Meander * Eerder * Dichters * Gert de Jager
 

Interview met Gert de Jager
Bij voorkeur geen slappe kaftjes
door Jeroen Dera

De poëzie van Gert de Jager (1957) is, zo zegt deze dichter woordelijk, een kristalhelder raadsel. Een weloverwogen vorm vangt een mysterieuze inhoud. Jeroen Dera ondervroeg De Jager over zijn poëzie en kwam tot de verrassende ontdekking dat niet iedere dichter nog streeft naar een debuutbundel.

Gert de Jager: wie is die dichter en hoe komt hij aan zijn thema's?
In het dagelijks leven ben ik een brave leraar Nederlands op een school in Amsterdam. Gelukkig is het daar mogelijk om veel aandacht te besteden aan poëzie. De docente die mij meer dan dertig jaar geleden les gaf op het Eindhovens Protestants Lyceum hield zelf van Jacqueline van der Waals, maar liet ons wel Lucebert, Bernlef en Ter Balkt lezen. Vooral Luceberts 'ik tracht op poëtische wijze' maakte indruk. Dat je dat kon doen met taal: met grote stelligheid waarheden verkondigen waarvan tegelijkertijd ook het tegendeel waar leek te zijn. Kosmische pretenties hebben vanuit een allesdoordringende ironie en ambivalentie. Dat paste goed bij mijn emotionele architectuur toentertijd. En dat doet het eigenlijk nog steeds wel.
Aan thema's kom ik niet, thema's zijn er. Ze ontpoppen zich tot iets moois wanneer de dagelijkse gang van zaken ontregeld wordt, tijdens de eerste dagen van een vakantie bijvoorbeeld. De dichter bevindt zich in een toestand van vitale desoriëntatie en ziedaar: van alles en nog wat dat zich in zijn hoofd bevindt, komt bij elkaar in een soortement van vorm. Die vorm ontstaat omdat ik hem kan waarnemen, op papier dus. Ik kan me niet voorstellen dat ik al ijsberend een gedicht kant en klaar mompel om het vervolgens alleen nog maar even op papier te hoeven zetten. Wat zich in mijn hoofd aandient moet letterlijk geobjectiveerd worden: op het papier of op het scherm. Soms overkomt de vorm je dan, soms vergt het enig gedoe en gepruts.

Gedichten brengen wat jou betreft een moment van opperste concentratie teweeg. In hoeverre geldt dat voor de lezer, en in hoeverre voor de schrijver?
Het geldt voor de schrijver wanneer hij bezig is met de eerste versie van zijn gedicht. Daarna kijkt hij naar zijn product met de onthechte blik van de vakman. De lezer ziet een product dat zijn uiteindelijke vorm dankt aan allerlei lepe technische beslissingen van de dichter. Vervolgens raakt de lezer, als het goed is, in een lichte vorm van extase. De schrijver heeft die extase ook gekend, maar niet naar aanleiding van die constellatie van woorden die de lezer voor zich heeft. Het lijkt wel een paradox.

Je hebt ook op podia gestaan. Op welke manier breng je een publiek in een stemming van opperste concentratie?
Door héél streng te kijken. Nee, grapje. Het publiek is altijd wel aandachtig, maar ik vind dat mijn poëzie het meer van lezen dan van luisteren moet hebben. Gelukkig bestaan er tegenwoordig beamers.

Welke dichters lees je zelf graag en waarom?
Lucebert dus, maar ook Nijhoff. Rodenko, Hanlo, Ouwens, momenteel veel Achterberg. Soms wekenlang bloemlezingen met oude Grieken of Chinezen. Een tijdlang Amerikanen als Wallace Stevens en e.e. cummings. Cummings heeft me wel beïnvloed, hoewel ik hem eigenlijk geen goede dichter vind. Ongetwijfeld heb ik van iedereen wat geleerd. Het lijkt zo bijna alsof ik mijn versjes als het culminatiepunt van alle grote poëtische tradities beschouw, maar dat is niet helemaal waar.
Het beste gedicht dat ik in lange tijd gelezen heb is 'Waterval' van Lucas Hüsgen een paar maanden geleden gedicht van de week op De Contrabas. Een kristalheldere verbeelding van allerlei zaken waarover je het alleen maar in een gedicht kunt hebben.

Wat voor poëzie kan jou juist niet bekoren?
Poëzie die neerkomt op in stukken gehakt dagboekproza dat wat je tegenwoordig veel tegenkomt op internet. Lange vormeloze slamgedichten die door jury's worden geprezen om 'een mooie regel' of 'een verrassend beeld'. Gruwelijk.

Je hebt al in enkele zeer gerenommeerde tijdschriften gepubliceerd: De Revisor, Dietsche Warande & Belfort. Werk je al aan een bundel?
Het woordje 'al' veronderstelt een geologische tijdschaal. Ik ben gedebuteerd in 1988. Met het fenomeen bundel zoals we dat tegenwoordig kennen, heb ik de nodige moeite. Er overvalt me een groot gevoel van mismoedigheid wanneer ik die dunne boekjes zie liggen in de boekhandel. Al die slappe kaftjes met daartussen doorgaans zo'n veertig gedichten: niemand die ze koopt en niemand die ze leest. Ze worden geproduceerd voor een 'markt' die bestaat uit familie, vrienden en een enkele professional. Afgezien van een signalering in de Poëziekrant verdwijnt, schat ik, negentig procent van de uitgebrachte bundels zonder enig spoor na te laten in de papierversnipperaar. Zelfs De Slegte wil ze nog niet opkopen.
Daar komt een principiëler probleem bij. Poëzie beschouw ik, ik zei het al, als een kunstvorm die het moet hebben van de intensivering van het moment. Voor mij als lezer zijn bundels met hun soms losse, soms opzichtige structuur van secundair belang ten opzichte van individuele gedichten. Dat geldt zelfs voor een dichter als Hans Faverey, die ik zeer bewonder. Zijn reeksen functioneren voor mij ook eerder als lange, over meerdere bladzijden uitgesponnen individuele gedichten dan als varianten van de cyclus.
Dat ik ook als schrijver enige moeite heb met de architectuur van een bundel, is dan weinig verwonderlijk. Het lukt me niet om veertig gedichten samen te brengen en vervolgens tevreden te zijn. Veertig gedichten uit een groter corpus selecteren het creëert, hoe je het ook wendt of keert, de illusie van een samenhang. Voor zover er een samenhang bestaat tussen al die epifanieën en gemoedsbewegingen, vloeit hij voort uit de persoon van de dichter. Om die samenhang weer te geven is iets meer nodig dan zo'n veertig gedichten zeker als het gaat om werk dat in een periode van meer dan twintig jaar is ontstaan.
De ideale dichtbundel, ik schreef het eerder, is wat mij betreft een dik boek waarin de lezer bladert. Af en toe wordt die lezer geraakt door wat hij leest en beleeft hij iets wat hij alleen door het lezen van een gedicht kan beleven. De ongeveer vijftig gedichten die ik in min of meer zeer gerenommeerde tijdschriften heb gepubliceerd, hebben niet geleid tot zich op de stoep verdringende uitgevers. De enkele keer dat ik zelf iets als een bundel opstuurde, kreeg ik nul op het rekest. Het valt niet te verwachten dat het bij een debuutbundel van zo'n honderdtwintig gedichten anders zou zijn. Om die reden heb ik besloten de zaken eenvoudigweg om te draaien en alles wat ik nog publicabel vind op mijn website te zetten. Het uiteindelijke streven is een handzaam oeuvretje van zo'n honderdvijftig gedichten. Mocht het, voorafgaand aan die uiteindelijkheid, ooit tot een boek komen: mooi.


naar de gedichten van Gert de Jager


[gepubliceerd: 3 november 2007]
 
^    >