Meander * Eerder * Interviews * F. Starik
 
Interview met F. Starik
'Ik wil ons verzoenen'
door Sander de Vaan

Als reactie op het interview in Meander met Huub Beurskens voor onze nieuwe rubriek Wereldpoëzie, richtte de Amsterdamse dichter F. Starik de Vereniging der Vomitisten op. Sander de Vaan vroeg Starik naar de Vomitisten-hoed en -rand.

Beste F. Starik. Je hebt kort na ons interview met Huub Beurskens de Vereniging der Vomitisten opgericht. Hoe dat zo?
Ach, het is maar een grap. En het moet ook maar een grapje blijven. Als ik daar dan toch over uit moet wijden, zou ik zoiets zeggen: ik vind het door Beurskens opgeworpen punt interessant, de poëzie als braaksel, halfverteerd residu van een onbenullig leven, een niet zo heel erg lekkere maaltijd, qua omgekeerde peristaltiek aan de wereld teruggegeven. Ik druk mij uit. Ik treed veel op, en verwacht dan applaus. Ik zie veel andere dichters optreden. Die verwachten hetzelfde.
Het verhaal van Beurskens lezend, vroeg ik mij af, of ik mij daartoe durfde te verhouden. Ik begrijp zijn punt, en ik vermoed dat mijn poëzie door hem tot het vomitisme wordt gerekend. Mijn poëzie beschrijft, tamelijk nauwkeurig, mijn eigen leven. Niet mijn eigen leven, maar wat daarvan overblijft, op het moment dat ik daadwerkelijk ga zitten en schrijf, doorgaans met een begin, een vaag idee, een mooie zin. Zodra gezeten, al schrijvend, vindt de taal zichzelf uit (en ik mij), neemt het over, stelt zijn eigen wet. Toch heb ik het idee dat ik mijn leven uitdruk, zelfs verantwoord, rechtvaardig. De woorden die ik vind, die ik kan teruggeven, aan wie, aan wat? Eerst aan mijn eigen leven, dan aan de mensen die dat zien, horen, lezen, begrijpen, zichzelf daarmee vergelijken. In de vergelijking is men mens.
Beurskens verlangt iets anders. Beurskens verlangt naar zuivere taligheden die zogenaamde nieuwe werkelijkheden exploreren. Taal die uitsluitend naar zichzelf verwijst, naar gesloten systemen. Beurskens denkt vanuit een - mijns inziens - achterhaald begrip van avant-garde. Beurskens is een letterheer. Hij deelt bij het Fonds van de Letteren subsidie uit, maar niet aan mij. Daarvoor is mijn werk te simpel, te toegankelijk, te eenduidig, te zeer gericht op communicatie, entertainment: ik wil mijzelf met anderen delen.
Ik, zeg ik, maar daarmee bedoel ik mijzelf nog niet: het geschreven ik is een zorgvuldige constructie, een uitvinding, een herschepping. Iemand, die vaag op mij lijkt, maar dat toch lang niet is. Een nieuwe werkelijkheid dient terdege voorbereid. In mijn gedichten bereid ik nieuwe werkelijkheden voor, ik kondig aan, zonder te willen benoemen. Ik condenseer mijn eigen leven, omdat ik door de maatschappij tot kunstenaar benoemd ben, in de hoop dat het anderen 'helpt' dat iemand anders tijd en ruimte heeft zichzelf te doorgronden, te verteren, te benoemen.
Ik heb nergens verstand van, dan van wat mij overkomt, wat ik meemaak, wat ik zie en durf te voelen, en wat ik daarover dan weer durf op te schrijven: uiteindelijk geloof ik dat leven delen is, meedelen, waarmee niet gezegd wil zijn dat ik uitsluitend praten wil, ik kan ook heel goed kijken, luisteren. Ik hoef geen raadsel te vergroten, ik wil het juist verkleinen. Ik wil ons verzoenen.
Als ik goed kijk en luister, komen daar gedichten van. Het 'andere' levert altijd de metafoor waarin ik mezelf meen uit te leggen. Niet dat ik mij zo enorm voor mezelf interesseer, het is meer dat ik een gewone jongen ben die denkt dat het helpt, om zijn moeilijkheden aan de menschen voor te leggen, omdat de menschen het zelf ook allemaal zo precies niet weten. Wie te zijn, wat te doen, hoe te leven, godverdomme, leven.
Ik ben jarenlang voornamelijk Kunstenaar geweest, met subsidie en Hoofdletters, en ik vond uiteindelijk dat er geen aansluiting was, met de menschen, dat het geheel der Kunsten uitsluitend binnen de context van de Kunsten functioneert, ten koste van niks maar ook ten faveure van wat?
Ik vind niet dat iedereen een kunstenaar is, of moet zijn, maar ik vind wel dat - ik - als kunstenaar de menschen moet helpen om zichzelf te begrijpen, op een hoger plan te tillen, om desnoods in een volgend leven volmaakter te kunnen reïncarneren, door hen de eigen onvolmaaktheid terug in het gelaat te vomiteren.
Dat neemt allemaal niet weg dat er 1 miljoen dichters hun onvoldragen gemoed in talloze weblogs, in bundels, op podia uitschreeuwen, dat wat men je daar voorschotelt om te lezen, grotendeels wezenlijk onleesbaar is. Uiteindelijk en vermoedelijk leeft ieder in het eigen grote of kleine gelijk.

Hoe waren de reacties van je bloglezers?
Er meldde zich 1 lid aan.

En is die ook door de ballotage gekomen?
Ja, hij kwam meteen door de ballotage omdat hij een fijn vomitistisch verhaal stuurde. Het betrof hier een uiterst beeldend kunstenaar, geen dichter. Dichters moeten dat niet doen, zich aanmelden. Wie zich aanmeldt diskwalificeert zichzelf, uiteraard. De vereniging is maar een grapje, voor de mannen die zich ver boven iedere spijsvertering verheven weten.

Je zei eerder dat je 'ons wil verzoenen'. Er zijn wel meer kunstenaars die iets dergelijks zeggen, maar jij zet je woorden ook om in dáden. Een mooi voorbeeld is het project 'De eenzame uitvaart', waarbij dichters bij toerbeurt een eenzame uitvaart bijwonen om daar een speciaal voor de overledene geschreven gedicht voor te dragen. Wat was de aanleiding voor jou om hiermee te beginnen?
Bart FM Droog werd in Groningen benoemd tot stadsdichter, de eerste in Nederland. Hij rekende het verzorgen van eenzame uitvaarten aldaar tot zijn takenpakket. Ik dacht meteen, dat wil ik ook, hier in Amsterdam. Het bleek om zo'n vijftien uitvaarten per jaar te gaan, te veel voor één enkele dichter. Dus heb ik er, vanuit mijn ervaring als kunstenaar, meteen maar een project van gemaakt, een langzaam kunstwerk. Een sociale sculptuur, al is dat geen zuiver gebruik van die term.

Intussen loopt het project al vier jaar. Ben je tevreden over wat er inmiddels is gedaan en bereikt?
Er zijn nu 68 eenzame uitvaarten voltrokken, in Amsterdam, waarvan ik er 64 heb bijgewoond, er is een boek, dat een aantal uitvaarten documenteert, waarvan aanstonds een tweede druk in mid-price editie verschijnt, er is een Stichting, die zich genadiglijk over de Poule des Doods heeft ontfermd, in het herfstnummer van Raster geeft Bertram Mourits een aardige analyse van wat dit 'microgenre binnen de poëzie' de dichtkunst heeft opgeleverd, ja, de zaak marcheert. Het wachten is nog op ondertekening door de Dienst van het convenant dat men met de Stichting gaat sluiten, waarmee het spreken van een dichter op die uitvaarten waar niemand anders en anders niemand komt, een onvervreemdbaar onderdeel van de ceremonie zal zijn, officieel. Ja, dan ben ik tevreden. Het is vloeken in de kerk, maar ik houd wel van 'nuttige kunst.'

Kan de Nederlandse dichterswereld nog meer 'sociale betrokkenheid'
gebruiken?

Daar ga ik niet over. Ieder moet doen wat hem of haar goeddunkt.

Je hield je in je kunstuitingen al eerder bezig met de dood. Hebben die 64 bijgewoonde eenzame uitvaarten voor jou nog nieuwe inzichten in ons levenseinde opgeleverd?
Neen, die hebben mij geen nieuwe of oude inzichten opgeleverd. Het enige wat voor mij merkbaar is veranderd, is dat ik meer dan vroeger opzie tegen 'gewone begrafenissen', daar heb ik meer dan voorheen moeite mee, mij over te geven. Dat moet u in deze context niet verkeerd begrijpen, dat overgeven.

Kun je je vinden in de woorden van Borges: 'Nadie sabe / de qué mañana el mármol es la llave' ('Niemand weet / van welke morgen de grafsteen ons de sleutel zal bezorgen')?
Nee, dat weten wij niet, welke wereld zich achter grafstenen schuilhoudt, natuurlijk niet. Hoogstwaarschijnlijk is daarachter niets. Eronder enige peristaltische beweging, metamorfose, allerlei volkomen (bio)logische veranderingsprocessen. Ik heb niks met Borges' pompeuze, opgezwollen beweringen: eenvoudige dingen zo ingewikkeld mogelijk proberen te zeggen.
Geef mij maar Pessoa, die kristalhelder heel moeilijke dingen als terloops verwoordt. Ook dood, trouwens, Pessoa, en sindsdien nooit meer wat van vernomen. Van de man zelf bedoel ik. Dood is dood. Niks meer en niks minder.

Wat kunnen we de komende tijd nog aan nieuwe projecten en publicaties van je verwachten?
Ik werk aan een nieuwe bundel, Songloed, die in april 2007 bij uitgeverij Nieuw Amsterdam zal verschijnen. Of het wordt een hele dikke bundel, of het worden er twee. Daar zijn we nog niet uit. Die tweede bundel zal natuurlijk As heten, of als een omvangrijk laatste hoofdstuk in de bundel Songloed optreden.
Daarmede is de cirkel Nepvuur (1988) Rode Vlam (2004), Songloed (2007) en As gesloten. Bij de bundel verschijnt een cd met dezelfde gedichten, maar nu op muziek gezet en gezongen door 'diverse artiesten', Deo Volente. Als eerder gezegd, bij dezelfde uitgever: de midprice-editie (12,50) van 'De eenzame uitvaart', in de winkel vanaf Allerzielen, dus 2 november 2006.
En verder is er iedere zondagnacht een gedicht Dat De Bundel Niet Zal Halen op Radio 1 (Nacht van het Goede Leven) te horen, op onnavolgbare wijze ingeleid en vertolkt door KRO's eigen Adeline van Lier, ze draait er graag een liedje bij van meneer Starik zelve. Ze heeft beloofd hiermee door te gaan zolang ik wekelijks een gedicht aflever, tot aan de dag dat de nieuwe bundel Songloed zal verschijnen. En die verschijnt pas in april 2007. Dat zijn een stuk of 25, 30 zondagen. Het zal wel een heel dun boekje worden.
In mijn regelmatig bijgewerkte agenda (te vinden op de thuispagina van
F. Starik, een rood woord linksboven) vindt u waar ik optreed, waaraan ik meedoe. Binnenkort wordt, na eindeloos veel vertraging, de in neonlicht uitgevoerde zinsnede 'Langs de Kostverlorenvaart / zag ik het schip Ambitie varen...' opgeleverd, aan, inderdaad, de Kostverlorenvaart, in Amsterdam. Ik ben de datum vergeten. Ik geloof dat men betwijfelt of het ding het werkelijk zal doen: de elektriciteit wordt geleverd door zonnepanelen. Je weet niet of de zon voldoende over ons zal schijnen.


[gepubliceerd: 5 oktober 2006]
 
^