Meander * Eerder * Dichters * Wouter Steyaert
 

Interview met Wouter Steyaert
Een strak koord om op te dansen
door Sylvie Marie

Wouter Steyaert (Gent, 1982) publiceerde zijn poëzie in diverse tijdschriften en won enkele prijzen, waaronder de HC-Trofee (Hoog Catharijne Trofee) 2007. Recent kreeg hij nog een eervolle vermelding bij de Basiel De Craeneprijs voor debutanten. Reden voor Sylvie Marie om met hem af te spreken in een Gents studentencafé voor een interview, al komt deze student niet zo vaak in het café: Steyaert dicht liever in zijn vrije tijd.

Bij het insturen van je gedichten naar Meander kreeg je de standaardvraag: wat is voor jou poëzie? Je antwoordde onder andere dat 'elk gedicht een metafoor op zich kan zijn voor een deeltje van de desbetreffende dichter'. Geldt dat altijd, denk je?
Ik denk dat een dichter toch altijd iets van zichzelf meegeeft, al is het alleen al door de manier waarop hij iets geschreven heeft. Het is onvermijdelijk dat een gedicht een soort brandmerk bezit. Je zou dat brandmerk ook kunnen zien als een soort sfeer waarin het gedicht is geschreven, en die is voor iedere dichter anders. Elke lezer absorbeert op zijn beurt die sfeer weer op een andere manier, grotendeels onbewust. Ik hou wel van het opgaan in zo'n sfeer. Vandaar dat ik ook liever bundels van één dichter lees dan bloemlezingen waarin tientallen dichters zijn opgenomen. Ik kan genieten van de coherentie in een bundel, die ene persoonlijkheid, die ene invalshoek. Een bundel is bijna een kleine wereld op zich, waar je aangenaam in kunt ronddwalen. Een bloemlezing van verschillende dichters hopt echter van de ene naar de andere. Ik verdwaal er ook in. Het is onaangenamer voor mij, ik vind er niet dezelfde rust in.



Stimuleert dat je om zelf cycli te schrijven?
Dat weet ik niet. Gedichten die niet tot cycli behoren kunnen immers ook een eigen wereld vormen. Dan is het soms nog mooier: als de lezer er de cyclus in legt in plaats van de dichter.
Zelf schrijf ik niet zoveel cycli. Ik mis misschien nog wat maturiteit om de constante in een cyclus te handhaven. Daarom nam ik bijvoorbeeld niet deel aan de Poëzieprijs van Merendree, waarvoor een bundel of minstens tien gedichten ingestuurd moeten worden. Ik heb geen tien goede gedichten liggen die nog niet zijn gepubliceerd. Als ik er een aantal heb, stuur ik ze in naar een literair tijdschrift.

Ben je een veelschrijver?
Niet echt. Ik schrijf misschien gemiddeld één goed gedicht per maand tegenover twee tot vijf andere teksten die alleen maar goede aanzetten zijn. Ik hoef niet per se veel te schrijven, ik laat het gewoon komen.

Heb je daar bepaalde rituelen voor?
Ik begin vaak te schrijven als ik het gevoel heb dat er een typische fantasie in mij opborrelt. Op dat moment zitten de beelden nog niet in mijn hoofd. Maar als ik aan de pc ga zitten, komt het plots uit mijn vingers getypt. Ofwel is dat al meteen een tekst die dicht tegen het eindstadium aan zit, ofwel is het een schets die ik dan begin uit te werken. Dat komt spontaan, ik kan niets doen om die momenten te stimuleren.

Komt het dan nooit door situaties of emoties, door wat je meemaakt?
Neen, zo gaat dat niet bij mij. Meestal schrijf ik vanuit een indruk of een beschouwing, niet echt vanuit iets concreets. Als je een gedicht wilt schrijven vanuit een emotie, neem je best eerst afstand van die emotie, denk ik. Het verzuimen ervan is een van de bestaansredenen van slechte poëzie.
Om goed te schrijven heb ik een neutraal gevoel nodig, een strak koord waarop ik kan dansen. Als jij dan achteraf zegt dat een gedicht van mijn hand je aan een bepaalde situatie doet denken is dat mooi, maar het hoeft niet die situatie te zijn die ik in mijn hoofd had. In ieder geval, veel enthousiasme of verdriet levert niets op bij mij, ik moet ertussenin zweven. Ik vind het overigens maar niets als iemand mijn gemoedstoestand uit een gedicht probeert te halen. Ik ervaar dat zelfs een belediging.

Trek je je iets aan van de lezer wanneer je aan het schrijven bent?
Neen. Soms ben ik wel eens ontgoocheld dat het gedicht dat mij het meeste zint niet helemaal overkomt bij de lezer, maar dat hoort erbij. Frédéric Leroy, met wie ik het vaak over poëzie heb, zegt dat als iets echt goed is, het wel komt bovendrijven. Dat moet inderdaad zo zijn.

Schrijf je het liefst in vrije vers of in een vaste vorm?
Zelf hou ik er niet zo van om bijvoorbeeld sonnetten te lezen, laat staan om er te moeten maken. Af en toe schrijf ik echter wel in een vaste vorm, al komt die er dan heel spontaan. Vaak heb ik de indruk dat de inhoud te veel moet inboeten voor de vorm, en dat wil ik niet. Toch is coherentie in vorm uiteindelijk zeer belangrijk bij grotere gehelen, dat hou ik dan in mijn achterhoofd.

Heb je het gevoel dat je een eigen stijl hebt?
Geen idee. Toen ik vroeger poëzie instuurde naar Zevenblad, kreeg ik vaak het commentaar dat er 'Wouteriaanse' spelingen of wendingen in zaten, dus ik heb wel iets eigens blijkbaar. Anderzijds schommel ik nog steeds tussen verschillende stijlen. Het is dus nog wat aftasten eer ik de stijl vind die mij écht past.

Apprecieer jij gedichten die je zelf niet begrijpt?
Wat is begrip? Misschien is de perceptie van begrip ook begrip. Van veel gedichten zal ik niet geweten hebben waarover ze feitelijk gaan, en toch is het mogelijk ze te waarderen, door de sfeer die ze ademen. Begrip kan ook schuilen in het toelaten van die sfeer; soms past een sfeer je echt niet. Maar ik steek zeker niet weg dat ik sommige gedichten mooier ben gaan vinden nadat ik er wat achtergrondinformatie over las.

Wie zijn je favoriete dichters?
Wat Nederlandstalige schrijvers betreft, hou ik wel van Els Moors en Eric Spinoy. Eerlijk gezegd heb ik de laatste twee jaar meer wereldpoëzie gelezen dan Vlaamse of Nederlandse. Momenteel is er misschien een beter evenwicht tussen beide, ik lees weer wat meer poëzie van hier. Wat die wereldpoëzie betreft is er natuurlijk veel goeds. Ik hou in het bijzonder van het werk van Wislawa Szymborska. Montale, Milosz en Borges spreken mij ook erg aan, net zoals Nazim Himet en Emily Dickinson.
Heel veel namen kan ik niet opnoemen. Ik koop namelijk zelden bundels, ik leen ze in de bib. En achteraf vergeet ik nogal eens de namen, vooral als ik er nooit in geslaagd ben ze deftig uit te spreken.

Even praktisch: hoe boekhoud jij je poëzie op je pc?
Ik berg mijn poëzie chronologisch op in mappen. Wordt een map onoverzichtelijk, dan maak ik een nieuwe map aan, tot deze weer onoverzichtelijk wordt. Als die mappen op hun beurt onoverzichtelijk dreigen te worden, probeer ik door iets meer structuur het overzicht te bewaren - of niet verder te verliezen - enzovoorts. Er is, met andere woorden, steeds een zelfde mate van orde en wanorde aanwezig in mijn poëziemap.
Het probleem is soms dat er verschillende versies ontstaan van één gedicht. Ik bewaar namelijk mijn inzendingen ook in een aparte map en vaak maak ik de aanpassingen in die documenten, waardoor het oorspronkelijke document niet ge-updated wordt. Veranderde titels kunnen ook reden zijn voor het zoeken naar het desbetreffende gedicht. En titelloze gedichten waarvan de beginregel werd verworpen, durven ook al eens (tijdelijk) spoorloos te verdwijnen.

Je stuurt vaak in naar tijdschriften. Klopte je ook al eens aan bij een uitgeverij?
Neen, dat is momenteel (nog) niet aan de orde.


naar de gedichten van Wouter Steyaert


[gepubliceerd: 3 november 2007]
 
^    >