Meander * Eerder * Dichters * Bouke Vlierhuis
 
Interview met Bouke Vlierhuis
Woorden die door je brein stuiteren
door Antoinette Sisto

Bouke Vlierhuis (Utrecht, 1976) is sinds 2005 werkzaam bij Meander Magazine. Hij levert bijdragen aan de rubriek Kort, schrijft poeziërecensies en is medewerker bij de rubriek Dichters. Daarnaast publiceert hij gedichten in Lavaliterair en De Brakke Hond en verschijnen er regelmatig verhalen en korte stukjes van zijn hand op Club Propaganda, Bouillon en zijn eigen weblog.



Wat is er zo leuk aan het werken voor Meander Magazine?
Meander was een van de eerste media die mij de kans bood om een gedicht te publiceren. Met enige tegenzin overigens, want mijn prozagedicht 'Wil je de shit...' wist niet bij de hele redactie de goede snaar te raken. Toen ik daarna gevraagd werd om af en toe een bundel te recenseren, kwam ik er achter dat dat een ontzettend goede manier is om poëzie beter te leren lezen. Je wordt gedwongen onder woorden te brengen wat je goed of minder goed vindt aan een bundel. Vervolgens raakte ik verslaafd aan het geluid van op de deurmat vallende dichtbundeltjes...

Je beoordeelt inzendingen van dichters die eerder publiceerden in Meander Magazine en schrijft ook zelf poëzie. Zijn dit twee dingen die hand in hand gaan of bijten ze elkaar?
Nee, ze bijten elkaar zeker niet. Het beoordelen en het maken van poëzie zijn juist dingen die elkaar aanvullen. Door veel en kritisch te lezen ga je ook kritischer naar je eigen werk kijken en ga je uiteindelijk beter schrijven.
Er is ook nog een wat wereldser reden, overigens. Met alleen het schrijven van poëzie of fictie kan vrijwel niemand in ons taalgebied in zijn levensonderhoud voorzien. Heb je dus de ambitie om een schrijvend bestaan op te bouwen, dan zul je op meerdere paarden moeten wedden. Werken voor een redactie en recenseren liggen dan als nevenactiviteiten voor de hand.

Wat beweegt je precies tot het schrijven van gedichten?
Ik voel vrijwel continu de behoefte om met taal te goochelen en te klooien, er dingen mee te bouwen die er nog niet waren. Zolang ik me kan herinneren heb ik een fascinatie niet voor wát er gezegd wordt, maar hóe het gezegd wordt en waarom het zo gezegd wordt. Taal is geen communicatiemiddel, dat is een misvatting. De taal ís de boodschap, in het spreken of schrijven vormt zich wat we willen zeggen. We associëren vaak maar wat raak en achteraf rationaliseren we onze eigen hersenspinsels. Er is geen betere manier om de fascinatie voor dit proces uit te leven dan het schrijven van poëzie. Het geeft je de kans om de rationalisaties even uit te zetten en je te concentreren op hoe de woorden door je brein stuiteren.

Welke dichters en schrijvers zijn voor jou belangrijk geweest en waarom?
Ik heb de poëzie ontdekt via de boekenkast van mijn moeder. Vooral Lucebert en Kloos - wat een combinatie! - grepen me meteen. Het was ook mijn moeder die Ooitgedicht voor me kocht, een bloemlezing voor kinderen uit de 'volwassen' poëzie. Daarin staan naast de bekende Nederlandse dichters zoals Kopland, Buddingh', Campert, Achterberg en Vroman ook namen als Milosz, Herbert, Dylan Thomas en Kurt Schwitters. Een briljant boek dat een jonge lezer veel aanknopingspunten biedt. Later ontdekte ik de 'moeilijke' poëzie: Faverey, Jacob Groot, maar ook Rimbaud natuurlijk en daarmee de prozapoëzie. Bert Schierbeek en Ivo Michiels zijn op dat gebied grote voorbeelden voor me.

Volg je wel eens poëzieworkshops of ben je aangesloten bij een dichtersgroep?
Naar mijn mening leer je het beste schrijven door veel te lezen. Ik geloof niet zo in schrijfcursussen of workshops. Wel is het fijn om af en toe feedback te krijgen van mensen die je vertrouwt en die iets weten van het schrijfproces. Daarom schuif ik af en toe aan bij het Zwols dichtersgenootschap. Ik ben daar een soort los-vast aanhangend lid van, voornamelijk omdat ik niet altijd tijd heb om bijeenkomsten voor te bereiden en bij te wonen.

Voor de rubriek Dichters moet je ingezonden werk van dichters die eerder in Meander publiceerden beoordelen. Welke criteria zijn voor jou doorslaggevend om een dichter positief te beoordelen?
Ik vind originaliteit en taalbeheersing het belangrijkste. Een gedicht moet origineel zijn in de zin dat het niet de standaardwoorden en -beelden bevat, maar nieuwe vondsten, zonder dat het in geraaskal of mooischrijverij vervalt. Taalbeheersing toont zich in een goed lopend, goed opgebouwd gedicht.

Je vindt inhoud ondergeschikt aan vorm vermeld je op je auteurspagina. Een gewaagde uitspraak die je misschien hier wilt toelichten?
Ik vraag me af of er wel zoiets bestaat als de 'inhoud' van een gedicht. Een gedicht is tenslotte, tot het door iemand gelezen wordt, niets anders dan inkt op papier - of, tegenwoordig, bytes in een bestand. De 'inhoud' komt pas tot stand in het hoofd van de lezer, geheel onafhankelijk van wat de schrijver al dan niet 'bedoeld' heeft. Niet zo'n heel gewaagde uitspraak dus, want de inhoud is er wel, maar hij zit bij de lezer. De dichter kan zich het beste zoveel mogelijk met de vorm bezig houden.

Wat verwacht je van je toekomst als dichter/tekstschrijver?
Langzaamaan begin ik op het niveau te komen dat de literaire tijdschriften mijn werk willen publiceren en dat geeft een enorme kick. Momenteel ben ik veel bezig met het schrijven van korte verhalen. Ergens volgend jaar hoop ik een roman af te ronden, maar uitgeven, tja, dat is natuurlijk moeilijk. Ik heb een vrij goed lopend eigen bedrijfje en ik ben huisman. Dat vind ik allebei ook heel leuk, dus ik heb geen haast. Het is wel mijn ambitie om, als de kinderen naar school gaan en ik word herintreder, haha, uiteindelijk louter schrijvend mijn geld te verdienen. Of dat dan met poëzie is, proza of non-fictie, dat maakt me nog niet eens zo veel uit. Waarschijnlijk wordt het toch een beetje van alledrie.


naar de gedichten van Bouke Vlierhuis


[gepubliceerd: 22 september 2007]
 
^    >