Meander * Eerder * Dichters * Edward Hoornaert
 
Interview met Edward Hoornaert
Taal, ten volle taal
door Jeroen Dera


Edward Hoornaert (1981) debuteert deze maand in Meander met beeldende poëzie waaraan Shklovski zijn vervreemdingstheorie had kunnen demonstreren. Wie Hoornaerts gedichten leest, aanschouwt een treffen van Faverey en Leopardi. Jeroen Dera vroeg hem naar zijn voorkeuren, werkwijze en meer.

Poëzie definieer je als 'horen wat er niet gezegd wordt'. Hoe bereik je zo'n toestand bij een lezer?
Poëzie is mogelijkheid, zien wanneer er niets te zien is, horen wanneer er gezwegen wordt, je iets laten herinneren en daar gevolg aan geven. Een goed gedicht heeft betekenis en die betekenis is het gedicht zelf. Poëzie kan spreken en zwijgen in alle talen tegelijkertijd. Wat onvatbaar, onvoorstelbaar lijkt, kan toch tot de verbeelding spreken. Een dichter bereikt datgene wat tot de verbeelding spreekt wanneer hij taal ten volle taal laat zijn, woorden in interactie laat treden met elkaar en zich daardoor durft te laten overweldigen.

Wat is poëzie volgens jou zeker níet?
Poëzie is niet samenvatbaar en niet eenduidig. Een gedicht staat er zoals het is en omdat het er zo moet staan. Wat een gedicht aan betekenis genereert, roept nog meer vragen naar betekenis op. Als these en antithese met elkaar in conflict kunnen komen, laat ik ze maar al te graag op elkaar los. Ook woordspelingen - woorden willen niet zomaar met elkaar in interactie treden - en ironie zijn voor mij erg betekenisvol.

Je werkt als leerkracht aan een middelbare school. Daar heb je een werkgroep poëzie opgezet. Wat gebeurt er in die werkgroep?
Onze werkgroep Het krakende ei wil leerlingen de mogelijkheid geven te proeven van en te groeien in poëzie. De naam van onze werkgroep is een knipoog naar het gedicht 'Poëzie is kinderspel' van Lucebert. Poëzie is uit jezelf breken, ongegeneerd, als was het kinderspel. Via constructieve feedback proberen wij aan de poëzie van leerlingen gevolg te geven. Zij sturen hun gedichten in per mail en binnen een week proberen wij die van commentaar te voorzien. Wij proberen ons in de eerste plaats in te leven in het gedicht zelf en van daaruit een betekenis te creëren door enkele suggesties inzake woordkeuze, woordvolgorde - en zo ook ritme - te doen. Wij publiceren de meeste gedichten – mits we toestemming hebben van de leerling – op onze site zodat de deelnemers ook elkaars werk kunnen beoordelen. De site biedt hun ook de mogelijkheid om door te klikken naar interessante sites over poëzie, zoals die van literaire tijdschriften als De Brakke Hond, Het Liegend Konijn en Meander, of naar meer algemene sites zoals die van de Koninklijke Bibliotheek, Creatief Schrijven, Jeugd en Poëzie en Parlando.

Hoe ben je zelf in aanraking gekomen met de poëzie?
Ik dicht al sinds mijn twaalfde, al moet ik eraan toevoegen dat het toen vooral om het spel met taal an sich ging - noem het rijmelarij - eerder dan om het creëren van betekenis. Het is ook zo dat dichten geen constante geweest is tijdens de jaren aan de middelbare school. Sporadisch schreef ik een gedicht, waaraan ik al snel weer weinig waarde hechtte. Tot een leerkracht Nederlands mij, in het kader van een opdracht, aansprak. Hij wilde mijn gedicht, samen met dat van een jaargenoot, publiceren in het schooltijdschrift. Ik was er danig verbaasd over. Geleidelijk aan werd ik vertrouwd gemaakt met een aantal literaire bewegingen in het Nederlandstalige poëzielandschap en tijdens mijn verdere studie (Romaanse taal- en letterkunde) werd mijn interesse voor poëzie verder gevoed. De Franse symbolisten en Italiaanse dichters zoals Giuseppe Ungaretti en Mario Luzi verdienden mijn voorkeur. Na mijn studies ging ik als vanzelf verder grasduinen in zowel Nederlandstalige als Italiaanse poëzie.

Welke dichters reken je tot je grote voorbeelden?
Grote voorbeelden heb ik niet. Ik denk dat elke dichter – bewust of onbewust – in de eerste plaats op zoek gaat naar een eigen stem. Dat wil niet zeggen dat er geen dichters of stijlen zijn die mij tot de verbeelding spreken. Ik denk hierbij bijvoorbeeld spontaan aan het onpersoonlijk aandoende, meerduidige spanningsveld dat Gerrit Kouwenaar in tal van zijn gedichten weet te construeren, aan de taalvirtuositeit van Astrid Lampe die bovendien vanuit een veelheid aan perspectieven een gedicht flexibiliteit weet mee te geven. Dit is dankbare poëzie voor een lezer; je kunt er zelf in aan het werk. Iemand als Hans Faverey kan me ook bekoren; hij ontregelt en genereert, zijn poëzie is hunkeren naar leven tegen de achtergrond van vergankelijkheid. Meer zuidwaarts ben ik dan weer verliefd geworden op L'infinito van Leopardi waarin de dichter de contingentie van alles wat hem omringt, tracht te overstijgen op zoek naar het oneindige dat niet werkelijk is, maar een vrucht van de menselijke verbeelding, van het 'ik'. Het allesoverstijgende in je vergankelijke zelf mogen ervaren, dat mag misschien wel poëzies mooiste droom (illusie?) heten en daar laat ik me graag door bekoren (misleiden?).

Wanneer over de totstandkoming van een gedicht wordt gesproken, zijn er twee uitersten: je vat het ontstaan van een gedicht op als een ambachtelijk proces met de dichter als vakman, of je spreekt van een als het ware goddelijke inspiratie. Hoe verhoudt jouw dichterschap zich tot die uitersten?
De aanzet zou ik in alle bescheidenheid goddelijke inspiratie durven noemen. De meeste 'ingevingen' komen onverwacht en worden op een of andere manier geboren uit stilte. Natuurlijk moeten ze worden uitgewerkt of uitgefijnd, dus zo goddelijk zijn die ingevingen nu ook weer niet. De interactie tussen betekenisvelden onderling (ondersteund door klank) binnen het gedicht en de meerduidigheid die er vaak uit resulteert, vind ik primordiaal en ook ritmisch moet het 'steek houden'. Vandaar dat ik een gedicht ook vaak laat rijpen en ten gepaste tijde - dat kan gerust enkele weken duren - weer opneem.

Je zet je eerste stappen in de wereld van de poëzie. Wat zijn je toekomstplannen op dit gebied?
Poëzie is elke dag opnieuw of toch weer niet… Het is net dat ongeplande van poëzie dat me charmeert. Ik wil in de eerste plaats blijven genieten van het lezen en schrijven van poëzie en mezelf verder laten groeien. Die drang is er, laat mij dan maar volgzaam zijn van natuur. En natuurlijk willen mijn gedichten ook gelezen worden. Of ze gehoord willen worden, zal van het publiek afhangen, als de tijd daarvoor rijp is. Wie weet in de nabije toekomst…

Hoe denk je over de relatie tussen poëzie en de nieuwe media?
De opkomst van de nieuwe media heeft een enorme diversiteit aan poëzie opgeleverd. Door haar massale aanwezigheid op het web, lijkt poëzie plots breed toegankelijk geworden te zijn, maar is het in feite niet. Ze wordt vooral meer en sneller toegeëigend omdat het draagvlak daarvoor aanwezig is, en dit op verschillende niveaus. De vele manieren waarop poëzie verschijnt (podia, bewegende poëzie, projectie) kunnen een meerwaarde betekenen op voorwaarde dat de betekenisgeving door de verschijningsvorm verrijkt wordt. Wat de opkomst van poëzieweblogs betreft, is het aan de lezer om het kaf van het koren te scheiden en ook hier haalt elke geïnteresseerde wel zijn gram.


naar de gedichten van Edward Hoornaert


[gepubliceerd: 8 september 2007]
 
^    >