Meander * Eerder * Interviews * August Willemsen
 
Interview met vertaler/schrijver August Willemsen
Ik dronk de koffie die ik zelf zette
door Sander de Vaan

August Willemsen maakte met zijn vertalingen een belangrijk deel van de Portugese en Braziliaanse literatuur toegankelijk voor de Nederlandstalige lezer. Daarnaast ontpopte hij zich als een begaafd schrijver van essays, onder meer over Fernando Pessoa, en autobiografisch werk. Eenzijdigheid is hem vreemd. Hij schreef bijvoorbeeld ook zeer onderhoudend over het Braziliaanse voetbal in De goddelijke kanarie, waarvan zojuist een geheel herziene versie is verschenen. Sander de Vaan interviewde hem per e-mail.

Kort voor het WK 2006 publiceerde u in Hard Gras een essay over Pelé. De voetbalster bleek met zijn toen net verschenen autobiografie bij u vooral teleurstelling en ergernis te wekken. Zijn die teleurstelling en ergernis anno 2007 nog altijd even groot?
Ik denk er helemaal niet meer aan. Gisteren, bij het opruimen van een la, vond ik de print die ik had gemaakt van de Portugese tekst. Ik heb er niet eens meer in gekeken. Hup, weg.

Heeft uw bewondering voor Garrincha, over wie u circa twintig jaar geleden in De taal als bril een prachtig portret schreef, wél de tand des tijds doorstaan?
Dat is wat anders. Maar hier spelen andere factoren een rol. Idealisering. Van Pelé weten we nauwkeurig hoe hij speelde. Televisiebeelden zat. Ik heb hem in het echt zien spelen, en vaak op televisie. En het was fantastisch. Van Garrincha zijn haast geen televisiebeelden bekend, met moeite kun je tien minuutjes aan elkaar plakken. En dat maakt hem nog fantastischer, omdat we weten dat wat we daarop zien slechts een fractie is van wat de fantasie ons zegt dat het geweest moet zijn.
Dan is er de interessante kwestie van het type speler waar we van houden. Ik heb het daar vaak over gehad met de betreurde Thomas Rap, de uitgever van mijn De goddelijke kanarie. Wij deelden de voorkeur voor de meer beperkte, eigenzinnige voetballer, boven de meer complete. Niemand betwist dat Pelé completer was dan Garrincha, maar het grillige, het totaal onverwachte, zo niet idiote waartoe de laatste in staat was, maakte hem zo dierbaar bij velen. Wij vergeleken natuurlijk met Cruijff en Keizer, en ja, uiteraard was Cruijff de grotere voetballer, maar mijn hart, en dat van Thomas, ging uit naar Keizer – en wat is dan 'groot'? Alleen bij Faas Wilkes - Abe Lenstra, ofschoon de verhouding daar net zo lag, wisten we het niet goed, omdat we allebei grote bewondering hadden voor Wilkes, een van de meest stijlvolle, meest elegante voetballers die ooit in Nederland heeft rondgelopen. (Hard Gras van december 2002 is aan hem gewijd, bij zijn 80ste verjaardag).
Ten slotte is er de persoonlijkheid. Ook voordat Pelé, voor mij, van zijn voetstuk viel - niet als voetballer! - vond ik hem wel een beetje saai, braaf. Zijn levensloop, vooral indien door hemzelf verteld, is om bij in slaap te vallen. Garrincha is andere koek. Niet dat ik hem zou hebben willen kennen. Waarschijnlijk zou ik geen woord met hem hebben kunnen wisselen - ofschoon, je weet nooit, met een cachaça op… Maar zijn leven leest als dat van de schelm, de pícaro, die het echter slecht vergaat. En in dat opzicht, in dat tweede deel van zijn leven, lijkt hij meer op de Griekse held die niet begrijpt wat hem overkomt. Binnen en buiten het veld is hij vele malen vermakelijker én tragischer dan Pelé.

Ik las in een interview met een Braziliaans blad dat u graag een biografie van Garrincha wil vertalen. Wanneer kunnen we die verwachten?
Ja, ik zou de Garrincha-biografie van Ruy Castro dolgraag vertalen. De uitgever, De Arbeiderspers, zou het ook graag willen, maar is er nog niet zeker van of het commercieel haalbaar is. Het is een schitterend boek, heel goed geschreven.

Onlangs zei voetballer/arts Socrates dat het WK 1970 de Brazilianen op zo'n fenomenale wijze had verbroederd. Helaas ging hij niet in op het lot van Moacyr Barbosa, keeper van het verliezende Braziliaanse team in 1950. Die werd de rest van zijn leven door praktisch de gehele natie uitgekotst. Dat men toen aangeslagen was, valt te begrijpen, maar waarom werd hij ook decennia later nog als een melaatse behandeld?
Barbosa was niet de enige zondebok. De grote vraag die iedereen zich na '1950' stelde was natuurlijk: hoe heeft dit gekund? Waardoor hebben wij de Cup verloren? Men zocht, zoals dat gaat in zulke gevallen, schuldigen. En Brazilië had al sinds eeuwen een groep schuldigen voorhanden: de negers. Een van de wonderlijkste gevolgen van het WK 1950 was de opkomst van een hernieuwd racisme. De zwarte spelers kregen de schuld. Niet Zizinho, niet Ademir, niet Bauer of Jair. Die hadden hun best gedaan. Maar linksbuiten Chico, linksback Bigode, doelman Barbosa – zij waren de zondebokken. Vooral Barbosa. De doelman is altijd het gemakkelijkste mikpunt. Een spits kan tien kansen missen en er één injagen: die ene goal wordt gevierd. De doelman kan tien saves verrichten en er één doorlaten: die ene goal wordt hem nagedragen. Maar zo gaat het in de schele ogen van het publiek, en Barbosa was alleen bij het publiek de zondebok. Tot 1953 stond hij nog in het doel van de nationale selectie. De sportmedia van de jaren veertig en vijftig benoemden hem zelfs tot een van de vijf grootste doelverdedigers van de Braziliaanse voetbalgeschiedenis.

Over 'publieke aversie' gesproken; Carlos Drummond de Andrade zorgde in en na 1928 voor bijzonder veel tumult met zijn gedicht 'No meio do caminho' ('Midden op de weg'), waarover u een essay publiceerde. Wordt nu nog wel eens aanstoot aan die tekst genomen?
Ik denk het niet. Er is sindsdien zoveel gebeurd in de poëzie, dat men nu niet gauw nog ergens van opkijkt.

In dat uit 1979 stammende essay schrijft u: '(goede...) poëzie is dat wat niet ook met andere woorden gezegd had kunnen worden'. Is dat voor u nog steeds het criterium?
Heb ik dat gezegd? Als jij het zegt… Waarom zou ik het daarmee niet eens zijn? Het klinkt heel aardig. Het is niet het enige criterium, het dekt alleen het taalkundige aspect, wat (het zij gezegd) in poëzie natuurlijk heel belangrijk is. Op dat niveau functioneert poëzie net als een mop: zodra je die uitlegt - in andere woorden vertelt - is de lol eraf.

Welke Braziliaanse dichters zou u de Nederlandstalige lezer die nog niet bekend is met die literatuur aanbevelen?
De dichters die ik zou aanbevelen zijn - ik zou haast zeggen uiteraard - de dichters die ik heb vertaald. Misschien niet in de eerste plaats Drummond de Andrade. Met alle bewondering die ik voor hem heb, is hij misschien niet de meest toegankelijke, als het daar om gaat. Een eenvoudiger dichter - ogenschijnlijk eenvoudig, natuurlijk, of bedrieglijk eenvoudig - is Manuel Bandeira, die ik slechts klein heb uitgegeven, in een cahier van de Lantaarn (Leiden, 1983). Bij lezingen over Brazilië en Braziliaanse literatuur heb ik vaak een gedichtje van hem geciteerd, dat in sociologisch opzicht zo ongelooflijk veelzeggend is:

Toen ik vanmorgen wakker werd was het nog donker
(Ofschoon de ochtend al gevorderd was).
Het regende.
Het regende een trieste regen van berusting
Als troost en tegenstelling tot de onweershitte van de nacht.
Toen stond ik op,
Ik dronk de koffie die ik zelf zette,
Daarna ging ik weer naar bed, stak een sigaret op en bleef liggen denken…
Deemoedig denken aan het leven en de vrouwen die ik ooit heb liefgehad.

Het onthullende vers is hier natuurlijk 'Ik dronk de koffie die ik zelf zette'. 'Iedereen', dat wil zeggen iedereen boven een zekere maatschappelijke grens, dus zéker een dichter, heeft empregada's, dus niemand zet zijn eigen koffie. Unaniem wordt dit vers van Bandeira nog steeds beschouwd als bewijs van hoe arm en nederig de beroemde man was, dat hij zijn eigen koffie zette… In zijn verzameld werk staat ook een fotootje, waarop hij, in kamerjas, een kopje koffie inschenkt uit zo'n Klaas Gubbels-kan met tuit, en het onderschrift luidt O homem só… (De man alleen…). Snik, snik. Zo'n versje telt voor hele traktaten. Overigens heb ik nog steeds het vage plan ook Bandeira wat 'groter' uit te geven.

Bandeira schreef tevens het ontroerende 'Profundamente' ('In diepe slaap'), waarin hij een jeugdherinnering koppelt aan het heden en de feestende dierbaren van toen overleden zijn: 'Ze slapen allemaal / Ze liggen allen / Te slapen / In diepe slaap'. In hoeverre is dit gedicht typerend voor de 'Braziliaanse omgang' met de dood? Er komt namelijk geen hemel aan te pas.
'In diepe slaap' is een van de mooiste gedichten die ik ken. Of het iets te maken heeft met een 'Braziliaanse omgang' met de dood? Ik zou niet weten of zoiets bestaat, en als zoiets bestaat zou ik er niets over kunnen zeggen. Ik denk dat de Braziliaanse beleving van de dood, om het paradoxaal te zeggen, niet veel anders is dan die van iedereen. Uiterlijkheden kunnen verschillen, zoals rouwbeklag, geweeklaag, maar dood is dood.
Het mooie in dit gedicht is dat Bandeira door het Sint-Jansfeest van nu, met de daarop volgende tijdelijke stilte, in verband te brengen met het Sint-Jansfeest van vroeger, met de erop volgende eeuwige stilte, de dood aanwezig maakt in het leven. Ik geloof niet dat dit iets te maken heeft met een Braziliaanse, of zelfs een persoonlijke houding tegenover de dood. In feite doet Bandeira niet anders dan een parafrase schrijven op de vraag uit de middeleeuwse dodendansen Ubi sunt qui ante nos in mundo fuere? (Waar zijn zij die voor ons in de wereld waren?). Hij gebruikt zelfs dezelfde woorden, 'Waar waren zij?', 'Waar zijn zij?'.
In De taal als bril staat een stuk ('Dit andere leven') over de dood in het werk van Manuel Bandeira, Drummond de Andrade en João Cabral de Melo Neto. Inderdaad, bij hen geen hemel. Er zijn andere dichters, katholieke dichters, die ook tot de groten van de Braziliaanse literatuur worden gerekend maar die ik nu eenmaal niet kan pruimen - Jorge de Lima, Murilo Mendes - die uiteraard God en het hiernamaals in hun visie op de dood betrekken. En wanneer Bandeira in een van zijn laatste gedichten dat ook doet, is het op een kinderlijke manier, alsof hij er natuurlijk niets van gelooft maar het leuk zou vinden als het zo zou zijn. Hij spreekt heel concreet over 'zijn' hemel, zoals kinderen praten over hun sprookjeswereld. Het is het gedicht 'Programma voor na mijn dood' - alleen al het woord 'programma'…:

Wanneer ik, na mijn sterven, aankom in de andere wereld,
Zal ik eerst mijn vader en moeder willen kussen, mijn broers en zusjes, mijn opa en oma,
ooms en tantes, neefjes en nichtjes.
Daarna zal ik langdurig een paar vrienden omhelzen – Vasconcelos, Ovalle, Mário…
Ook zou ik graag de heilige Franciscus van Assisi ontmoeten.
Maar wie ben ik? Teveel eer.
Dit gedaan zijnd zal ik verzinken in de aanschouwing van God en zijn glorie,
Vergeten, voor altijd, alle heerlijkheden, pijnen en verbijsteringen
Van dit andere leven aan deze zijde van het graf.

Nog iets, als je me niet kwalijk neemt, over de vertaling van 'Profundamente'. Je weet natuurlijk dat het gewoon het bijwoord is van 'profundo'. Wij hebben geen aparte bijwoordsuitgang, en de Duitse vertaling - ik meen van Curt Meyer-Clason - luidt dan ook gewoon 'Tief'. Ik vind dat niks. De lengte van het woord, met die vier lettergrepen, is voor mij een correlaat van de diepte van die slaap die eerst slaap is en uiteindelijk de dood. Misschien is dit geleuter, maar ik vind dat je dat niet met één lettergreepje kunt afdoen. Vandaar 'In diepe slaap' – ook vier lettergrepen. Ik vond dat dat moest.

Bandeira geloofde dus misschien niet in God, maar schreef wél over hem. Vormt hij in dit opzicht een uitzondering?
Nee, God komt betrekkelijk vaak voor in het werk van Braziliaanse dichters die hem voor de rest niet zo serieus nemen. In een land als Brazilië is God meer een soort stijlfiguur. Men groeit ermee op, hoe dan ook. Iedereen is katholiek, maar weinigen zijn gelovig. Vandaar dat protestanten, en mensen van allerlei sekten - Pinkstergemeente, Adventisten, Mormonen, Doopsgezinden, wat niet al - allemaal crentes worden genoemd. Dát zijn gelovigen, mensen die God serieus nemen, die erover hebben nagedacht, die de beslissing hebben genomen niet katholiek te zijn, want dat betekent niets, althans niet veel meer dan een paar onwillekeurige reflexen - knielen, kruisje slaan, kaarsje branden e.d..
Toch zul je weinig oneerbiedigheid, of ironie, jegens God tegenkomen. Het respect is zo ingeslepen dat ook wie zich van het geloof heeft afgekeerd op z'n minst beleefd blijft tegenover God. Boektitels als van Bob den Uyl, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en zelden aangenaam, voor mij nr. 1 in de toptien van titels, of De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen van Karel van het Reve, lijken mij in Brazilië ondenkbaar.

Een van de boeiendste door u vertaalde Braziliaanse prozaschrijvers is mijns inziens Machado de Assis. Qua humor en vertelstijl lijkt deze auteur, die zijn beste werk eind negentiende eeuw schreef, ook nu nog 'modern', maar hij staat in de schaduw van andere Latijns-Amerikaanse vernieuwers als Borges en Cortázar. Waar zou dat aan liggen?
Het lijkt me wat anachronistisch om Machado de Assis te vergelijken met Borges en Cortázar. We zouden hem moeten vergelijken met Spaans-Amerikaanse tijdgenoten, en dan zijn bijvoorbeeld Miguel Cané, Eduardo Wilde, Eugenio Cambaceres nog veel onbekender. De Brazilianen zelf zien als hún tegenhanger van de 'boom' - Borges, Cortázar, García Márquez, Vargas Llosa, Carlos Fuentes en anderen - graag Guimarães Rosa (vooral Diepe wildernis: de wegen), en de vraag is pertinenter waarom Rosa nooit bij het grote publiek de bekendheid en het prestige van zijn Spaanstalige tijdgenoten heeft verworven. Maar we hebben het nu over Machado.
Vóór alles is er natuurlijk - ik heb het daar vroeger ook al eens over gehad - de kwestie van de taal. Nu nóg wordt door velen het Portugees beschouwd als een provincie van het Spaans, en dat heeft tot gevolg gehad dat Portugees altijd minder is bestudeerd dan Spaans, of dat vertalers uit het Spaans het Portugees een beetje erbij deden - soms met verschrikkelijke gevolgen. Dat taalaspect lijkt me de enige verklaring voor het feit dat een schrijver als Machado de Assis, die eerder vergelijkingen uitlokt - al of niet terecht - met Proust of Svevo, zo onbekend is. Proust, voor wie ik weinig geduld kan opbrengen, heeft zijn enorme prestige vooral te danken – vind ik - aan het feit dat hij in het Frans schreef in een tijd dat het Frans nog net dé cultuurtaal van de wereld, althans van Europa, was. Hij is vele malen omslachtiger dan Machado en heeft geen fractie van diens humor.
Toevallig vond ik in Australië, vlak voor mijn vertrek, een boekje van de door mij zeer bewonderde Argentijnse Canadees Alberto Manguel, A Reading Diary (Canongate Books 2005). Daarin trof ik tot mijn verbazing - zie je, waarom die verbazing? - een hoofdstuk over Machado de Assis, waarin hij schrijft: 'I have such fondness for The Posthumous Memoirs of Brás Cubas that I'm always surprised to discover how few of my friends have read it. […] I find it hard to understand why Machado de Assis remains (outside Brazil, of course) a secret writer. There is no one quite like him […], Machado de Assis is alone in telling a story that is allowed to show itself to the reader unassembled, as it were, like a Meccano kit.' Als jongetje heb ik eindeloos met Meccano gespeeld, dus dit is voor mij een bijzonder gelukkige vergelijking. Maar je ziet, ook Manguel komt niet verder dan het uitspreken van zijn verbazing over Machado's onbekendheid; aan een verklaring waagt hij zich niet - wat ook niet zijn bedoeling was.

Dan de Portugees Fernando Pessoa. Naar men zegt wilde hij tijdens zijn leven obscuur blijven, daarna mocht de roem komen. Had hij er echt vertrouwen in dat zijn 27.000 onuitgegeven manuscripten, waaronder volgeschreven caférekeningen en zelfs wc-papier, postuum een breed publiek zouden vinden?
Of Pessoa zeker wist dat al die manuscripten in de kist ooit een publiek zouden bereiken – wie kan dat weten? Hij was overtuigd van postume roem, dat geloof ik wel, en op basis van het weinige dat hij had gepubliceerd kan dat nooit zijn geweest. Maar hoe hij het zich concreet voorstelde? Bij mijn weten heeft hij zich daarover nooit uitgelaten. Niets in de geest van 'ééns zal men mijn nagelaten geschriften vinden, etc.'. Wat hij erover heeft geschreven was in algemene zin. Hij had het over 'de roem' en 'de grote kunstenaar' en dergelijke. Hij kan daarmee wel zichzelf hebben bedoeld, maar hij heeft zijn eigen geval nooit in de eerste persoon genoemd.

Voor de leek is Pessoa op zijn zachtst gezegd een mysterieus man. Hoe zou u hem kenschetsen?
Dat is onbegonnen werk. Hij heeft alles in het werk gesteld om zoiets onmogelijk te maken. Maar wat mij altijd in hem heeft getroffen is zijn onvolwassenheid. Je weet dat Harry Mulisch ooit ergens heeft geschreven dat iedereen een soort absolute leeftijd heeft. Men groeit wel verder in kennis en ervaring, maar emotioneel is er een punt waar men blijft staan. Niet voor niets spreken we soms over iemand als 'een eeuwig kind' of we zeggen dat iemand 'oud geboren' is. Pessoa was wat dat betreft een puber, of zelfs een pre-puber.
Zijn problematiek, met het eeuwige zoeken naar zichzelf, de gigantische preoccupatie met zichzelf, wat hij moest in het leven, wie hij was, wat hij wilde – dat is een typische pubermentaliteit. Ik heb het natuurlijk alleen over de mentaliteit, niet over de wijze waarop hij die heeft verwoord. In andere aspecten is hij misschien zelfs nog jonger. Zijn experimenteren met gevoelens, zijn spelen met de mogelijkheden van persoonsverwisselingen – dat verraadt de homo ludens, en dan vooral het kind dat zijn speelgoed uit elkaar haalt om te kijken wat erin zit. In Het hoge woord staat daarover een stukje ('De spelende mens') dat een versie is van een verhaaltje dat ik in 1986 heb opgehangen tijdens een Pessoa-congres in Royaumont ('L'Homme qui joue') en dat de aanwezigen daar ertoe bracht mij te vragen of dat misschien een typisch Nederlandse beleving van Pessoa was. Net zo onbeantwoordbaar als de 'Braziliaanse doodsbeleving'. Ik vond het nogal voor de hand liggen, en in eerste instantie was het mijn reactie op een tendens, die ik daar beluisterde, om Pessoa postuum psychiatrisch te analyseren. Dat vond ik zo'n onzin. Ik heb Pessoa nooit zo vreemd gevonden. Het vreemde in hem was alleen dat wat in veel mensen gewone trekken zijn - het puberale, het infantiele - in hem tot de x-te macht was verheven.

Waarin ligt volgens u de kracht van zijn poëzie?
Zijn kracht is dat hij voor moeilijke zaken, althans moeilijk formuleerbare zaken, uiterst heldere formuleringen heeft gevonden. Dat maakt hem herkenbaar. De gelukkigen onder ons in wie het kind of de puber niet helemaal is verdord, herkennen zich in zijn werk. Niks psychiater, ben je bezopen. Vandaar dat ik in de loop der jaren zo ongelooflijk veel reacties heb gehad in de trant van 'ik lees nooit poëzie, ik begrijp niks van poëzie, maar dit, ja dít kan ik navoelen'. Ik herinner me nog dat ik op de Universiteit van Amsterdam, waar ik toen werkte en waar de bestuurderen altijd een Olympisch stilzwijgen betrachtten inzake mijn vertaalwerk, iets moest vragen aan een secretaresse, en dat ze aan het eind van het gesprekje zei: 'Meneer Willemsen, mag ik u iets vragen?' En ze begon in haar tas te rommelen. Een beetje zenuwachtig haalde ze een knipseltje tevoorschijn. Ik zag dat het was uitgeknipt uit een recensie van Gerrit Komrij in Vrij Nederland. 'Dit, dit gedichtje, dat hebt u toch vertaald, hè?' En op mijn bevestiging: 'Dat vind ik nou zo mooi. Dank u wel.'
Het was die prachtige ode van Ricardo Reis, 'De rozen in de tuinen van Adonis', waar ik na al die jaren nog steeds niet met droge ogen door kan komen. Kijk, dat doet Pessoa bij wat we de 'gewone lezer' noemen.

Welke bundel van Pessoa zou een goede introductie voor de lezer kunnen zijn?
Mijn bloemlezing uit 1978, vaak herdrukt, Gedichten, is bedoeld als introductie. Dat zou zij nog zijn, ware het niet dat ik mij nu helemaal niet meer kan verenigen met de vertaling. Vooral de vertaling van Reis schiet metrisch te kort, en die van de orthonieme gedichten in vrijwel alle opzichten. Maar afgezien daarvan geeft het boek wel een inzicht in de figuur van Pessoa en de meervoudigheid van zijn werk. Juist die meervoudigheid, die bij nader inzien meervoudiger lijkt dan ze is, maakt het onmogelijk een bepaald gedicht eruit te lichten. Wanneer we ons beperken tot de drie grote heteroniemen Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos, plus natuurlijk Pessoa 'zelf', dan kun je niet één van hen eruit halen zonder het geheel tekort te doen. Want hoe je het wendt of keert, het is allemaal Pessoa.

Hoe was het om - na zoveel jaren Nederland en Brazilië - naar Australië te emigreren?
Echt emigreren was het niet. In het begin heb ik dat misschien gedacht, maar ik ben meer een expat, het grootste deel van de tijd. Ik houd mijn flat in de Bijlmer aan. Ik ben graag in Australië; de sfeer, de ruimte, de mensen, bevallen me. Maar in het begin - de eerste jaren na 1996 - was het makkelijker dan nu. Ik voel nu sterker dan toen dat ik daar au fond in een verkeerde wereld zit.
Dat heeft vooral te maken met de taal. Ik kan me heel behoorlijk uitdrukken in het Engels, maar meer in de geschreven en gelezen taal dan in de gesproken en gehoorde taal. Mijn gehoor is - al vanaf de middelbare school - meer afgestemd op Latijnse talen dan Germaanse. Engels was mijn minst geliefde taal op school. Je mag het vreemd vinden, maar totdat ik in 1996, op 60-jarige leeftijd, in Australië kwam was ik nog nooit in een Engelstalig land geweest. In Engeland of de VS had ik niets te zoeken. Dat begint zich nu te wreken. Het heeft ook te maken met ouder worden en de gehechtheid aan de eigen taal. En als het op vreemde talen aankomt staat Portugees, en ook Spaans en Frans, me nader. Tenslotte belandde ik al in 1956, op 20-jarige leeftijd, in Spanje, later in Portugal. Engels was tot 10 jaar geleden alleen maar schrijftaal.
Afgezien van de leeftijd, is er de verschrikkelijke eentaligheid van Australië. Ja, er worden 100 talen gesproken, maar die tellen voor de 'mainstream' Australiër cultureel niet mee. Vrijwel niemand is in taal, als verschijnsel, geïnteresseerd. Ik kan aan niemand uitleggen wat ik, als literair vertaler, doe. En als ik het uitleg interesseert het niemand, of ze begrijpen het niet. Je kunt nooit een grapje maken, of een verwijzing, in een vreemde taal. Eén voorbeeld, uit duizenden: in een drukke winkelstraat bij ons in de buurt is een modezaak genaamd 'Le maison'. Toen mijn vriendin de eigenares erop attent maakte dat het 'La maison' moest zijn, was de reactie: 'Who cares! It looks French, doesn´t it?' Dat is het. Nobody cares.

U bent nu voor een paar maanden terug in Nederland. Is ons land veranderd in de jaren dat u down under vertoefde?
Die tolerantie is geloof ik een van onze mythen. Al lang vóór ik naar Australië ging, bestond dat vreedzame samenleven met anderen vooral dankzij een vorm van onverschilligheid. Het was meer een naast elkaar leven. En zolang je geen last van elkaar had ging alles goed. Wat dat betreft ben ik net zo. Best hoor, wanneer er Surinamers, Turken, Marokkanen, Afrikanen in mijn flat wonen, ik groet ze allemaal keurig, maar ik ga niet met ze om. Niet dat ik ze mijd, maar er is ook nooit een vriendschap ontstaan. En wanneer wij hen op een of andere manier vervelend vinden worden - geluidsoverlast, om maar wat te noemen - is het gauw gedaan met de welwillendheid.
Vroeger vonden we Surinamers en Antillianen lastig, vanwege, inderdaad, geluidsoverlast, en vooral drugsoverlast met de daarmee gepaard gaande berovingen, diefstallen enzovoorts. Nu zijn zij vervangen door sommige Marokkanen en door moslims in het algemeen. Pim Fortuyn heeft dat onbehagen aangewakkerd, en de moord op Theo van Gogh maakte de maat vol. Nu probeert Geert Wilders weer op die gevoelens in te spelen, maar gelukkig is hij dommer dan Pim Fortuyn. Desondanks is duidelijk genoeg dat dit onbehagen bestaat, en dat onze befaamde tolerantie maar een klein eindje reikt. Voor mij is dat niets nieuws, de blijken zijn alleen duidelijker.

Wat kunnen we in de naaste toekomst van u aan publicaties verwachten?
Plannen, plannen. Voor mij liggen - vorige week bij de Arbeiderspers opgehaald - twee delen, van de uiteindelijke drie, van het orthonieme werk (onder eigen naam geschreven) van Fernando Pessoa. Daaruit zal ik een royale keuze maken, en dat wordt dan het sluitstuk van de zogeheten Pessoa-bibliotheek. Tegen die tijd zijn we in 2009/2010. Verder is zojuist bij de Arbeiderspers de geheel omgegooide, herschreven, herziene, geactualiseerde en uitgebreide versie van De goddelijke kanarie verschenen. In de loop van dit jaar verschijnen bij die uitgeverij een bloemlezing van de lyriek van Camões (Ware voor zo lange liefde niet zo kort het leven) en de jeugdherinneringen (Kinderjaren) van de Braziliaan Graciliano Ramos, van wie de vier romans eerder waren verschenen bij Coppens & Frenks.
Volgend jaar verschijnt bij de Arbeiderspers het tweede deel van de gedichten van Pessoa's heteroniem Álvaro de Campos. Nog iets later verschijnt, eveneens bij deze uitgeverij, een vertaling van de Engelse gedichten van Pessoa. De 35 Sonnets plus enkele losse gedichten zijn vertaald door Maarten Asscher; ik heb twee grote gedichten vertaald, 'Epithalamium' en 'Antinous', respectievelijk de heteroseksuele en de homoseksuele liefde tot onderwerp hebbend en door Pessoa zelf ooit betiteld als 'obsceen'. Verder heb ik het verzameld werk besteld van Bocage, een preromantische Portugese dichter (1765-1805), bij wiens werk generaties van Portugese studenten zich hebben afgetrokken, maar die ook mooie religieuze gedichten - als dat geen contradictie is - heeft geschreven. Ik wil van hem een representatieve bloemlezing maken. Verder zou ik ook graag kronieken vertalen van Fernão Lopes (eerste helft vijftiende eeuw), vooral de kleine kroniek over Dom Pedro en Inês de Castro, waaruit ik al een beetje heb geciteerd in 'Een dergelijke liefde' in De taal als bril. Ten slotte ligt hier een stuk manuscript van een boek waarvan ik niets weet, van een schrijver van wie ik niets weet: Cemitério de Pianos van ene José Luís Peixoto. Ik moet het nog bekijken.



[gepubliceerd: 7 april 2007]
 
^