Meander * Eerder * Dichters * Bo Vanluchene
 
Bo Vanluchene





er waren dagen dat we
ons strobreed in een urn legden
in de zachte koude herinnering van vuur
er waren mensen die meenden
dat we onze geheimen in ijs schreven
en elke zomer onbevuild uit water rezen

we bouwden kamers om
onze geur als jassen te hangen
en we vulden de lucht met gebaren
we vonden plaatsen waar
warme droeve klei tot vormen stolde

daar drukten we onze lichamen samen






in de donkere blikken in de roze mist
zoeken wij onze huizen, schuddend
en vallend. boven onze hoofden boze
godenstemmen, de ronkende wraak
voor bloed zo lang voor ons gestold.

vannacht zullen wij sterven. in golven
die al rollen over onze mannen, onze
kinderen. de hoeken worden rond, om
ons trillen muren op hun laatste benen.

we weten niet wat mee te nemen, maar
waarheen zouden we gaan met al dat
niets, wat zou er van ons overschieten?

dus leggen we onze lichamen te vondeling,
als baby's op vreemde trappen, voor wiens
deur weten we niet zeker, maar hij gaat
open. en we weten niet meer wie van ons
wachtte, maar we liggen stil en huilen niet.






uit moeders die uit moeders kropen
werden wij geworpen als de navelzieke
kopieën die we zijn.

vissen spartelen op het droge.
dat is geboorte.

onder de helse hoestbuien van de hemel
leerden we wat schuilen was, en scherven
legden zichzelf wel uit in krassen op ons lijf.

zwijgen is liegen. als we tegen onszelf praten
worden we begrepen als de beste. in de winter
weten we wat warmte is. 's zomers pakken we
onze geschonden lichamen uit.

dat de juiste woorden bestaan. dat je ze enkel
nog moet schikken.

en dan beseffen we: alles is glas. door de bomen
door de muren door de tafels door onze handen
zien we dat we doorzichtig zijn. en we kunnen
niet meer bewegen, alleen nog
breken. dat is sterven.






bij wijze van spreken zwijgen we,
en met je vingers op mijn pols
wrijf je me tot de wonde die ik ben.

je veegt mijn laffe potloodstrepen
weg, dat ik al die tijd het blad was.
je scheurt mijn spieren, kraakt mijn
botten, stof wordt as en ogen water;
sterven doe ik

tot ik geen lichaam meer heb, dan
buig je voorover en kus je het terug.




 
<    ^