Meander * Eerder * Dichters * Guido de Bruyn
 
Guido de Bruyn



Oude meesters

Oude meesters en hun sarabande
op het dak
van de wachtkamer der stervelingen.
Zie ze dansen.
Met dezelfde geloken zwier
waarmee ze uien pellen, etsen,
pigmenten pletten.
De overtreffende trap van moeite
is gemak.

Oude meesters en hun kunst
als edelkruk, voetjeslichter
van de tijd.

Soms waait van het dak iets
naar beneden (een rijpe metafoor,
het klad van een schilderij of een gedicht).
Vehikels van het raadsel
waar de dood geen grip op heeft.
In te lijsten vraagtekens
voor de wachtkamer
waar wij al lang gestorven zijn.




Winterreis

                              Quant’ è bella giovinezza
                              che si fugge tuttavia.
                              Chi vuol’ esser lieto, sia
                              di doman non c’è certezza.

                              Lorenzo il Magnifico


Het is een tint van weemoed,
zegt de een. Een ontsteking van de klier
die sentiment heet, zegt de ander.
Heimwee.
Een woord uit het register ach,
of erger nog: ocharme.
Iets benoemen is het schrijven van een medicijn.
Taal placebo laten zijn.

Heimwee is een afspraak,
zoals een kompas dat is, de tabel van Mendeljiev,
de kleur van helmgras.
Maar toch.
Je ziel staat op een kier alweer,
het tocht hier tussen de kamer van wat was
en de kamer van wat komen zal.
Schuld van de open zee daar, zeg je,
die permanente openbaring, die onwelvoeglijke
moeder van de onverschilligheid.
Maar toch.
Wie kan er tegen al haar eeuwen op?
En ach.
Je begint vanzelf al mee te zuchten
met de zee, zoals je altijd mee moet geeuwen
met wie hongert naar wat slaap.

       En je meent ginder ver
       een boot te zien, nee,
       je ziet die boot en meent daarin te zien
       je vader die daar slaapt wellicht.
       Ja, je ziet je vader die daar slaapt
       wellicht,
       diep in de boot die je ginder
       meent te zien
       en ziet.
       Diep in de buik van de boot
       meen je te zien
       je vader die daar slaapt, met zijn hand
       op zijn geslacht
       wellicht.
       Zoals dat gaat.
       Want elke man krult zich in zijn slaap
       terug naar het jongetje dat hij was
       en is,
       slapend met zijn hand op zijn geslacht.
       Wellicht.
       Slapend met zijn hand op zijn verdienste.
       Ach.
       En je glimlacht,
       want je ziet je vader,
       ook al slaapt hij niet in de boot
       die er niet is,
       je ziet hem diep in slaap daar,
       als een jongetje
       met zijn hand als mantel
       om wat er nog niet is: zijn vaderland,
       jouw vaderland dat komen moet
       en lang geleden is.
       En je glimlacht,
       en je laat hem slapen, ongezien.


En omdat het sneeuwt ineens, is ook de boot
niet langer meer te zien, je vader is niet
langer meer misschien.
De kamer van wat was waait dicht.

En weg ga je,
weg van deze plek van ach ocharme.
En je denkt:
we worden nooit verlaten,
we zijn het altijd al (maar dát
spreken we niet af.)
Voortdurend leven we in staat van
het vermeende.
We sterven tussen zee en helmgras.




Het achterwerk van het geluk

Wat weten wij van het achterwerk
van het geluk?
Heeft het een diameter?
Dijt het uit in ons heelal?
Geluk is dat opgerold tapijt daar
in de hoek, die kromme zuil vol stof,
door iedereen vergeten.

We hebben geen weet van de taferelen
die daar binnenin worden geweven.
Buiten ons om:
stoeten van Deugd en Schande
naast het gebeuzel van de dag.
Leed en tegenleed.

Konden we het maar lezen,
dit Perzisch palimpsest vol schitterende
vlaggen, betrapt in hun gewapper.
Kozakken te paard, bijbelmoorden, carnaval.
Kartuizers in de weer met courtisanes,
koningen in gouddraad,
een man die uit een raam springt, sprong,
springen zal.
Maar ook: een lelijk oud oranje stoeltje,
achtergelaten op een koertje in de regen.
Wij hebben het daar laten staan
uit piëtas
want vader heeft daar nog gezeten, voordat.
Maar het achterwerk van het geluk
weet beter.




De dichter


Hij stemt zijn diepste bariton,
beproefde snaar van de ontroering,
bromvlieg naar het meisjeshart.
En declameert
een greep
uit het allerzielen van zijn jeugd,
de gymzaal van de liefde,
die toen al melig was.

Waar hi zich wendt, waar hi zich keert,
dichters, meneer, zijn knorrende zeugen.
Virtuoze varkens in het bed,
knoeiers van het alfabet,
keuterboeren, peuterhoeren van de taal,
marchands van klank en stank der uitgemolken woorden,
lapzwanzers van de zingzang,
akolieten van de dreun van pam-pam-pampam-pam-pampam,
kommastakkers,
klinkerkwijlers,
letterkakkers van de holle babel,
malkontente neukers van syllaben,
rederijkers van het telraam
dat alles in chaconnes dwingt en sarabandes,
tot het metrum rinkelt,
tot het knor-knor-knor weerknort,
tot alles rijmt tot leugen.

Dichters!
Vierendeel hun verzen, lijm hun ogen open,
smeer hun pupillen vol met pek. Opdat zij zouden zien
de klare winternacht der stervelingen.
Dichters!
Steek hun stijve in bros ijs.
De maan is slechts een vlaai, en
's nachts zijn alle koeien grijs.




LXXVI

William Shakespeare
Vertaling: Guido de Bruyn




 
<    ^