| Meander * Eerder * Dichters * Marloes Hoeks | ||
|
Interview met Marloes Hoeks
'In humor zit veel opluchting'
door Peter Wullen
Marloes Hoeks (1977) houdt van verrassende volta's. Haar gedichten kennen bovendien een weloverwogen constructie. Ze slaagt erin om de spanning hoog te houden en voegt er telkens een element van verrassing of een ontknoping aan toe. Raadselachtig, mooi en suggestief zijn de kernwoorden voor haar poëzie. Ze weet dat in haar gedichten tot het einde toe vol te houden en dat maakt haar uniek onder de jonge Nederlandse en Vlaamse dichters. 'we zetten ons schrap af tegen elkaar./ Ik hoop in je uit te komen./ Dat we een keer/ dezelfde mens vinden en weten waar we zijn'. Regels die ons doen denken aan de grote Kees Ouwens. Hoogste tijd dus voor een interview. Hoe ben je met dichten begonnen?Ik was ongeveer vijftien toen ik mijn eerste gedichten schreef. Het normale pubermeisjeswerk: schriften met gedachtespinsels, zinnen en tekeningetjes. Ik las veel. Ik droomde om weg te zijn, zelfs in koude boeken - daarin gebéurde tenminste iets. Ik hou van de straatromantiek in Christiane F., om een voorbeeld te noemen. Geef me de ruimte van Thea Beckman heb ik stukgelezen. Het creëren van vrijheid en de dapperheid om vrij te durven zijn, intrigeerde me. In een boek vond ik een goede manier om iets op te bouwen. Daardoor ben ik gaan lezen, en ook gaan schrijven. Twee jaar later vond ik die schriften zo verschrikkelijk dat ik ze heb weggegooid. Ik kon mijn gedachten niet bundelen, ze vlogen alle kanten uit en er kwamen veel indrukken binnen. Ik ben toen gaan zoeken. Naar alles eigenlijk. Naar iets wat ik werkelijk leuk genoeg vond om me op te concentreren. Drie jaar geleden heb ik het schrijven weer opgepakt. Ik heb weliswaar nog steeds moeite om me te concentreren op een gedicht. Mijn slachtoffer vastpinnen en ontleden, vind ik hard. Maar als het lukt, is het heerlijk. Wie zijn je grote voorbeelden? Ik speur en uiteindelijk kom ik iets tegen wat ik mooi vind of interessant. Dat neem ik mee. Zo is het ook met poëzie. Grote voorbeelden heb ik niet, geen compleet oeuvre of zoiets. Daar zijn woorden voor van Toon Tellegen is een bundel die ik regelmatig lees. Het ambachtelijke aan dat werk vind ik prachtig, dat gutsen. Er rent een mens door die bundel. Peter Verhelst is favoriet wanneer ik zin heb om loom vast te vriezen. Ik houd van Mustafa Stitous humoristische kwinkslag in ernstige verhalen. Op mijn nachtkastje ligt een bloemlezing van Paul Snoek. Het gedicht 'Sneeuw' van Ingmar Heytze vind ik beyond tederheid zo mooi. 'Maannacht' van Marsman. Alissa en Adrienne van Adriaan Morriën. Bij gedichten van Reve sla ik hartelijk op mijn knie. Ik wil in zinnen raken. Soms heeft een gedicht een geweten. Het kunnen ook enkele zinnen zijn uit een gedicht die blijven hangen. Als het me lukt om mijn eigen ingeving weer te geven, dan schrijf ik die gedachten om tot een gedicht. Bij sommige dichters let ik vaak op de techniek, de vorm van de gedichten. Waarom dit, waarom zus en zo. Uiteindelijk denk ik dat de bundels of gedichten die ik regelmatig teruglees mijn eigen poëzie wel beïnvloeden. Ze versoepelen mijn eigen gedachten over een thema. Hoe bouw je de spanningsboog op in je eigen gedichten? Eerst schrijf ik wat zinnen op, over een vaag idee of over iets wat ik ergens heb gezien of gelezen. Meestal schrijft de rest zichzelf tot een grof gesneden gedicht. Vaak leidt dat tot een heel andere uitkomst dan waar ik op rekende. Dat is trouwens best aangenaam. Op die manier worden me meerdere voorstellingen geboden van een ontwerp of werkelijkheid. Samen met het gedicht kies ik de beste oplossing binnen mijn bereik. Daarna ga ik schrappen en rechtzetten totdat ik voorlopig tevreden ben. Je hebt blijkbaar verschillende gezichten: de luchtige Marloes en de ernstige Marloes. Hoe verklaar je dat? Goeie vraag. Het ligt natuurlijk aan de redactie van Meander welke gedichten zij uitkiest voor plaatsing. Maar het is waar dat ik twee kanten heb: een humoristische en een ernstige. Mijn hoofd kan vol raken door verschrikkelijk zwarte gebeurtenissen, die beleef ik uiterst intensief. De moord op een kind bijvoorbeeld, idioten die voor de trein springen. Daar zit ik mee: hoe dun de scheiding is tussen een zeer verfoeilijke daad en de lichtheid waarin die vastvriest. Soms word ik bang van zo'n ijslijntje. In humor zit veel opluchting. Misschien gebruik ik het daarom wel als antigif. Wat zijn claymores en skene-dhus? Had het maar gegoogeld. Een claymore is een Schots zwaard. Het komt uit het Keltisch en het betekent grootzwaard. Een skene-dhu is een klein jachtmes. Letterlijk: zwart mes, waarvan de naam op het verbergen ervan zou slaan. De skene-dhu werd geborgen in de rechterkous. Na de slag van Culloden, waarbij de Schotten genadeloos werden verslagen door aanhangers van het huis van Hannover, droegen ze de skene-dhu bij wijze van opstanding tegen het verbod om kilt en wapens te dragen. Helemaal zeker is dat allemaal niet. Je dook de laatste jaren hier en daar op: in Op Ruwe Planken, Deus Ex Machina en De Brakke Hond. Toch blijf je een grote onbekende. Hoe belangrijk is dichten voor jou als professioneel tekstschrijver? Niet zo heel belangrijk. Dichten een hobby noemen, wil ik ook weer niet. Soms vind ik het zelfs helemaal niet leuk. Dan schraapt er een soort ergernis tegen mijn binnenwand. Worsteling. Frustratie. En toch moet ik dan schrijven. Werk opsturen naar een tijdschrift voelt als bluffen. Een je durft het toch niet-gevoel. Ik ben bijzonder kritisch op mezelf. Aan de andere kant werk ik er niet hard genoeg voor om een betere dichter te zijn. Het ontbreekt me aan tijd. Maar misschien komt het ook wel doordat ik geen aspiraties heb om een groot dichter te worden (niet meer...). Ik kom waar ik kom, dat is genoeg. Professioneel is het een ander verhaal. Als tekstschrijver wil ik goed op de rails blijven. Ik heb lang geklungeld, maar er zit nu beweging in. Dat voelt goed. Het beroepsmatig schrijven van teksten helpt er ook wel bij om een gedicht beter uit te werken. Ik let beter op, het schrijven wordt er langzaam ingesleten, dat is mooi meegenomen. Je dook in 2006 op tijdens het poëziefestival van Leerdam dat in het teken stond van Glas en poëzie. Wat heb je met glas? Wat heb je met Leerdam? Na Zuid-Limburg vind ik Leerdam de mooiste plek in Nederland. In 2006 plaatste ik gedichten op de Lettertempel. Ik geloof dat de dichters daar werden uitgenodigd door Jan Doornbos en Cilja Zuyderwyk. Toen heb ik me opgegeven. Het was mijn eerste voordracht voor publiek. Mijn gedicht 'Barst' werd genomineerd voor de poëziewedstrijd. Later heb ik het herschreven. Het was gezellig. Mijn zoontje vond het glasblazen leuk. Ik maakte ergens een gewaagde vergelijking met de laatste bundel van de overleden dichter Kees Ouwens. Ken je Kees Ouwens? Nee, ik had nog niets van Kees Ouwens gelezen. Ik heb hem maar gegoogled. In een interview stelde hij dat hij eigenlijk niet kon aangeven wat hij in zijn poëzie probeert te beschrijven: 'Het is bijna niet te formuleren. Daar moet ik voor gaan zitten. Daarom schrijf ik poëzie.' Die zoektocht naar het absolute herken ik wel. De onmogelijkheid om het doel van zijn schrijfproces te verwoorden, herken ik ook. Verder vind ik zo'n vergelijking totaal niet op zijn plaats. Kees Ouwens lijkt me iemand met een omvangrijke poëtica. Ik ben geen held. Mijn metaforiek is veel lichter. Mijn stijl is dunner. Ik schrijf gewoon gedichten en ben daar bovendien nagenoeg nooit tevreden over. Heb je het al eens geprobeerd bij grote uitgeverijen? Ja, bij de Bezige Bij. Ik had al een zeker voorgevoel en daar had ik het bij moeten laten. Maar ik ben ongeduldig en soms onbezonnen. Ik wist al dat het niks zou worden. Of ik daar ooit klaar voor ben, weet ik niet. We zien wel. naar de gedichten van Marloes Hoeks [gepubliceerd: 2 juni 2007] |
||
| ^   > | deze tekst printen |