Meander * Eerder * Dichters * Ellen van de Corput
 

Interview met Ellen van de Corput
'De behoefte om te rebelleren heb ik niet'
door Jeroen Dera

Ellen van de Corput (1988) studeert sinds september literatuurwetenschap in Utrecht. Vorig jaar wist ze door te dringen tot de finale van Write Now! met lieflijke poëzie met een scherpe rand. Jeroen Dera voelde haar aan de tand, op zoek naar de ideeën achter de gedichten van deze francofiele Brabantse.

Dichters hebben veelvuldig geprobeerd een definitie te geven van poëzie. Wat is poëzie volgens jou?
Laatst had ik een college over poëzie van Geert Buelens, zelf dichter. De eerste vraag die hij stelde was: 'Wat is poëzie?' Het antwoord: 'Dat is een onmogelijke vraag.' Ik kan dan ook niet meer dan een impressie geven van hoe ik poëzie ervaar. Ze legt dromen, verwonderingen, herinneringen en gevoelens vast als op een foto. Het gaat om een spel met woorden, ritme, klanken, beelden en betekenissen. Dat maakt dat een goed gedicht zich in je vastbijt en je het steeds weer wilt lezen.

Je bracht het tot de landelijke finale van Write Now. Waarom denk je zelf dat je het zo ver gebracht hebt?
Het klinkt misschien als valse bescheidenheid, maar het winnen van de voorronde leek een onmogelijke opgave. Mijn lerares Culturele Kunstzinnige Vorming vond dat ik gewoon mee moest doen. Zelf had ik er niet veel vertrouwen in, maar ik stuurde toch de eerste vier gedichten in die een beetje waren gelukt. Met die gedichten heb ik inmiddels een haat-liefdeverhouding. Soms vind ik ze wel goed, vaker lijken ze me te doorsnee. Neem bijvoorbeeld de eerste regels van 'Eindexamen':

Na zes jaar tussen deze muren,
geteisterd door plicht en de zure
leraren die alles beter weten,
oefenen wij een andere taal
om als studenten te overleven.

Dit gedicht doet het wel goed op het podium, juist omdat het zo herkenbaar is. Dat vind ik er dan ook slecht aan: iedereen had het voor de schoolkrant of het jaarboek kunnen schrijven. Pas na de voorronde ben ik meer gaan schrijven en heb ik duidelijker een eigen stijl ontwikkeld.

Wat voor eigen stijl is dat dan?
De docente die ik eerder noemde, zei me eens dat mijn gedichten niet lang zijn wat betreft het aantal regels, maar wel wat betreft de inhoud en dat ze overlopen van kleurrijke beelden. Samen maken ze een wereld zoals die van Amélie, niet geheel toevallig mijn lievelingsfilm, waarin meisjes zich prinsessen wanen en jongens wakker houden om hun hemelsblauwe ogen. Sentimenteel en zoetsappig wordt het echter niet. Er wordt ook ruzie gemaakt om een erfenis en uiteindelijk gaat er veel kapot.

Van welke dichters lees je zelf graag poëzie en beïnvloeden zij jouw werk?
De namen die het eerste in me opkomen zijn Nijhoff, Mark Boog, Paul Eluard, Ingmar Heytze, Apollinaire en Menno Wigman. Elk gedicht van die laatste is een klein meesterwerk, maar ik denk dat ik zelfs door zijn werk niet meer direct beïnvloed word. Inspiratie komt van films, muziek, reizen, de mensen die ik tegenkom, observeren, mooie woorden. Op een gegeven moment loopt de emmer bijna over. Dan ga ik schrijven en over het algemeen zijn het heel gezonde en vruchtbare highs.

Jonge dichters zetten zich, zo wil het cliché, vaak af tegen oudere generaties. Hier is je kans: wat voor poëzie kan je helemaal niet bekoren?
De behoefte te rebelleren heb ik niet, maar waar ik niet van houd is een gedwongen vorm, bijvoorbeeld een strak rijmschema. Soms werkt dat wel, maar het mag niet overheersen en dus afleiden. Een gedicht moet haast natuurlijk overkomen, alsof het niet anders had kunnen zijn. Voor mij is de vorm dan ook niet belangrijker dan de inhoud, ze ontstaan vaak tegelijkertijd, al schrijvende. Het tegenovergestelde is ook mogelijk. Wanneer er te weinig met de taal en vorm wordt gedaan, krijg je net zo goed een slap gedicht. De taal moet een spanningsveld creëren waar je je steeds weer op wilt bevinden.

Onlangs stond je voor het eerst op een podium, tijdens het Nijmeegse poëziefestival Onbederf'lijk Vers. Hoe voelde dat?
Het was een geweldige ervaring. In het begin was het even wennen, maar op een gegeven moment voelde en zag ik dat iedereen aandachtig luisterde, lachte wanneer ik dat wilde. Normaal gesproken ben ik niet iemand die zomaar op een podium gaat staan, maar het pakte goed uit en ik zou het dus zeker vaker willen doen. In principe schrijf ik met het idee dat de tekst gelezen zal worden. Het draait niet om een clou, maar omdat ik bepaald geen experimentele gedichten schrijf, lenen ze zich goed voor voordracht. Je kunt ze begrijpen zonder ze ooit te hebben gelezen.

Je bent studente literatuurwetenschap. Heb je het idee dat datgene wat je daar leert, je kijk op poëzie verandert?
Als eerstejaars word je volgestopt met allerlei theorieën en literaire termen. Ik ben pas een paar maanden bezig, maar heb nu het idee dat mijn oorspronkelijke visie ergens onder die van Plato, Aristoteles, Derrida en Shklovski begraven ligt. Je wordt je meer bewust van de lange geschiedenis van teksten en theorieën over literatuur die achter je ligt. Het is een proces van vorming, het aanleren van een bepaalde taal en manier van denken. Daarmee verandert je kijk op poëzie dus wel, maar het is moeilijk om precies aan te geven op welke manier.

In het verlengde van de vorige vraag: heb je het idee dat die studie de manier waarop je dicht verandert?
Tot nu toe heb ik daar weinig van gemerkt. Het is interessant om te kijken hoe je methodes van analyse en interpretatie op teksten van anderen toe kunt passen, maar zo kijk ik niet naar mijn schrijfsels. Ik vraag me niet af of een gedicht vervreemdend werkt of wat voor soort rijm ik gebruik. Het gaat eerder natuurlijk.

Wat zijn je toekomstplannen op het gebied van de poëzie?
Het is ondenkbaar dat ik de poëzie ooit los zal laten, maar ik durf niet te ver vooruit te kijken. Wanneer je wat meer wilt dan alleen schrijven, ben je uiteindelijk toch afhankelijk van jury's en redacties van tijdschriften en uitgeverijen. Fulltime dichter zijn hoeft van mij niet, daarvoor zijn er te veel andere dingen die ik wil doen. Mijn studie, waardoor ik waarschijnlijk in datzelfde literaire wereldje terecht zal komen, is op dit moment het belangrijkst. Een master Frans vertalen volgen, een tijdje in het buitenland studeren, stage lopen; ik wil het allemaal.
Een bundel lijkt me een mooie stap vooruit, maar dat 'vooruit' is juist het probleem. Wat als de exemplaren één voor één in de papierversnipperaar verdwijnen? Ik geloof niet zo in plannen maken voor de toekomst, het loopt toch nooit zoals je het je voor had gesteld.


naar de gedichten van Ellen van de Corput


[gepubliceerd: 1 december 2007]
 
^    >