Meander * Eerder * Dichters * Ben Huizinga
 
Interview met Ben Huizinga
'Een oneindige ruimte van mogelijkheden: dat is poëzie'
door Sylvie Marie

Ben Huizinga (Dalfsen, 1987) publiceerde in Meander Magazine eerder al een verhaal. Sylvie Marie interviewde hem - niet over Grijs is ook een kleur, maar over zijn gedichten, want ook die zijn bijzonder. De jury van WriteNow noemde ze ooit 'ontoegankelijk', Huizinga houdt het liever op 'experimenteel'.

In je gedichten is de vorm heel belangrijk. Wat zegt het meer dan alleen de woorden?
Vorm is iets essentieels, het is de draagkracht van de inhoud van het gedicht, althans, zo zie ik het. Het is een suggestief draagvlak. De gestileerde strofen die vaak te bewonderen zijn in gedichten, beperken mijns inziens de mogelijkheden van het vers. Er is enorm veel ruimte te besteden op een wit vlak, een witregel tussen de strofen is wellicht het zacht aftasten ervan, niet het uitbuiten ervan. Dat is dan ook hetgeen ik beschouw als een onderschatte kracht. Wit heeft meer functie dan slechts scheiden, het moet een suggestieve open ruimte zijn, een interpretatiekader voor de lezer.
Persoonlijk wil ik niet de lezer aan de hand nemen en begeleiden door strofen, ik wil dat de lezer zelf een pad vindt om die op zijn of haar eigen manier te bewandelen. Dat is voor mij poëzie: een oneindige ruimte van mogelijkheden. Dat valt alleen te realiseren door de vorm van poëzie op een dusdanige manier aan te passen, dat het gedicht meerdere paden te bieden heeft dan alleen naar beneden, of van links naar rechts. Waarom ook niet van rechts naar links, of onder naar boven? Er valt nog veel meer uit te buiten, zoals pijlen, vormen, leegte. Op die manier blijven mogelijkheden zich aanbieden, ontwikkelen nieuwe vormen van poëzie. Uiteraard moet dat alles in harmonie met de woorden zijn. Een vorm die bij het gedicht gekozen wordt, zonder enige meerwaarde, is een vorm die geen draagkracht kan zijn. Uiteraard valt daarmee te experimenteren en dat is nu juist wat ik probeer te doen: experimenteren met de vorm, zonder de inhoud teloor te laten gaan.

Yi Fong Au zei eind vorig jaar in een interview met Meander dat jullie samen plannen hadden voor een nieuw tijdschrift, hoe zit het daarmee?
Het idee voor Obskurant is nog lang niet van tafel geschoven. Het enige nadeel dat een dergelijk plan met zich mee brengt, is de hoeveelheid tijd die je erin moet steken. Niet dat wij het er niet voor over hebben, want dat hebben we zeker. Nu komt het alleen aan op het vinden van de tijd. Uiteraard zijn wij beiden nog jong, vandaar dat er veel tijd in andere dingen gaat zitten. Helaas, dat zeker, maar de ambitie blijft. Ook al zal het niet op korte termijn zijn dat het tijdschrift gerealiseerd wordt; ook een kleine stap is een stap. Wij houden het liever bij kleine stappen dan grote, om alsnog ons doel te verwezenlijken. Simpelweg omdat er voor ons op dit moment geen andere optie open staat.

Wat is voor jou slechte poëzie?
Slechte poëzie. Uiteraard zijn er criteria te stellen aan de wijze waarop gedichten worden vervaardigd, hoewel dit gemakkelijker gezegd is dan gedaan. Voor mijzelf zijn er een aantal criteria waaraan ik me houd, als ik een gedicht lees: sfeer, letterlijkheid, metrum, rijm, auteursbetrekking, originaliteit en stijl. Uiteraard hangt aan het laatste punt een ander punt vast, namelijk smaak. Stijl blijft persoonlijk. Toch zoek ik in gedichten een doorbrekende stijl, iets nieuws, iets onvergankelijks en niet een soort van déjà vu-gevoel. Originaliteit, het ontwijken van clichés, is voor mij een zeer belangrijk criterium, belangrijker dan stijl. Wat betreft de auteursbetrekking: ik houd niet van melodramatische versregels waarbij de lezer als het ware een medelijden met de auteur moet doorstaan. Dat is voor mij geen poëzie, maar een smeekbede. Metrum en rijm vind ik slechts goed als het functioneel en niet te opvallend is. Ze kunnen een gedicht versterken, maar evengoed verslappen. Daarnaast vind ik een gedicht, als het te letterlijk is, niet meer voldoen aan mijn idee van poëzie (waar uiteraard niet iedereen het mee eens hoeft te zijn) voor mij is het dan niet meer dan een verhaal ingepakt en opgedeeld in strofen. Het voegt voor mij niet bijzonder veel toe, dan. Ik zoek naar een poëtische kracht, niet een prozaïsche. Ook sfeer is nogal subjectief, het is dan ook niet dat de sfeer voor mij direct een bepaald gevoel op moet dringen; meer moet het mij, als lezer, in een bepaalde sfeer brengen: het onder indruk zijn bij experimentele poëzie, of geraakt worden. Zulk soort sferen.
Het volgende gedicht van Lucebert vertolkt verder mijn mening over 'slechte' poëzie. Voornamelijk de nadruk op het fluweel in de poëzie, de schoonschrijverij. Ik houd meer van de ijzeren keel.


school der poëzie

ik ben geen lieflijke dichter
ik ben de schielijke oplichter
der liefde, zie onder haar de haat
en daarop een kaaklende daad.

lyriek is de moeder der politiek,
ik ben niets dan omroeper van oproer
en mijn mystiek is het bedorven voer
van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.

ik bericht, dat de dichters van fluweel
schuw en humanisties dood gaan.
voortaan zal de hete ijzeren keel
der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

nog ik, die in deze bundel woon
als een rat in de val, snak naar het riool
van revolutie en roep: rijmratten, hoon,
hoon nog deze veel te schone poëzieschool.

© Lucebert

Je won vorig jaar een voorronde van de fameuze WriteNow-wedstrijd. Bracht dat iets op en doe je nog vaak mee aan wedstrijden?
Het bracht ervaring op. Contacten. Ik kreeg laatst nog een aanbod mee te doen aan een workshop, hetgeen uitging van de School der Poëzie. Het leek me een leuke kans en samen met Yi Fong ben ik destijds naar Eindhoven gegaan om mee te doen. Ik wist echter niet dat het ging om een wedstrijd toch, we moesten een gedicht schrijven, meerdere, en die werden nagekeken. Ik schopte het tot de finale en moest voordragen in Amsterdam in de Rode Hoed, waar ik uiteindelijk niet won. Maar ook daar weer fijne contacten gelegd en ik heb leuke gesprekken gehad over schrijven. Voor de rest heb ik niet meegedaan aan wedstrijden. Ik ben een langzame schrijver, wik en weeg elk woord tot ik vind dat er niets meer aan veranderd kan worden. Dat kost veel tijd; de deadlines houden zich echter niet zozeer aan de tijd die ik ervoor nodig heb, dus redde ik het niet. Misschien ooit nog eens. Als er wat gedichten af zijn.

Als ik het goed heb, ben je nu bezig met een project, een dichtbundel met één lang gedicht. Vlot dat?
Ik was inderdaad bezig met een dergelijk project. Het moest bestaan uit allerlei typografische trucs, allerlei nieuwe mogelijkheden. Tot ik weer een ander project had, dat meer prioriteit kreeg. Misschien dat ik het ooit nog voltooi, tot die tijd zal het altijd een nieuw project zijn, dat op dat moment meer aandacht verdient dan het vorige. Om je vraag dus te beantwoorden: het vlot niet bepaald, omdat ik er niet meer mee bezig ben. Nu is het een ander project.


naar de gedichten van Ben Huizinga


[gepubliceerd: 22 september 2007]
 
^    >