte, bij uitgeverij Schakel. Dat die bundel niet helemaal ongemerkt voorbijgaat, dat is mijn ambitie. Dezer dagen komt ook een bloemlezing Van Geluk Gesproken uit bij uitgeverij Maarten Muntinga. Daar sta ik ook in met een gedicht, naast grote dichters als Adriaan Morriën, Rogi Wieg, Toon Tellegen, Herman Gorter en Miriam Van hee. Wat heb ik dan nog te wensen. Ik zou het prachtig vinden als een paar gedichten mij zouden overleven.



naar de gedichten van Wout Joling


[gepubliceerd: 5 mei 2007]
 
^    >