| Meander * Eerder * Gedichten * Verlepte bloemen * | ||
|
Petra Else Jekel
Verlepte bloemen, Rik, waar ben je. Blijf je steken bij de steel, waar ben je, glij je in troebel vrucht water vallen, laken vallen, fluisterbed met dekenslagen, kreukelkussenbed. Jij met, met - Ik ben bang in bed, weet je, dat ik er niet uit kan komen om er uit op te staan bij gevaar van de man aan het raam mij wekte, mij wenkte en mij wakker in slapen deed, mijn lichaam zich op gaf, mijn eten ontteerde, bleef waar mijn kookritme het had, onteerde mij mij, tilde mij, zweefde bovenlangs bed; bad. Moet ik je bellen, Rik, moet ik je sturen naar het geheime einde met bloemen, een einder, helder water: 100 graden. * Bij wie lig je aan nu Rik, wie huur je in mij te ontkleden, het bed van lakens te ontdoen, hoe wordt hij betaald, op wie wordt het geld, de som verhaald? Wie maakt mijn slaapbaar slaapklaar? Wie maakt mijn lichaam aan? 's Nachts hoor ik het kreuken van de opbergzakken aanmaakhout, het houtkreunen in winterkachel blijft dit jaar koud en jij gebeurt, Rik, ik weet het. En dat niets meer in jou veranderde, zelfs niet bloemen, onomkeerbaar. |
||
| ^   | deze tekst printen |