Meander * Eerder * Interviews * Philip Hoorne
 
Niemand is ongevoelig voor erkenning
Een gesprek met Philip Hoorne over Het ei in mezelf en het effect van succes
door Simon Korthout

Drie jaar geleden is je eerste bundel Niets met jou verschenen. Sindsdien is je succes toegenomen en verscheen kort geleden je derde bundel. Zie je een relatie tussen dit succes en de aard van je gedichten?
Zeer zeker niet. Trouwens, wat heet succes in de poëzie? Aan verkoopcijfers valt dit moeilijk af te meten, want voor een dichtbundel zijn die zelden denderend.

Is succes gelijk aan gevraagd worden voor literaire festivals? Als dat zo is, mag ik niet klagen. Ik had een mooie festivalzomer, maar moet wel vaststellen dat mijn agenda momenteel zo goed als leeg is. Op heel wat plaatsen heb ik nog nooit opgetreden: Rotterdam, Nijmegen, Arnhem... en daar zijn toch ook allerlei dingen te doen. Ik ben altijd heel dankbaar als ik voor een festival gevraagd word en een klein beetje pissig als ik over het hoofd word gezien, want als verre Vlaamse dichter besef ik misschien nog meer dan zij die er middenin wonen hoe waardevol het contact met het publiek wel is. Je ziet dat ik succes eigenlijk gelijkstel met erkenning. Niemand is ongevoelig voor erkenning.

Het grote verschil tussen nu en een jaar of twee terug bestaat erin dat ik me niet altijd meer in het lang en het breed moet voorstellen. Bij collega-dichters en poëzielezers doet mijn naam meestal wel een belletje rinkelen. Erkenning begint bij herkenning.

Met Het ei in mezelf heb ik mijn tenten opgeslagen in de periferie van de poëzie en daar is het fijn toeven, daar is het uitzicht weids en onbezoedeld. Ik besef dat ik een dichter ben die nooit noemenswaardige prijzen zal pakken, daarvoor is mijn poëzie te apart en eigenzinnig, maar tezelfdertijd ook helder en begrijpelijk, en zoiets lust de 'poëziepolitie' niet. Maar ik maal daar niet om. De appreciatie van mijn lezers is wat er echt toe doet. Zolang ik van mijn uitgever bundels mag plegen op de momenten dat ik die klaar heb, en zolang er mensen zijn die van mijn werk houden, ben ik tevreden. Alles wat daar nog bij komt is winst.

De verre Vlaamse dichter tegenover zij die er middenin wonen klinkt alsof je een kloof ervaart. Is dat een afstand die je als Vlaming met je Nederlandse publiek voelt? En waar wonen zij meer middenin dan jij?
Ik heb het gevoel dat er in Nederland voortdurend toffe dingen gebeuren waar ik gezien de afstand heel vaak niet bij kan zijn. Op een werkdag nog een verre verplaatsing maken naar Nederland om de presentatie van een bundel of een nieuw nummer van een literair tijdschrift bij te wonen, is niet altijd makkelijk. Met de trein raak ik niet meer terug thuis en 's nachts nog met de auto terugkeren is niet evident. Zo mis ik enige voeling met het centrum van het literaire leven – publiek, andere schrijvers... – dat zich onmiskenbaar in Nederland bevindt. Met zij die er middenin wonen, bedoel ik de dichters die in dat centrum of in één van die centra – want er zijn er meerdere – wonen.

In het eerste gedicht in de bundel, 'Drie voornemens voor een halfoud leven', stel je jezelf als eerste doel het 'hard worden'. Is dat noodzakelijk voor succes?
Neen, want dat succes is relatief zoals ik al opmerkte, ik hoef er dus ook geen rekening mee te houden. Dit openingsgedicht is stomweg gegroeid uit een flard tekst die plotseling in mijn hoofd opdook. Lange tijd zat ik wat in mijn maag met die 'Brian Jones van de Stones' in de laatste regel, want ik hou niet zo van eigennamen in poëzie, maar ik vond het prima 'bekken' en heb het laten staan. In zowel het eerste als het laatste gedicht van de bundel zit er trouwens een verwijzing naar de Rolling Stones, wat puur toeval is. Het is me pas na het verschijnen van het boek opgevallen.

Je gedichten in Het ei in mezelf zijn luchtiger en vluchtiger dan in je eerdere werk. Ben je als dichter veranderd of zien we nu een kant die al langer aanwezig was maar nog niet eerder te zien was?
Alain Delmotte, de inleider tijdens de presentatie van Het ei in mezelf, had zijn voordracht getiteld: Gekte en grimmigheid, over de bundel Het ei in mezelf van Philip Hoorne. Dat klopt helemaal. Gek en grimmig vind ik passender dan luchtiger en vluchtiger, want wat ik schrijf lijkt soms luchtig, maar is het niet, en vluchtig al evenmin.

Alain zei ook dat de grote verschillen tussen Niets met jou, Inbreng nihil en Het ei in mezelf slechts schijn zijn, en ik was blij met die uitspraak, want dat vind ik ook. Het hoofdthema in haast al mijn gedichten is bevreemding en vervreemding. Ik pak het onderwerp misschien wel anders aan dan vroeger, maar het blijft dezelfde thematiek. Die thematiek is geen bewuste keuze. Bijna elk gedicht dat ik schrijf, gaat als vanzelf die richting uit.

Onmiskenbaar ben ik meer dichter geworden en is Het ei in mezelf de meest poëtische bundel van de drie, ook al is hij minder lieflijk dan Niets met jou en Inbreng nihil. Ik besteed meer aandacht aan klankkleur en waag me al eens aan een taalkundige spielerei, wat allicht in mijn volgende bundel nog meer het geval zal zijn. In de nieuwe gedichten die ik momenteel schrijf, durf ik al eens een woord door de mangel halen of een neologisme creëren ter wille van klank, ritme en metrum. Dit is al merkbaar in Het ei in mezelf, in gedichten als Vrijetijdsbestijding en Rederijkersrederij.

Zelf houd ik me niet met die vergelijkingen bezig. Ik schrijf gedichten en de beste komen in een boekje, punt aan de lijn.

De ikpersoon in het gedicht 'Schemertijd' uit Het ei in mezelf – 'zonderling, gesloten' – komt naar mijn idee minder aan het woord in deze bundel dan in Niets met jou. Zie je jezelf als 'zonderling en gesloten'?
Soms wel, soms niet. Ik hou best wel van aangenaam gezelschap en kan mij bij mensen die ik aardig vind – en vooral, die mij aardig vinden (en dat laten blijken) – als een gezelschapsdier gedragen, maar als ik me onbehaaglijk voel in een groep klap ik dicht en wil ik op de vlucht slaan. Dit gevoel heb ik verwoord in het gedicht Op visite uit Inbreng nihil.

In vergelijking met Niets met jou lijken de gedichten in Het ei in mezelf meer om zich heen te grijpen en over het alledaagse om je heen te gaan. Heb je daar een reden voor?
Raar dat je dat beweert, is het niet omgekeerd? Na Niets met jou werd ik ergens de dichter van het alledaagse genoemd. Mijn eerste bundel bevat hoofdzakelijk huisvrouwenpoëzie, stelde iemand. Dat was bedoeld als een belediging, maar ik vond het een compliment, ook voor alle huisvrouwen, want als die dames werkelijk mijn poëzie lusten, dan kunnen ze alleen maar beticht worden van goede smaak, ha!

In Het ei in mezelf komt het alledaagse ook aan bod, maar dan heel vaak met een absurdistisch tintje. Ik schrijf niet zozeer over dé werkelijkheid, maar over een werkelijkheid die ik naar mijn hand zet. Als schrijver heb ik de mogelijkheid om de werkelijkheid te kneden, ik zou pas goed gek zijn indien ik van die mogelijkheid – noem dit het privilege van de kunstenaar – geen gebruik zou maken.

Uit het gedicht 'Een tot de x' uit Het ei in mezelf haal ik de boodschap dat je als dichter tevens je eigen publiek bent. Heb je genoeg aan dat publiek in jezelf, of speelt het publiek buiten jezelf ook een belangrijke rol?
Mijn publiek is belangrijk. Zonder publiek zou het niet zo prettig zijn. Zie je mij al zes uur treinen naar Groningen om daar enkele versjes te lezen voor een verzameling lege stoelen? Het publiek maakt het verschil. Ik zou ook veel meer door die mensen, die ik meestal niet ken, willen aangesproken en benaderd worden, feedback krijgen, mails, brieven... Ik zou willen dat ze me laten weten van welke van mijn gedichten ze houden en van welke niet, en waarom. Puur op het gevoel, zonder veel erudiete poespas.

Weet je wat? In tegenstelling tot wat ik op mijn weblog wel eens speel of insinueer, ben ik eigenlijk toch wel een mensenvriend. Schrijf dat maar op. Mensen hoeven voor mij niet heel erg hoog te springen of extreem uit te blinken in om het even wat. Ze mogen zijn zoals ze zijn, met al hun fouten, gebreken en onwetendheden. Ik hou van echte mensen, en echtheid heeft nogal vaak te maken met authentieke onaangepastheid of ongeveinsde tegendraadsheid.

Je geeft aan dat het publiek belangrijk is als bron van kritiek en feedback. Maar ik ben benieuwd naar je inspiratiebron, in die zin dat ik me afvraag of je in eerste instantie voor jezelf schrijft of met een publiek in je achterhoofd. Met andere woorden: is publiek een noodzakelijkheid voor je dichterschap?
Ik ben poëzie gaan schrijven toen ik nog geen publiek had; dit bewijst dat het antwoord 'neen' is. Maar eenmaal dat dat publiek er is, valt het niet meer weg te denken. Als ik een mooi nieuw gedicht af heb, droom ik dat meteen al in een boekje, dat ter beschikking is van iedereen die het wenst te lezen.

In een eerder interview voor Meander met Tine Moniek gaf je aan naast poëzie ook andere dingen te willen gaan doen. Hoe staat het daarmee?
Ik werk aan nieuwe gedichten. Verder wil ik mijn Brusselmansiaanse verhalen bundelen in een leuk en pretentieloos boekje. Ik heb al een titel, Het vlees is haar, maar mijn uitgever is niet happig om het uit te brengen. Hij vindt het wel aardig, maar het past niet in het fonds van 521/Pimento, een visie die ik betreur maar respecteer. Ik moet hier dus een andere uitgever voor vinden en op het moment dat ik dit schrijf is er contact met een uitgever die veel interesse toont. Als het van mij afhangt, maak ik dus in 2006 mijn prozadebuut bij deze uitgeverij, die ik voorlopig nog niet bij naam wil noemen, en breng ik in 2007 een nieuwe dichtbundel uit bij 521/Pimento.

Verder wil ik een foto-poëzieboek maken met gedichten die ik schrijf bij zwartwitfoto's van anderen. Fotografen genoeg die met mij willen samenwerken, maar slechts af en toe zie ik een foto die mij bevalt. Ik zoek snapshots van mensen in hun dagelijkse bezigheden, thuis of op straat. Ongekunstelde foto's die ruimte laten voor dichterlijke invulling.

Belangrijk is ook de ontwikkeling van de door mij opgerichte poëzierecensiewebsite Poëzierapport. Overal waar ik kom word ik hierover aangesproken. Dichters, uitgevers en lezers vinden het enig dat we met een aantal poëzieliefhebbers op vrijwillige basis een alternatief bieden voor de schaarse aandacht voor poëzie in de andere media. De bezoekersaantallen zijn hoger dan ooit tevoren, dichters bedelen om besproken te worden, het is overrompelend. Maar hoe graag we het ook zouden willen, we kunnen niet elke bundel bespreken.

[gepubliceerd: 12 december 2005]
 
^