Meander * Eerder * Interviews * Frank Pollet
 
Frank Pollet - Drie Theremins
Een instrument bespelen zonder het aan te raken
door Yves Joris

Frank Pollet won de Publieksprijs 2006 voor de beste poëziebundel. Bij De Contrabas waren ze er als de kippen bij om de gelukkige winnaar te interviewen. Ik las de dichtbundel Drie Theremins en begreep waarom deze de eerste prijs wegkaapte.


Foto: Luc Verstraeten
Moet ik beginnen met je te feliciteren voor je publieksprijs? Of is daar al genoeg inkt over gevloeid?
Moeten niet, natuurlijk. Dank je wel, maar als ik mag kiezen, zou ik liever felicitaties voor de bundel dan voor de bekroning ontvangen. Over Drie Theremins kan nooit genoeg inkt vloeien, vind ik. De reden waarom ik zo graag die Publieksprijs Beste Poëziebundel 2006 wilde winnen, had daarmee te maken. Als je een bundel publiceert, wil je ook dat hij gelezen wordt, en die Publieksprijs leek me een fijne etalage om mijn boekje in aan te bieden. Ik heb er lang en hard genoeg aan gewerkt, ik ben overtuigd van de kwaliteit van de bundel.

Je bundel opent met een citaat van Rebekka Bakken: Is that your breath playing with my hair? Het was een aangename kennismaking met mevrouw Bakken via google. Een verborgen vierde theremin?
Hm, ik ken er zo nog wel een paar. Kari Bremnes, bijvoorbeeld. Nu ben ik verzot op het werk van Rebekka Bakken. Wat die vrouw met haar stem kan, is echt ongelooflijk. Haar onbekende werk met Wolfgang Muthspiel is heel bijzonder. Ik heb haar tweemaal live gehoord en gezien, straf hoor! Maar om meteen over een vierde theremin te gaan spreken... Drie is een heilig getal, en de drie madammen in Drie Theremins beschouw ik als buiten categorie. Om eens niet het woord geniaal te gebruiken.


Dennengek

Praat mij aan,praat mij af
En toe over de pijnen die me wachten
Aan de randen van de naald

-boom in haar tuin en op haar graf.
Ik ontbreek haar naam en vele nachten
Zijn te mijden als de kou. Bepaald

Is zij, ben ik. Wij zwijgen laf
En kijken naar het lege blad
Waarop onze woorden tweemaal

Doorgehaald. Als flauw hout.


Wat bij eerste lectuur dadelijk opvalt, is de strakke structuur van je bundel. Elk van je muzen krijgt negen gedichten toegewezen. Ook elk gedicht heeft dezelfde structuur. Een enorm verschil met sommige bundels waarbij haiku's afwisselen met sonnetten en vrije versvorm.
Dat is een keuze, natuurlijk. Ik kan me voorstellen dat dichters zich goed voelen in het avontuur van de vorm van de dag, maar ik wil mijn chaos het liefst structureren, aflijnen, richten, wat me absoluut ook inspireert. Ik voel me niet gevangen in die structuur, doordat ze zich als het ware aan mij opdringt. Op gelegenheidsmateriaal na schrijf ik bijkans nooit losse gedichten, maar cycli, en sinds jaren gebeurt dat automatisch erg gestructureerd.

Je bundel krijgt de ondertitel 'gedichten 2002-2003'. De bundel werd pas in 2006 uitgegeven door het PoëzieCentrum. Moest de poëzie nog rijpen of lag de bundel toen al klaar voor publicatie?
Al mijn bundels hebben zo'n ondertitel, dus daar is op zich niets vreemds mee. Er zijn lange periodes waarin ik geen enkel gedicht schrijf, maar na een tijd ontplof ik, en schrijf ik in eerste instantie erg snel. Soms weken aan een stuk dagelijks een of twee gedichten. Zo was na drie weken Drie Theremins in een eerste versie klaar. Toen begon het prutsen en peuteren. Zo'n twee jaar na de ontploffing wilde ik Drie Theremins eens testen in de Tweejaarlijkse Poëzieprijs van Merendree. Ik won de prijs, en al was dat een bevestiging, toch heb ik nog een halfjaartje gewrikt en gewroet voordat ik ermee naar een uitgever trok. Aangezien ik al drie bundels bij Uitgeverij P had gepubliceerd, stuurde ik een e-mail naar P met de vraag of hij een nieuwe bundel van me wilde. Het bleef er heel lang oorverdovend stil. Nu ben ik geen telefoonmens en bleek uitgever Leo Peeraer geen mailmens te zijn, waardoor hij me pas een dik halfjaar later aansprak over dat mailtje. Maar ja, ik was natuurlijk niet bij de pakken blijven neerzitten, en had drie uitgeverijen geïnteresseerd gevonden. PoëzieCentrum Gent leek me een goede keuze. Daar is de publicatie van Drie Theremins nog tweemaal uitgesteld. Vandaar dus pas publicatie in 2006.

Je bundel is opgedragen aan drie vrouwen: Charlotte Mutsaers, Camille Claudel en Hildegard von Bingen. Ik weet dat je liever hebt dat de mensen hun eigen verhaal lezen in je poëzie, maar toch... Wat is het verband?
Hm, natuurlijk weiger ik mijn gedichten te verklaren. Onder andere omdat dit niet mogelijk is. Anne Dellart zei ooit dat, als ze haar gedichten zou kunnen uitleggen, ze die nooit geschreven zou hebben. Maar over het verband tussen de drie vrouwen in mijn bundel maak ik geen geheim, dat staat zelfs impliciet op de achterkaft. Deze drie vrouwen die bijkans tien eeuwen omspannen, zijn in mijn ogen zo buitengewoon belangrijk dat ik over hen wel moest schrijven. Als je bekijkt op welke uiteenlopende vlakken Hildegard von Bingen bezig was, met ideeën die in bepaalde middens vandaag de dag nog altijd als vooruitstrevend en zelfs verwerpelijk aanzien worden, dan neem ik daar graag mijn petje voor af. Eigenlijk heeft Camille Claudel haar veel oudere minnaar Rodin zodanig beïnvloed dat niet zij, maar hij een van de grootste beeldhouwers aller tijden geworden is, want in die tijd werden vrouwen nog als maatschappelijk onbelangrijk beschouwd. Je zou van minder gek worden. En van Charlotte Mutsaers zal de toekomst uitwijzen dat ze terecht bij de twee andere geniale dames thuishoort.

Zijn de vrouwen je theremins? Ik las op internet dat het een moeilijk instrument is om te bespelen. Mag ik een beetje freudiaans worden?
Die freudiaanse interpretatie laat ik voor jouw rekening. Ik let op wat ik zeg, want ik ben getrouwd! De theremin is een moeilijk instrument om te bespelen doordat je letterlijk en figuurlijk geen raakpunten hebt. Je bespeelt het door het níét aan te raken. Volume en toonhoogte worden bepaald door de plaats van je handen in de buurt van twee antennes. Het is dus een kwestie van voorzichtig in de buurt komen zonder fysiek contact te maken, snap je? Dat heb ik ook in de poëzie met 'mijn dames' gedaan. Drie Theremins is een soort van respectvolle benadering.

Bij een tweede lectuur viel me op dat elk gedicht eindigt met een versregel die tevens (in lichtgewijzigde vorm) de openingsregel is voor het volgende gedicht. De dichter als taalknutselaar. Je bent nog een vakman van het woord. Wat vind je van de dichters die taal 'misbruiken', alsof ze met een betonmixer werken?
Dank je voor het compliment. Ja, ik ben nog een ouderwetse zak die vakmanschap als onontbeerlijk aanziet. Volgens mij kun je geen gedichten die naam waardig schrijven zonder vakkennis, en dat bedoel ik dan niet zo theoretisch als het klinkt. Je hoeft voor mijn part niet te weten dat een enjambement zo heet, als je het maar functioneel kunt aanwenden. Vakmanschap kan natuurlijk ook betekenen dat je de taal afbreekt, of dat je een betonmixer hanteert. Ik hoor niet graag het woord taalknutselaar, want knutselen lijkt me net datgene te zijn wat je zult doen als je het vak niet meester bent. Een soort doe-het-zelver die in wezen over geen enkele stielkennis beschikt, maar er toch in slaagt een muurtje te metselen, dat gedoe. Ik geloof in de combinatie van stielkennis en intuïtie, en dat laatste kunnen kanaliseren, maakt het talent uit, denk ik. En het verschil tussen knutselaar en kunstenaar. Het toeval is bij het schrijven van poëzie geen onbelangrijke factor. Maar ik beweer al jarenlang dat het toeval de goede dichter altijd gunstig en de slechte dichter gegarandeerd ongunstig gezind is.

Je drie muzen haal je uit de ganse wereldgeschiedenis. Ze hebben ook hun eigen specialiteit, als ik het zo mag zeggen. Von Bingen was een - of mag ik zeggen - de eerste componiste uit de klassieke muziekgeschiedenis. Mutsaers is een bekende schrijfster en Claudel een beeldhouwster. Is dit een extra ode aan de kunstzinnige vrouw?
Een ode aan de kunstzinnige vrouw? Daar heb ik nooit bij stilgestaan, en het klinkt me ook nogal melig in de oren. Hildegard von Bingen, bijvoorbeeld, mag dan de eerste 'klassieke' componiste geweest zijn, ze was oneindig veel meer, want ook mystica, theologe, en eigenlijk ook een geneeskundige. Bovendien was ze abdis van een klooster, en ging ze geweldig in de clinch met de toenmalige paus. Haar denkbeelden over de seksualiteit van de vrouw waren toen - en bij sommigen nog steeds - ronduit progressief. Ze was ook een ongelooflijk koppige trien. Ode aan de kunstzinnige vrouw is dus een simplificatie, vrees ik.

Bij dit gedicht trek je het verleden naar het heden. Je geeft iemand uit de Middeleeuwen een emailadres. Het mystieke staat haaks op de nuchtere beginzin.

HILDEGARDVB@HOTMAIL.COM

'Er zijn geen nieuwe berichten'
In mijn postbus en daar ben ik
helemaal niet rouwig om

Want Uw visioenen stichten
Als een virus op een welgekozen ogenblik
Verwarring en mijn kleine cd-rom

Is al vol fluisterlicht met inzichten
Die, eenmaal ongecomprimeerd, groter dan mijn harddisk
Zijn: ik ben gezien en voel mij op. En dom.

Staar. Naar een oog in de verte.

Hoe kom je op dergelijke beginzin? Of zelfs invalshoek?
Geen idee. En als ik het wist, zou ik het niet verklappen, natuurlijk. Nee, serieus, dat is een 'cadeau', iets wat je inspiratie zou kunnen noemen, denk ik. In dit gedicht laat ik God zich van de verworvenheden van deze tijd bedienen om de progressieve Hildegard als het ware te stalken, want daarover gaat het toch. Het leek me trouwens een fijne gedachte om die straffe madam uit de elfde eeuw eindelijk eens een e-mailadres te bezorgen. Mystiek en een e-mailadres staan elkaar absoluut niet in de weg, toch? Trouwens, probeer op dat adres Hildegard maar eens een mailtje te sturen!

Je schrijft niet alleen goede poëzie, je bent ook heel actief als theater- en jeugdauteur. Ik meen me te herinneren dat je dan ook nog als schrijfdocent werkzaam bent. Wanneer slaapt de mens Frank Pollet?
Bijkans altijd 's nachts, maar het liefst zo weinig mogelijk. Mijn lichaam is daarop getraind, denk ik. Slapen is tijdverlies, je ligt daar met je ogen dicht en weet van de wereld geen kwaad. Het besef dat ik hier maar een beperkte tijd rondloop, maakt me onrustig.
De uitgever die mijn jeugdboeken publiceert, vindt dat ik te versnipperd te werk ga en daarmee een strategische, commerciële blunder bega. Maar ik kan niet anders, want voor de zaken die ik echt wil schrijven, moet ik toch de juiste vorm hanteren. En nu eens leent zo'n thema zich het best voor een jeugdboek, dan weer voor poëzie. Of voor theater. Ik ben geen strateeg, heb geen enkel carrièreplan, ik doe wat ik vind dat ik moet doen. En als dat dom blijkt, tja, dan is dat maar zo.

Steeds meer mensen nemen de pen vast om poëzie te schrijven. Er worden meer bundels gepubliceerd dan gelezen. De recensies in de gevestigde waarden zoals de SdL (De Standaard) en Uitgelezen (De Morgen) blijven beperkt tot een incrowd. Toch win je de publieksprijs. Kwaliteit drijft boven?
Natuurlijk drijft kwaliteit niet zomaar boven. Ik heb met die dwaling twintig jaar geleefd, en gewacht tot iemand mij zou opmerken. Maar het blijkt dat een groot bakkes kan helpen, en aangezien ik daar niet echt over beschik, heb ik vorig jaar per e-mail de wereld laten weten dat ik een nieuw boekje gepubliceerd had. Negenhonderd en zoveel mensen hebben op mijn bundel gestemd, dat zijn er meer dan ik ken, het zijn er ook meer dan er exemplaren van Drie Theremins gedrukt zijn. Maar het heeft er wel voor gezorgd dat er eindelijk eens wat meer aandacht voor mijn poëzie kwam.
De Morgen en de Standaard houden vooral niet van Vlaamse letteren, dat blijkt elke week in de boekenbijlagen. En als er al eens een poëziebundel in die kolommen verdwaalt, gaat het inderdaad om een vaste waarde. Vaak een Nederlander. Het zegt veel over hoe men in Vlaanderen met literatuur omspringt. Alles van buiten de grenzen is beter. Maar als je dat openlijk beweert, word je in een donkerbruin hoekje geduwd. In mijn geval geheel ten onrechte, hoor!

Poëzie verlaat meer en meer het papier om een leven te leiden in cyberspace. Voordeel is dat iedereen een platform krijgt. Nadeel is dan ook dat iedereen een platform krijgt. Gaat deze vereenvoudiging om een publicitatieplatform te hebben ten koste van de kwaliteit?
Ik vrees van wel, ja. Als er geen uitgeverij aan te pas komt, is er geen selectie. En dat komt de kwaliteit niet ten goede.

Surf je vaak naar poëzie op internet? En zo ja, welke sites?
Als ik een goed gedicht wil lezen, grijp ik nooit naar het internet, maar altijd naar een boek. Misschien ben ik ouderwets, dat zou kunnen. Maar dat ben ik dan graag. Wél zoek ik geregeld op het internet naar info die met poëzie verband houdt. En dan kom ik uiteraard terecht op sites als www.decontrabas.com en poezieinvlaanderen.blogspot.com en www.paulrigolle.be en het hoogst vermakelijke poezierapport.blogspot.com
En ik vergeet er vast nog een reeks…

De lezers van Meandermagazine zijn ook potentiële poëzieschrijvers. Welke tips kan je hen meegeven?
Als docent Literaire Creatie geef ik mijn cursisten de voor de hand liggende raad zoveel mogelijk goede poëzie te lezen en nooit te lang bij dezelfde dichter te blijven hangen om epigonisme te voorkomen.

LAAIEND HARTVUUR

Onder dak zegt men dat ik geheel alleen
Geleefd heb, maar ik ben geweest
waar niemand was voor mij

In alle oorden waarin steen
Bewoog, waarin één lijn het meest
De spiegeling aan weerszij

Van de waarheid bood. Merg en been
Heb ik doorleefd en onbevreesd
Mezelf verbrand. [Aan hem.] Aan klei.

Zo maakte ik. Mezelf.

Wat is voor jou een goed gedicht?
Ik vreesde al dat je me dit zou vragen. Wat is een goed gedicht... De mens die dat weet, mag het mij altijd komen zeggen. Nee serieus, ik weet dat niet, want alle gedichten die ik goed vind, verschillen onderling zo veel van elkaar dat ik daar niet echt een definitie uit kan puren. Ik vrees dat ik niet veel verder kom dan dat een goed gedicht een perfecte mix vormt van ratio en emotie, van vakmanschap en intuïtie, van inhoud en vorm, van directheid en mysterie. Maar ik zal vast ook wel een gedicht goed vinden dat zondigt tegen die regels. En dat is maar goed ook. Poëzie is geen exacte wetenschap. Een dichter moet ook door het rode licht rijden...

Welke dichters bewonder je en wat zou je hen willen vragen?
Ik koester geen bewondering voor dichters, maar voor gedichten. En als ik al eens de neiging tot bewondering van een dichter voel opkomen, stel ik die de vraag om zijn bundel te ruilen tegen de mijne. Maar Jos De Haes, Hugues Pernath en T.S. Eliot zijn nooit op mijn voorstel ingegaan…

Frank Pollet - Drie Theremins
Uitgeverij Poëziecentrum VZW; Gent 2006; 43 blz.;
ISBN 90 5655 273 2; prijs: € 15,00


[gepubliceerd: 21 april 2007]
 
^