Meander * Eerder * Interviews * Philip Hoorne
 

Dat heb ik zelf moeten afdwingen
Tine Moniek in gesprek met Philip Hoorne


Op vrijdag 14 mei 2004 wordt om 20 uur de nieuwe bundel van Philip Hoorne voorgesteld. Met Inbreng nihil is de dichter, schrijver, bloemlezer en recensent aan z'n tweede eigen dichtbundel toe. Tine Moniek had een gesprek met hem.

Philip, je moet vast een gelukkig dichter zijn: debuteren in november 2002 met de ruggensteun van Gerrit Komrij, het samenstellen van een succesvolle bloemlezing met 'Antwerpse' gedichten, opgenomen worden in dé poëziebijbel met drie gedichten en nu op 14 mei wordt je nieuwe dichtbundel 'Inbreng nihil' voorgesteld aan het publiek...
Mijn debuutbundel was er hoe dan ook gekomen. Ik had daarover een mondeling akkoord met Uitgeverij 521, maar doordat ik de keuze van Komrij was om de Sandwich-reeks te openen, kwam de bundel er vier maanden eerder dan gepland. Ik vond het een hele eer. Plots was er iemand met autoriteit, en niet zomaar de eerste de beste, die openlijk en welgemeend liet blijken dat hij van mijn poëzie hield. Daar groeit een mens van. Het feit dat ik een uitgever had gevonden die met mij nog meer boeken wilde maken, maakte me immens gelukkig. Net na het verschijnen van 'Niets met jou' dacht ik al aan mijn tweede bundel, deze dus, zoals ik nu al denk aan de opvolger van 'Inbreng nihil'. Het samenstellen van die stadsbloemlezing over Antwerpen vond ik bijzonder boeiend. Ik kan me heel hard in iets vastbijten en te werk gaan als een heuse researcher. Ik hoop in de toekomst nog bloemlezingen te mogen samenstellen, maar dan moet ik daartoe wel opdrachten krijgen.

Je gaat me toch niet vertellen dat verschijnen in de Sandwich-reeks als enige voordeel had, dat je bundel eerder verscheen? Met Komrij's zegen een dichtbundel publiceren, zal je wel extra aanzien gegeven hebben, toch? Denk je nooit dat je literaire loopbaan er anders had uitgezien zonder zijn jawoord? Jij mag dan wel overtuigd zijn van je literaire talent, maar denk je niet dat lezers, uitgevers, organisatoren,... daardoor beïnvloed zijn?
Ik heb daardoor ongetwijfeld meer aandacht gekregen in de pers. Er was zelfs een journalist die dacht dat Philip Hoorne één van Komrij's pseudoniemen was. Vond ik wel grappig. Ik heb op mooie festivals gestaan, maar dat heb ik zelf moeten afdwingen. Ik stond op het Bram Roza Festival omdat ik door het publiek van Jambe Delft werd verkozen tot "Dichter van het Jaar", en op de Nacht der Poëten te Aarschot mocht ik op de affiche omdat ik de poëzieprijs van die stad had gewonnen.

Een laatbloeier, zo omschrijf je jezelf vaak in interviews. Wat heeft je aangezet om met het dichten te beginnen?
Ik heb mijn talent te lang in mijn binnenste opgepot, ofwel onbewust gewacht tot ik voldoende maturiteit bezat, ik weet dat niet precies. Plots gulpte het er met schokken uit als een vulkaan. Voor ik het wist had ik een massa gedichten geschreven. 'Niets met jou' mocht, omdat het in een reeks kaderde, niet meer dan 48 pagina's tellen. Met enige pijn in het hart heb ik gedichten opzij moeten zetten voor een latere bundel. Anderzijds werd het door die doorgedreven selectie ook een kwalitatief hoogstaand boek. Ik hou trouwens van dunne bundels, als er maar sterke gedichten in staan natuurlijk.

"Vier jaar geleden las ik zelfs niet eens gedichten." (Menzo, mei 2003) Welke dichtbundel was de eerste die je in je handen had? Welke dichters zijn voor jou een voorbeeld of een aanleiding geweest tot het 'blootgeven 'van jouw pennenvruchten?
Die uitspraak in Menzo was eigenlijk een boutade. Eigenlijk bedoelde ik dat ik altijd veel proza heb gelezen en dan vooral Nederlandstalige schrijvers. Ik heb in mijn begintijd als dichter veel Kopland gelezen en nogal wat essays over poëzie, o.a. van Herman de Coninck, Hugo Brems en Simon Vestdijk. Er was geen verband tussen het bewonderen van dichters en het zelf naar buiten treden met mijn werk. Integendeel, het waren eerder de dichters waar ik niet zo van hield die mij ertoe dreven om te publiceren, in de zin van "dat kan ik beter".

Kan je namen noemen van dichters die je ertoe dreven om te publiceren in de zin van "dat kan ik beter"?
Doe ik liever niet. Smaken verschillen. Ik heb respect voor alle dichters, ben altijd benieuwd naar werk van nieuwe of gevestigde namen, en het gebeurt dan wel eens dat ik mij echt door een bundel heen moet ploegen. Een sterk gedicht moet iets verrassends hebben en uitnodigen om opnieuw en opnieuw gelezen te worden. Er komen helaas ook bundels uit met poëzie die afstoot en die, als ze wordt voorgelezen, over de hoofden heen waait.
Ik praat liever over de dichters die ik bewonder. Op puur poëtisch vlak is Menno Wigman één van mijn meest geliefde dichters. Ik betrap me er op dat ik zijn werk heel vaak opnieuw lees, omdat ik er steeds weer nieuwe dingen in ontdek. Maar ik kan ook enorm genieten van light verse à la Lévi Weemoedt. Ik heb tranen met tuiten gelachen om de gedichten en verhalen van Weemoedt en dat is een even grote verdienste als de ontroering die 'gewone poëzie' teweegbrengt.

Op 'Niets met jou' zal steeds het etiket 'debuut' prijken. Een nadeel vinden veel dichters, want in de loop van de jaren ontwikkelen ze vaak een andere stijl, terwijl ze nog steeds over hun debuutbundel worden aangesproken. Is er een evolutie in je schrijven waar te nemen in 'Inbreng nihil'? Of hanteer je identiek dezelfde stijl? Of nog: in wat verschilt 'Inbreng Nihil' met 'Niets met jou'?
Het probleem - of net niet het probleem - is dat ik een heel gamma van stijlen beheers, van ernstige, sentimentele poëzie tot grove gedichten gekruid met een flinke dosis harde humor. Ik laat me niet in een vakje stoppen, al ben ik wel van oordeel dat een bundel min of meer een bepaalde toon moet bevatten. Naar 'De Brakke Hond' stuur ik graag luchtig werk, maar voor 'Kunsttijdschrift Vlaanderen' bijvoorbeeld mag het iets serener zijn. 'Niets met jou' vind ik een nogal ernstige, maar toch wel schitterende bundel die ik nooit zal verloochenen. 'Inbreng nihil' is grappiger, scherper en minder sentimenteel.

Een tijdje terug las ik een boze mail van jou op de website van Epibreren i.v.m. het Fonds voor de Letteren? Is deze zaak intussen bekoeld? Vertel je nog eens bondig wat er precies gebeurd is? Als dichter die 'gelezen en goedgekeurd' werd door poëziepaus Komrij, had ik verwacht dat mijn werk in aanmerking zou komen voor een stimuleringsbeurs, maar dat bleek niet het geval. Ik kreeg een afwijzingsbrief, waarin mijn werk werd vergeleken met Komrij en Kopland, maar dat was niet als compliment bedoeld. Overal waar ik optreed wordt mijn mix van ernstig en luchtig werk geprezen door het publiek. Na mijn lezingen op het Bram Roza Festival en Sappho2003 hing bij manier van spreken mijn romp scheef van al de schouderklopjes die ik van publiek en organisatoren in ontvangst mocht nemen. Misschien ben ik te volks voor de wijze dames en heren die in de commissies van het Fonds voor de Letteren zetelen. Mijn gedichten gaan ergens over, ze zitten boordevol gedachten en vondsten. Humor ook. Ze lijken eenvoudig, maar hebben toch een hoog poëtisch gehalte.
Kijk, ik wil niet pretentieus klinken, maar ik weet intussen wel wat sterke gedichten zijn, en dat ik ze zelf ook kan schrijven. Wie dat ontkent en toch beweert kaas te hebben gegeten van poëzie is ofwel dom ofwel oneerlijk. Dit sluit niet uit dat ik open sta voor opbouwende kritiek en dat ik altijd wil luisteren naar mensen die het goed met mij voorhebben. Arie van den Berg heeft 'Niets met jou' gerecenseerd in NRC Handelsblad. Hij blies warm en koud, hij prees mij maar had ook dingen aan te merken. Een heel mooie recensie waar ik iets van heb opgestoken over mijn eigen poëzie, al was ik het niet eens met zijn mening over mijn gedicht 'Oevers'. Maar wat hij schreef was goed onderbouwd met zinnige argumenten.

Het klinkt inderdaad heel pretentieus als je beweert dat mensen die niet van je gedichten houden dom of oneerlijk zijn. Smaken verschillen toch? En gelukkig maar, stel dat iedereen van eenzelfde kunstwerk zou houden, dan zouden er helemaal geen nieuwe stijlen en stromingen ontstaan. Kortom, dan zou er helemaal geen evolutie waar te nemen zijn.
Dit gaat niet over smaken. Veel is subjectief in poëzie, en dat maakt het tot zo'n moeilijke en rijke discipline, maar er zijn ook zekerheden waarover geen discussie mogelijk is. Wie 'Sterfbed' van Rawie, 'Vertrek van dochters' van Kopland of mijn 'Vogeltje', om maar die drie te noemen, geen sterke gedichten vindt, zegt eigenlijk een dommigheid die te vergelijken valt met de uitspraak dat de aarde niet rond maar plat is'.

In een vorig Meander-interview opperde je de wens naar nog meer dichterlijke successen: wat is je ultiemste poëtische succes-wens?
Ik wil een oeuvre opbouwen, gevraagd worden voor optredens, literaire prijzen winnen, veel boeken verkopen, een groot dichter worden, maak daar een groot schrijver van, want naast poëzie wil ik ook nog andere dingen gaan doen. Ik ben ambitieus. Schrijven is een passie. Als ik iets graag doe, dan wil ik het perfect doen, dan 'smijt' ik me helemaal. Ik kan niet een klein beetje dichter zijn, het is 100% er voor gaan of het is niks. Aan de andere kant realiseer ik me dat ik na 'Niets met jou' een kerel was met één boekje en dat ik nu een kerel ben met drie boekjes en dat dit drie druppels zijn in de literaire oceaan. Niemand zat op de dichter Philip Hoorne te wachten. Objectief gezien stelt wat ik doe weinig voor en toch betekent dit zo enorm veel voor mij. Misschien is het daarom dat ik zo graag schrijf, omdat schrijven aan de ene kant een overbodige activiteit lijkt voor wereldvreemde stumpers die de hele dag op hun luie krent zitten, en aan de andere kant een haast mythische bezigheid. Schrijvers en vooral dichters dwingen een vreemd soort van respect af. Het publiek denkt dat dichters rare kwieten zijn, raar in een tezelfdertijd vertederende en angstaanjagende betekenis van het woord. Die visie bevalt me wel. Mijn schrijversschap heeft mij een identiteit gegeven die ik voorheen niet had. En natuurlijk publiceer ik ook een beetje voor de eeuwigheid. Wie de mens Philip Hoorne wil begrijpen, moet maar lezen wat hij geschreven heeft. En dat zal nog altijd kunnen als ik al lang onder de zoden lig. Dat is een ontroerende gedachte, maar ook niet meer dan dat.


warmmakertje:


TAFELREDE

Let goed op! Wie aan tafel zit ter korte zijde,
vrouw of man, die moet je vermijden, dat
weten wetenschappers nog niet zo lang.

Het blad was vaak rechthoekig en straffeloos
incognito het beklemde zitten tussen poot en poot,
het meubel schrijlings als een hoer op schoot.

Dit leek verleden tijd, maar sneller dan de wetenschap
evolueert de criminaliteit. Steeds vaker is zijde aan
zijde gelijk of hebben tafels helemaal geen hoeken.

Bevolking, wees op uw hoede, er is geen reden
voor hysterie, psychose of ordinaire woede,
maar u moet de moeilijkheden niet zoeken.


uit: 'Inbreng nihil'






[gepubliceerd: mei 2004]
 
^