Meander * Eerder * Dichters * Erwin Evens
 

Interview met Erwin Evens
Navelpijn
door Sylvie Marie

Erwin Evens (1971, Dworp) studeerde af als bio-ingenieur en is nu leraar wetenschappen. Hij publiceerde gedichten in De Brakke Hond en won verschillende poëzieprijzen, waaronder de Dilbeekse Cahiers, de Poëzieprijs Culturele Centrale Boontje en recent de prestigieuze Basiel De Craeneprijs.

De gedichten waarvoor je de Basiel de Craeneprijs ontving, draag je op aan je dochters. Gaan de gedichten waarlijk over hen?
Je denkt je veel van je kindertijd te kunnen herinneren, maar er gaat zo veel verloren. Als je ziet hoe je eigen kinderen ontdekken, taal verwerven, leren benoemen en beschrijven, omgaan met de werkelijkheid, en hoe hun kinderlogica dan toch later blijkt plaats te maken voor een volwassen perceptie, dan besef je dat die momenten kostbaar zijn en vergankelijk. Je zou dus kunnen zeggen dat die gedichten werkelijk over mijn kinderen gaan, maar toch hebben ze de bedoeling om iets universeels te zeggen over de vergankelijkheid van momenten in het leven. Misschien laten die gedichten eerder zien op welke manier ik naar de werkelijkheid kijk. Vaak draait het dan om de dimensie tijd en de ongrijpbaarheid ervan.

Denk je dat men de identiteit van een dichter kan leren kennen door zijn werk te lezen?
Soms denk ik van wel en soms hoop ik dat ook. 'Wie me wil leren kennen moet mijn gedichten maar lezen en naar mijn favoriete muziek luisteren', was min of meer het devies op mijn zeventiende. Ik denk dat sommige dichters, zoals de neoromantici, proberen hun al dan niet onbegrepen ziel via poëzie naar buiten te draaien. Anderen schrijven dan weer pure fictie. Uiteindelijk weet je natuurlijk niet goed hoe men je gedichten zal interpreteren of welke conclusies men zal trekken over je identiteit.

Liggen er altijd persoonlijke ervaringen aan de basis van je gedichten?
Eigenlijk schrijf ik eerder vanuit een idee of overpeinzing die uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid ontstaat. Zo las ik bijvoorbeeld ergens dat ons geheugen ten vroegste pas vanaf de leeftijd van twee jaar gevormd wordt. Zoiets fascineert me. Wat blijft er dan hangen van die eerste twee jaar? Zo is het gedicht 'geheugen' ontstaan. Plots moet - bij voorkeur in een spiegel - de eerste herinnering aan een zelf ontstaan. Je denkt zo'n moment te kunnen vatten, het te zien wanneer je kinderen zichzelf voor het eerst herkennen, al is dat haast ondenkbaar. Zo'n overpeinzing in een gedicht hang ik dan op aan die persoonlijke ervaring.
Soms gebeurt het ook omgekeerd: je maakt een uitstap naar de Mont Ventoux en tijdens de rit blaas je voor de kinderen het beklimmen van die berg op tot mythische proporties. Die dag staat er toevallig een strakke mistral. Als je dan uitstapt aan de voet van de berg alvorens de beklimming aan te vatten en de wind tekeer gaat in de platanen, begint plots angst het tafereel beheersen. Daarover gaat 'dochters te Malaucène': het gedicht, eerst beschrijvend, kantelt dan, naar de platanen toe. Ik weet ook niet waarom, maar zo'n wending overkomt me vaak en is ook dwingend. Soms werkt het, soms ook niet.

Wie of wat heeft jou tot de poëzie gedreven?
Mijn leraar wiskunde, die aan het begin van de les soms gedichten voorlas. Ik was veertien toen. Dat maakte indruk, omdat hij benadrukte dat de werkelijkheid zich niet altijd laat vangen in getallen. Waar wiskunde zich presenteerde als oplosbaar raadsel, bleek de werkelijkheid veel complexer.
Op zestienjarige leeftijd las ik voor het eerst de allegorie van de grot van Plato en de daarmee verbonden ideeënleer. Ik heb voor mezelf toen uitgemaakt dat ik gedichten wilde schrijven. Dit met het idee dat de werkelijkheid zich zou laten vangen in de oneindigheid van alle gedichten die ooit werden en zouden worden geschreven. Dat was mijn wiskundige adaptatie van de ideeënleer. Vrij puberaal opgevat, maar ik had een missie. Ik ben toen verwoed begonnen met lezen en schreef - vrij laat misschien - op mijn zeventiende mijn eerste gedicht.

Heb je bepaalde schrijfrituelen?
Vroeger absoluut niet. Ik vertrok vanuit ingevingen en vondsten. Sommige gedichten lieten zich in tien minuten schrijven. Daar waren welbekende gevolgen aan verbonden. Nu heb ik echt isolement nodig, de kinderen mogen niet in de buurt zijn. Dat is meestal zo tussen elf en twaalf uur 's avonds. Soms wil muziek wel eens helpen, maar meestal moet het stil zijn. Ik lees uit een dichtbundel, laat me meedrijven. Soms dwaal ik dan vanzelf af naar dingen die in mijn hoofd zijn blijven hangen of er nog rondspoken. Ik noteer dan ideeën of woorden of zinnen in een schriftje. Meestal probeer ik ze reeds in semantische velden te organiseren, dingen die bij elkaar horen te herschrijven. Soms gaan er weken overheen voor er ook maar één gedicht ontstaat, soms schrijf ik twee of drie gedichten op een avond.

Heb je een vaste stijl of ben je zo iemand die steeds opnieuw moet ontdekken?
Ik had sinds 2000 niets meer geschreven. Pas eind 2006 ben ik weer begonnen. Ik voel nu sneller aan welke stijl bij een gedicht past. Ik vertrek vaak vanuit een slotzin of een beginregel die meteen de stijl in een bepaalde richting dwingt. Ik verzet me daar niet meer tegen. Dat maakt dat ik inderdaad telkens opnieuw op zoek moet, soms ook naar een taal of toon die ik niet eerder probeerde. Er zitten dus ook zeer experimentele gedichten bij.
Toch zou je mijn meer toegankelijke gedichten gerust klassiek kunnen noemen. Ik denk dus dat je er een vaste stijl kan in herkennen. Of dat een persoonlijke stijl is, is een andere vraag. Ik was stomverbaasd toen ik een bundel van Marc Tritsmans las en constateerde hoe verwant zijn blik is met die van mij.

Tot slot: als je één woord zou mogen toevoegen aan het woordenboek, welk woord zou dat dan zijn?
Navelpijn, in de betekenis van heimwee, vergankelijkheid, tijd en voortijd... Ik vind het wel door te googelen op internet, maar niet in het woordenboek.


naar de gedichten van Erwin Evens


[gepubliceerd: 20 oktober 2007]
 
^    >