Meander * Eerder * Dichters * Bernard De Bruyckere
 

Interview met Bernard De Bruyckere
'opschietend onkruid en vallende bloesems'
door Sylvie Marie

Bernard De Bruyckere (Eeklo, 1977) woont en werkt in Gent. Met zijn gedichten veroverde hij publicaties in onder andere De Brakke Hond, Deus Ex Machina, Kunsttijdschrift Vlaanderen, En er is, Yang en Pampus. Vorig jaar debuteerde hij bij Prometheus met de nieuwe keizer spreekt.


Foto: Lieven Hanecke
Hoe tevreden is een dichter met zijn eerste eigen bundel in de hand?
Zeer tevreden en tegelijkertijd ook kwetsbaar omdat je woorden nu aan zichzelf zijn overgeleverd.

Een citaat: 'ik verpak het alledaagse niet, ik verpak godverdomme, helegans, nul de botten, niet de kloten, niets! het wordt me van bij het ochtendgloren door de rauwe strot geramd en ofwel blijf ik er een beetje kokhalzend in stikken, ofwel maak ik van mijn tong een steen en verslind ik alles met huis en haard, in de ijdele hoop dat het gruwelijke/goddelijke verteringsproces er nog iets van bakt: regelmatig, maar nog altijd in veel te kleine porties afgescheiden om op de oude grondvesten iets nieuws op te richten dat wel goed riekt!' Dat zijn jouw woorden. Is dat voor jou poëzie en hoe zorg je ervoor dat iets goed riekt?
Het gaat hier om een boutade; het stuk moet dan ook in het licht van die stijlfiguur gelezen worden. Baudelaire zei iets gelijkaardigs, maar kernachtiger: 'zij hebben mij modder gegeven, ik heb er goud van gemaakt.' Dit brengt ons meteen bij de essentie: de dichter is een alchemist en wat hij bewerkstelligt is transformatie. Hij bewerkt zijn elementen: dat wat hem te beurt valt, dat hem toegeworpen wordt, met name het volledige universum dat zich uitstrekt van het stof op de grond tot het licht van de sterren. Dat vormt hij op zijn idiosyncratische manier om tot nieuwe, edele materie die uitnodigt, prikkelt, en dans vraagt en een grote soepelheid betoont voor alles wat haar in gratie en niet-weten benadert.

Hoe begin je aan poëzie? Hoe word jij ertoe aangezet?


wordt er verondersteld dat ik mijn ogen sluit
om spaarzaam aan het licht te komen

of dat ik roerloos voor een spiegel zit
de mond wijd open
terwijl ik met een zaklamp mijn keelholte bestrijk?

de schoonheid van weleer
die elke tong tot zwijgen brengt

hangt mij niet aan

zij doet zich voor
valt mij te beurt

in opschietend onkruid en vallende bloesems

Je bundel begint met het citaat 'we voelen ons uitstekend op ons gemak, als moordenaars onder elkaar'. Waarom dat citaat en wat moord je in je bundel uit?
Het volledige citaat luidt: 'mijn opdracht is de tijd te doden en de zijne op zijn beurt mij te doden. we voelen ons uitstekend op ons gemak, als moordenaars onder elkaar.' Daarmee wordt bedoeld, precies wat er staat. Wat ik daaraan nog wil toevoegen is dat poëzie absolute luxe is. Niet de luxe van satijn maar de luxe van het gebed.

Mij kwam je bundel romantisch voor, in die zin dat hij bij mij het beeld opwekt van een 'poète maudit', een arme luis met drankproblemen, maar die zich wentelt in zijn tranen, die het leed dat hij draagt, gebruikt om lyrisch te zijn. Mag dat?
Of dat mag: romantiek, drinken, zich wentelen in zijn tranen, het leed dat men draagt gebruiken om lyrisch te zijn? Natuurlijk! Op één voorwaarde die al genoemd is: die van de lyriek.

In de cyclus 'het klemwoord: ons' heb je het over een beklemmende relatie waarin de vrouw heel dominant overkomt en de man om haar vingers windt. Ik kan me niet voorstellen dat achter al die gedichten geen non-fictieve achtergrond schuilt. Vertel!
De vrouw is een wezen van een andere orde: zij is volledig in haar schoonheid, haar gratie, haar behoedzaamheid, haar instinct en intuïtie. Zij is geaard en kent de diepe betekenis van het altruïsme. Wij, mannen, zijn een meute grommende honden die zich jankend tegen hun enkels mogen schurken.
Ik buig in het stof voor de vrouw.

In 'sprookje' krijgt het woordje 'licht' dan weer een speciale lay-out. vanwaar die nadruk? Is 'licht' iets dubbelzinnigs?
Neen, het is absoluut. Alles doordringend, alles verterend, alles transformerend. Het is het licht van Van Gogh, het licht van de late Andreus: waanzinnig, maar waanzin niet als syndroom, als kwaliteit.

In je laatste cyclus 'mijn teken aan het want' ontboezem je een heel egocentrisch wereldbeeld, dat doe je heel lyrisch en je vervalt soms in bombastische taal en rijm. Is dat 'de nieuwe keizer' uit de titel?
Mijn wereldbeeld is dat van een mystiek realist en in die zin kosmisch.
Ik verval in niets, ik maak bewust gebruik van een bepaald register; dat van de bijbelse profeet: 'voorwaar, voorwaar, ik zeg u...'. Dat is exuberant, koortsachtig.

Recensent Peter Wullen vond je debuut wat magertjes uitgevallen en Yves Joris stelt het nog scherper. Hij vraag zich in zijn recensie af: 'Waarom geeft Prometheus dergelijke onrijpe poëzie uit, terwijl zoveel publicatiewaardige debuten nooit op papier geraken? Wat vind je van zo'n kritiek?
Poëzie benader je met voorzichtigheid, nederigheid, gratie, vanuit een onbevooroordeeld niet weten –kwaliteiten waaraan het Peter Wullen en Yves Joris in hun recensie ontbreekt. De splinter van hun verontwaardiging dat niet zij maar ik bij Prometheus word uitgegeven, steekt zo diep in hun ogen dat zij niet klaar meer zien. Bovendien hanteren ze een houweel om een bloem te dissecteren en dan blijft er weinig over om iets zinnigs over te zeggen. In het slechtste geval zijn critici en recensenten, om het met Claus te zeggen, luizen in de vacht van de leeuw: ze jeuken en je probeert niet te krabben.

Veel dichters klagen dat ze te weinig tijd hebben voor hun hobby door een fulltime job. Is voor jou fulltime dichter zijn een droom of een nachtmerrie?
Dichter zijn is geen hobby; het is een manier van bestaan en de enige manier om als dichter te bestaan, vergt een nooit ophoudende ontvankelijkheid en overgave, de volledige inzet van al je vermogens, al je tijd. Het is een uitputtend engagement, een eeuwige gelofte die met elk gedicht wordt hernieuwd.
En het volgende gedicht is het enige wat telt.

Heb je nog literaire toekomstplannen?
Mijn tweede manuscript ligt ter beoordeling bij de redacteur en ik ben bezig met mijn derde bundel.


naar de gedichten van Bernard De Bruyckere


[gepubliceerd: 17 november 2007]
 
^    >