Meander * Eerder * Interviews * Kees van Kooten
 
Ik heb een laatje, maar dat blijft dicht
Interview met Kees van Kooten
Sander de Vaan


(c) Keke Keukelaar - www.3hoog-achter.nl
In zijn meest recente bundel, Mijn Plezierbrevier (Uitgeverij de Harmonie) verzamelde Kees van Kooten geen eigen verhalen, maar de 'natuurleukste' vertellingen van ándere auteurs. Het blijken vooral Engelsen en Amerikanen te zijn geweest, die de Hollandse komiek aan het lachen hebben gebracht. Over Van Kootens poëtische voorkeuren is nochtans minder bekend.


In Mijn Plezierbrevier laat u de lezer delen in het leesplezier dat andere prozaschrijvers u bezorgd hebben. Wie zou u zoal opnemen in een soortgelijke bundel met dichters/liedjesschrijvers?
Omdat de Nederlandse dichtkunst door Gerrit Komrij al zo voortreffelijk is gebloemleesd met een keuze waar ik het helemaal mee eens ben en omdat Mijn Plezierbrevier voornamelijk vertaalde Anglo-Amerikaanse little man-humor bevat, zou ik op het vlak van poëzie en songs onmiddellijk kiezen voor teksten van Robert Johnson, Ira Gershwin, Cole Porter, Gilbert and Sullivan, Bob Dylan, Joe Jackson en Rufus Wainwright. Maar ook voor werk van Fransen als Jacques Prévert, Léo Ferré en Charles Trenet ('Verlaine') en een Duitse gigant als Kurt Tucholsky ('Augen in der Grosstadt'). Nederlandse schrijvers, dichters en liedjesmakers ga ik hier niet noemen. Niet omdat daar geen topklasse tussen zou zitten, maar omdat dat allemaal nog zo bekend en verkrijgbaar is en het mij in Mijn Plezierbrevier juist ging om het boven water halen van grotendeels 'verdwenen' humoristen, van wie het werk niet meer in druk is.

Tucholsky schreef in 'Augen in der Grosstadt' de prachtige verzen: 'Zwei fremde Augen, ein kurzer Blick,/ die Braue, Pupillen, die Lider -/ Was war das?/ Vielleicht dein Lebensglück.../ vorbei, verweht, nie wieder.' Is het de eenzaamheid van de moderne mens, die u hier aanspreekt?
O nee, niet vergroten of mythologiseren, die 'ships that pass in the night' zijn van alle tijden en zullen dat altijd blijven. Merk op dat Léo Ferré in een werkelijk prachtig arrangement, zoals dat nooit meer opgenomen of betaald kan worden, (Barclay, 1967) precies hetzelfde Tucholsky-gevoel heeft bezongen in het gedicht 'A une Passante' van Baudelaire, met de hartbrekende laatste regel (en ik neem aan dat uw Frans grammaticaal sterk genoeg is om de subtiliteiten van de 'conditionel du passé' te kunnen omvamen): 'o toi que j'eusse aimée, o toi qui le savais!' Overigens: wie echt beheerst wil snotteren moet 'Augen in der Grosstadt' horen in de versie van Gisela May.

Het doet me deugd dat u Prévert noemt, schrijver van onder meer 'Le Jardin', waarin hij het onbeschrijflijke geluksgevoel na een kus in een park tracht te verwoorden: 'In Parijs/ Op de aarde/ De aarde die een ster is.' Waarin schuilt voor u het grote geluk in dit bestaan?
Prévert, Tati, Sempé en Queneau; natuurlijk is dat een literair, cinematografisch en illustratoir vier-eenheidje waarbinnen het hele geheim van ons bestaan zit gevangen. En het grote geluk in dit bestaan schuilt hem dan ook, wat mij betreft, in het zien, lezen, horen of bekijken van afbeeldingen, films, gedichten, romans, liederen, muziekstukken en tekeningen of schilderijen waarvan ik denk: 'dat had IK godverdomme willen maken, want het drukt precies mijn gevoel uit'. Ik ben niet afgunstig, maar slechts intens gelukkig dat ik, zoals zulke geluksmomenten mij leerden, niet alleen was in dat voelen. Het bleek dus, om met Reve te spreken, niet onopgemerkt gebleven. Zoiets? Dat is geluk.

Zouden we de aarde vaker als een ster moeten zien?
Sempé ziet onze planeet al jarenlang als een ster. Maakt covers voor The New Yorker (het beste en meest Amerikaans-kritische weekblad ter wereld), doet de laatste pagina's van de Paris~Match, en intussen bijna tachtig zijn en niemand weet iets van hem! Maar wél het postmoderne levensgevoel met mededogen en hilarisch blijven wedergeven. Het is een schande en grote kunst. Le Petit Nicolas vind ik ook prachtig.

U hebt veel, vaak hilarisch proza geschreven, maar betrekkelijk weinig gedichten. Is daar een speciale reden voor?
Ik kom, cirkelend schrijvend, dichter bij mijn eigen hete brij met kale prozateksten over datgene wat mij het meest beroert, dan via een gekunstelde dichtvorm. Ik ben geen dichter. Ik heb een laatje, maar dat blijft dicht.

U schreef wel ooit enkele mooie 'haikoots', waaronder deze:

de kat ligt op schoot
ik begin braaf te aaien
zo zet je hem aan

En:

zo'n dapper plantje
past in zijn eentje op het
hele lege huis

Heeft u recentelijk nog haikoots geschreven?
De beste haiku die ik ken is van mijn moeder en daar kom ik toch nooit meer overheen:

Je naam beschermt je
in wrede kinderhanden
lieveheersbeestje.

Over ouders gesproken: wanneer mijn vader uw teksten leest, haalt hij zelden normaal ademend het einde. Het verhaal waarin een personage op vakantie ongewild tot noodreisleider wordt benoemd, moet hij zelfs steevast onderbreken om leeg te lachen. Is schrijfplezier voor u net zo belangrijk als leesplezier?
Dank en groet uw vader voor de klandizie! Moet even denken welk verhaal dat ook alweer was. Ik dacht 'De Gestranden', maar dat is zeker dertig jaar oud en ik heb het niet hier. Inderdaad is het grootste schrijfplezier dat je kunt overkomen: in de lach schieten. Niet zozeer om jezelf, als wel om de mogelijkheden die je ziet ontstaan, al schrijvend. Het ene woord haalt het andere uit en plotseling doemt daar een aanstekelijke grap op. Die grap was er natuurlijk al, maar de muze was zo genadig om hem door jou te laten vinden.

De Poolse schrijfster Johanna Olczak-Ronikier merkte onlangs op: 'Alle wijze mensen zijn treurig, maar lachen veel.' Kunt u zich hierin vinden?
Jawel. Wat staat ons anders te doen? De man van de schrijfster Zadie Smith ('On Beauty') dichtte: 'Time is how you spend your love.' Daar ben ik het ook geheel mee eens. Een verstandig mens houdt zich dus aan het adagium: Time is how you spend your love and your laugh.

In een interview met het NWT zei u ooit: 'Ik noteer me wezenloos'. Ook dit jaar hebben we weer veel 'verse' woorden gezien, zoals: het Rijksmuseum 'ontzamelt', en de 'hoofdpijnportefeuille' van Rita Verdonk. Welke recente woorden zijn u opgevallen?
Alles is amusement geworden en elke handeling heeft een psychologische motivatie gekregen: fun-shopping, anger-drinking, troostkleding, happy meal, sorrow walking...

Wim de Bie verzorgt al jaren een veelgeprezen website. Is dat niet iets voor u, om al die dingen op een blog te noteren?
Nee. Wim is altijd al zeer bekwaam in de technische zaken rond ons werk geweest. Ik ben veel behoudender. Zolang ik potlood en papier heb, voel ik geen enkele behoefte aan enige elektronica.

Veel mensen missen de door u en Wim de Bie op tv vertolkte typetjes. Als u de politieke en sociale ontwikkelingen van de laatste jaren bekijkt, begint het dan niet te kriebelen om een en ander met humor te lijf te gaan?
Jawel. Maar ik heb nooit een oude komiek willen worden. En de sociaal-politieke satire kunnen we gelukkig met een gerust hart overlaten aan de jongens van Koefnoen. En Wim kan zijn gram kwijt op bieslog en ik af en toe in de zaal en elke week in HUMO, als dat zo uitkomt. Dus wij hebben niets te klagen en ik ben blij dat de mensen almaar blijven vragen of wij niet eens terug moeten komen... Beter dan dat ze zouden vragen of het geen tijd wordt om eens met die teevee op te houden.

De volgende boekenweek staat in het teken van de humor. Wat kunnen we van u in 2007 verwachten?
Een boek met nieuwe verhalen. Plus een boek met alle verhalen, gekozen uit alle zeventien eigen bundels, waar ik zelf bij het schrijven om in de lach ben geschoten. Plus wellicht een dvd met alle 'literaire' televisienummers die Wim en ik ooit maakten. Plus de grote overzichtstentoonstelling van het werk van Van Kooten en De Bie in het nieuwe museum voor beeld en geluid in Hilversum.
Plus een reeks optredens in den lande met Mijn Plezierbrevier. Plus iets waar ik nog niets over kan zeggen. Plus nog iets waar ik nog niets over mag zeggen. En dan ten slotte nog iets waar ik helaas nog niets over mag zeggen.


[gepubliceerd: 27 juli 2006]
 
^