Meander * Eerder * Dichters * Gert de Jager
 
Gert de Jager



De geboorte van het allegorische


Een magere man wijst niet, maar kijkt om
zich heen. Voor hem ligt het dal en hij
daalt af. Hij ziet de straten die hij kent, drinkt
wat in het café, valt thuis in slaap. Hij is zich
bewust van de stad, die ruist om
hem heen als een groter deel van het geheel.




Ach, het aangeraakte


Ach, de pianist wiens te snelle hand over de te langzame
toetsen het zijn lieflijke modulaties tussen
vermogen en onvermogen. Waar moet je
het zoeken? In het landschap zoals dat
harmonieert met de ruimte die je voor
je ziet?

Je beweegt je over de oever. Dat schip
lijkt even lang of breed als de oever zelf. Je verplaatst
je nu in volstrekte
parallellie en kijkt uit over het dek dat een landschap is vol
zwarte, vruchtbare bergen. Achtergrond
voor wasgoed.

De oever houdt stil omdat iets wordt
opgevaren dat
wijd is. Je voelt je aderen gaan, je vingertoppen
raken een dukdalf.




Hoe in zichzelf besloten...


Hoe in zichzelf besloten een zon ook is, of een
andere lichtbron wie een huis bouwt, bouwt
dat op grond. Ontsteekt het licht, stelt zijn huis-
goden gerust, met de opbrengst van de bodem
voedt hij. En de kinderen groeien, verlaten het
huis. En wie bouwde wordt zichzelf, ziet de grond
waarop hij ging als een zelfstandige eenheid.




 
<    ^