Meander * Eerder * Dichters * Wout Joling
 
Wout Joling



Windkracht zondagmiddag

van hem en haar
in hun stoelen en sloffende schoenen
de kleine parade door de wijk
meestal op het zonnige uur

van hem en haar zwaaiend
alle kwetsbare lijven even mooi
het bewegen van mond en ogen
in hun losse kop

om haar
de juf met de zusterstem
goddelijk devote armen
die ze het liefst allemaal
tegelijk omhangen

jullie mogen naar de bomen blazen
van haar
en van mij
hoef je nooit stil te staan




Weeromstuit

Hoe de tafel kantelt
Uit een ooghoek: jij, ik
en de hond.

Of het achter ons liggende
nog te gebeuren staat
we laten het in het midden

Later of vroeger voegen
we de kinderen toe voor het evenwicht.
We wieken

desnoods de zomer los uit de tijdklok.
Alles onder de zon kwispelt.




De veronderstelling is een fiets

De veronderstelling is een fiets
op een fotogenieke dag
langs een hoog maïsveld
zien we een topje hoofd
op en af zoals een rietgors

Het vermoeden is een pad
geen eind in zicht
langs water dat probeert
de schijn van schildering
te vangen in zijn vitrine

De verwachting houdt ons vast
elke beweging van een peddel
zonder een roeier in het oog
een steiger eindigt in het meer
de fietser waagt de laatste meters

We nemen aan dat hij nog
in het hout de stilte vindt
een fiets een rietgors en een roeier
geen van de drie zien we verdrinken
we kijken waar het water trilt




 
<    ^