Meander * Eerder * Dichters * Cor Gordijn
 
Cor Gordijn



Wat overblijft

de huls die wij vonden in het gras, het lege
spoor van het lichaam, ijlings aan zichzelf
ontsnapt

we wilden het wel bewaren, dit breekbaar
karkas als van transparant
gebeente, de gevlochten staart vergleden
naar de kop

voorzichtig raapten we het op, vergaten
een moment wat er schuilde
onder het gras, wisten

de herinnering in onze handen



Steen

hoe alles rondom je zich
terugtrekt, je langzaam sluit tot

steen, een ondoordringbare
kiezel die slijt van binnenuit

terwijl ik nog haastig zoek naar
nieuwe woorden voor oude gedachten

voel jij al hoe koud de huid, hoe steen
vergruist, hoe lang we wachten

tot de ander misschien toch
nog iets zeggen zal



Glas

het glas weer gevuld om te kunnen
zeggen dat het halfvol is, optimisme

moet tenslotte meetbaar zijn, kijk: ik geniet
met volle teugen, ga door tot de bodem

is bereikt, orden opnieuw mijn glas-
heldere gedachten, schenk bij en wacht

tot er iemand verschijnt vannacht
om dit geluk mee te delen



Steenslag

wij willen weer woorden
die raken als steenslag
op een weerloze
huid van glas

buigen ons bedachtzaam
over geboden
alternatieven, maar niets
snijdt meer, niets bijt nog
breekt of krast

mijn taal is zacht nu
jouw lichaam duister
de tijd ontelbaar
iedere nacht



 
<    ^    deze tekst printen