Meander * Eerder * Interviews * Hendrik Carette
 
Hendrik Carette - Gestolen lucht
Met de groeten aan Osip Mandelstam
door Yves Joris

Onlangs kocht ik op een vlooienmarkt de bloemlezing Pijn en puin verdwenen (Manteau, 1965), samengesteld door Werner Cranshoff. Tussen namen als Herman de Coninck en Eddy van Vliet viel me die van Hendrik Carette op. De introductie bij de toen nog jonge dichter vermeldt namelijk dat hij onder andere bedelaar was. Onlangs verscheen zijn bundel Gestolen lucht. Ik stelde enkele vragen aan Carette, die geen blad voor de mond nam.

Je bundel opent met twee citaten van Mandelstam, een dichter die nogal schimmig aan zijn einde kwam: Ik ruk de literaire bontjas van mezelf af en vertrap hem en Ik deel de hele wereldliteratuur in werken in die mét toestemming en die zonder toestemming zijn geschreven. De eerste categorie is rommel, de tweede is gestolen lucht. Uit het tweede citaat is de titel afkomstig van je nieuwe bundel Gestolen Lucht. Waarom Mandelstam?
Meer dan dertig jaar geleden gaf een vriendin in Rotterdam - Betty Koswa was haar naam en ik weet zelfs niet of ze nu nog leeft - mij de dichtbundel Wie een hoefijzer vindt en andere gedichten van Osip Mandelstam, in de Nederlandse vertaling van de slavist en schrijver Kees Verheul (Van Oorschot, 1974). Mijn bewondering voor deze Mandelstam - ook moreel gezien als man - is sindsdien gebleven. Ook mijn lectuur van de twee zeer lijvige en imposante boekdelen, met memoires van zijn weduwe Nadjezda Mandelstam (Van Oorschot, 1971 en 1973), zijn voor mij een soort van bijbelboeken. Zo begint Mandelstams gedicht Tristia als volgt: Afscheid is een wetenschap die ik geleerd heb / van klachten blootshoofs in de nacht. En dan is er ook nog dat fameuze Stalingedicht van deze tragische man, over wie ik ooit heb geschreven dat zijn moed recht evenredig was aan de macht van de dictator Stalin. De uitdrukking De macht van het woord werd door deze grote Russische dichter letterlijk en figuurlijk verwoord. Voor mij is en blijft hij een icoon of de incarnatie van hoe een dichter moet en kan zijn. En bovendien raakte ik door dit alles meteen ook geraakt door de dichtersfiguur Velimir Chlebnikov, die andere grote Rus, die samen met zijn pendant Mandelstam toch wel een uniek duo vormde.

De cover toont een schilderij van Armand Rassenfosse Baudelaire en zijn muze. Diezelfde Baudelaire krijgt speciale aandacht in je bundel. Je wijdt er immers 222 aforismen aan. Een andere periode, een zelfde soort dichter?
Ik wijd geen 222 aforismen aan Charles Baudelaire, maar ik heb gewoon, in navolging van deze Charles Baudelaire, een lijst gemaakt van titels van gedichten, brieven, verhalen, manifesten, pamfletten, herinneringen, opstellen, verhandelingen, aforismen, bedenkingen, bekentenissen en traktaten die ik nog wilde schrijven, maar voor een deel al heb geschreven. Rutger H. Cornets de Groot - nota bene de zoon van de essayist R.A. Cornets de Groot - heeft in zijn slechte en oppervlakkige recensie Tussen willen en kunnen op de website van Literair Nederland echter niet gezien dat een groot aantal van deze teksten al wél geschreven en gepubliceerd werd. En dat de afstand tussen mijn willen en kunnen dus niet zo groot is, zoals hij in zijn recensentenhaast helaas heeft beweerd. En dan moet u nog weten dat hij wel het gedicht 'De kunst van het falen', een gedicht uit mijn vorige bundel Pact met Pound(Brugge, 2000), op de website over zijn lucide vader heeft geplaatst. Haast is de vijand van elke literatuur is een uitspraak van de wat vergeten auteur F.C. Terborgh.

Bij eerste lectuur van je bundel valt vooral op dat je niet ter plekke blijft. Nolens zal zijn kerktoren niet verlaten, maar jij zwerft in woorden de wereld rond. Confucius schreef al: Het is beter een mijl te reizen dan duizend boeken te lezen. Met je nieuwe bundel treed je hem zeker bij. Moet een dichter nieuwe horizonten opzoeken?
Ja, die nieuwe horizonten moet de dichter zelf vinden. Ik lijd niet aan monomanie. Maar ik heb, geloof ik, toch mijn eigen stem. Ik ben de kleine epigoon van de grote Hendrik Carette. En niet omgekeerd. Terwijl er in Vlaanderen ooit vele epigonen van Paul Snoek en Herman de Coninck zijn geweest.

Je foto in de bundel toont ons een man in reiskledij. Een beetje stuurs voor zich uitkijkend, sigaar in de hand. Excusez le mot, maar kleef een witte baard op en je lijkt Hemingway wel. Een bewuste pose?
Nee, dit is een foto en dus een momentopname. Vroeger, toen ik nog een snor of een knevel had, werd er wel eens graag beweerd dat ik soms erg op de jonge Stijn Streuvels leek. Dit is een foto van rond het jaar 2001 toen mijn dichtbundel Pact met Pound verscheen.

Je bent al een tijdje bezig met dichten. Merk je een verandering in je gedichten of in je manier van schrijven?
Ja, ik schrijf nu toch iets minder traag en de ader in mijn zoutmijn is nog niet leeggeroofd, of de geest is nog niet uit de fles. In Het Liegend Konijn, u weet wel dat tijdschrift van Jozef Deleu, staan in het in januari verschenen nummer drie nieuwe gedichten. Ik schrijf nu zeer gedreven en niet aflatend in deze stijl en deze vorm verder.

De meeste van onze lezers zijn heel actief met poëzie bezig en schrijven zelf ook gedichten. Welke tips kan je een beginnend dichter geven?
De eerste tip is deze: lees eerst veel andere - grote en kleine, bekende en miskende - dichters en zoek en vind eerst welke verzen van anderen u oprecht aangrijpen (schokken of ontroeren) en u dus bewondert. Vertrek dan vanuit deze bewondering om vroeg of laat uw eigen stem te vinden. Of laat u eerst gerust beïnvloeden, om u later door niemand meer te laten domineren. Niemand schrijft in het luchtledige, maar de dichter wordt wel bedreigd door dat luchtledige en schrijft en etst dan als het ware als de laatste dichter op aarde op dat blanke blad.

In de bloemlezing Pijn en puin verdwenen verkeer je in gezelschap van dichters als Herman de Coninck, Ben Klein en Eddy van Vliet. Jullie werden afgeschilderd als het antwoord op de Experimentelen. Laat de dichter Carette zich in een hokje dringen?
Nee. En ik geloof dat ik in 1965 de jongste dichter in deze bloemlezing was en dat ik nu een van de weinigen ben die al de anderen overleef en zelfs passeer. Een vriend, de Brugse dichter en beeldhouwer Renaat Ramon, zegt wel eens al lachend dat ik zeker negentig jaar oud zal worden. Wie weet? Gerard Reve zou zeggen: Maria, de vierde persoon Gods beschermt mij…

In die bundel lees ik: (…) Was commies, kelner, figurant in films en toneelstukken en bedelaar. (…). Dergelijke introductie intrigeert me. Bedelaar? De dichter-bohémien in schril contrast met de man die in de nieuwe bundel resoluut de wereld instaart?
In 1997 ben ik plots na een bewogen zwervend bestaan en met vallen en opstaan een ambtenaar geworden. Aan mijn Franssprekende collega's hier in Brussel zeg ik dan: je suis un petit fonctionnaire, mais un grand poète…

Je moet het maar doen als dichter: een gedicht schrijven over een partij die berucht werd voor haar collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

EEN MOOIE VONDST

Na aanwijzingen van twee jonge Vlaamse vorsers
vond een team ervaren Duitse diepzeeduikers
de verloren gewaande schat van het V.N.V.
op de bodem van de Bodensee.
Het betreft een zware roestvrije zwarte hutkoffer
versierd met antieke swastika's
en bevattende; het gebroken brilletje van de gesneuvelde
oostfronter Reimond Tollenaere,
een pluk haar afkomstig van de baard van de Leider en
dorpsonderwijzer Staf de Clerq
alsook een reep stof uit de soutane van de kapelaan en
geestelijk leidsman Cyriel Verschaeve
en niet te vergeten: nog een bundeltje bankbiljetten
(honderdduizenden waardeloos geworden Rijksmarken)
gewikkeld in een vergeeld exemplaar
van het dagblad Volk en Staat
daterende van de dertiende
van de slachtmaand van het oorlogsjaar 1943.

Tollenaere was de dauphin van VNV-voorzitter Staf De Clercq en hij overleed in 1942 aan het oostfront. In datzelfde jaar stierf ook De Clercq. Terwijl de eerste het voordeel van de twijfel genoot en de geschiedenis inging als een idealist, werd De Clercq een schoolvoorbeeld van collaboratie. Ook priester-dichter Verschaeve komt in je gedicht ter sprake. De herinneringen aan deze periode worden door de vondst van de kist opnieuw opgerakeld. Wil de dichter hier een geweten schoppen?
Nee, niet echt. Maar ik ken het verleden van mijn land(je) en de geschiedenis en de aardrijkskunde borrelen in mij op en spelen al dan niet latent een rol in mijn veelal verhalende of epische gedichten. Ook een hang naar provocatie, en door het vinden van wondermooie paradoxen, vermeng ik graag de realiteit met een vorm van neo(n)romantiek. Mijn romantiek is, naar ik vermoed, altijd als het ware verhard door de rauwe werkelijkheid. De dichter Richard Minne, die ik toch ook bewonder, had dat beslist ook. Suikerzoete romantiek is verwerpelijk en is niet mijn dada.

Je gedichten vragen veel achtergrondkennis. Eruditie is een vies woord geworden in deze KISS-maatschappij (keep it simple stupid). Klaagt de dichter in zijn gedichten op deze manier aan?
Ik bezit geen bijzondere diploma's, maar ik ben altijd een groot en onvermoeibaar lezer geweest. Een speurder die naar sporen zocht. Ik lees de laatste tijd ook veel filosofie en lees zeer graag de boeken van de Kulturkritiker George Steiner en ook de Duitse biograaf en essayist Rüdiger Safranski. Vroeger las ik alles, maar dan ook alles van de Frans-Roemeense schrijver E.M. Cioran. Ik leef, zo denk ik, in leesperioden… Zo was er in mijn leven de periode dat ik bij de grote Borges was, of de periode Henri Michaux. En zo voort en zo verder. Die schrijvers brachten mij als leesmeesters, niet als leermeesters, in de sfeer of zelfs in een lichte vorm van extase. Maar ik wil zeker niet poseren met enige eruditie.

De dichter heeft heimwee. Het betongrijze België ligt hem niet meer. Ook Afrika is een verloren continent geworden. Cultuur ontvlucht Afrika voor Australië.

WIJ WORDEN ALLEN ABORIGINALS

Na de vlucht uit Egypte
- de farao's dood en begraven in de grafkamers
van hun geschonden en onteerde koningsgraven -
komt nu de vlucht uit het beloofde land op gang.

Nu zelfs de grijswijze schrijver John Coetzee
als jetsetnomade en blanke Afrikaan
zijn zwaar geplaagde Zuid-Afrika is ontvlucht
om naar het nomadenland Australië te gaan.

Want wij zijn allen verziekt en zeer monomaan
en worden allen aboriginals in het avondlicht.
In ongenade en ver van een missiepost
op zoek naar de droomwegen van onze voorvaderen.

In je gedicht meng je cultuur (Coetzee) met het metafysische van de droomwereld der Aboriginals. Is literatuur een droomwereld en dreigt die wereld geen plaats te moeten ruimen voor de flashy beeldcultuur? Met de Aboriginals keer je ook terug naar de bron van het leven, naar de natuur. Is er een kentering op komst of blijven we verder consumeren alsof ons leven er van afhangt?
Ja, deze Coetzee heeft Zuid-Afrika de rug toegekeerd en heeft zich in Australië (down under) gevestigd. Zijn boek Disgrace heb ik in het Nederlands (Ambo, vijfde druk in 2000) gelezen; het is een aangrijpend meesterwerk. En de droomwereld van de aboriginals, waarnaar u refereert, verwijst dan weer naar het prachtboek The Songlines uit 1987 van de onvergetelijke Bruce Chatwin. Dat terug naar de bron, dat hebt u goed gezien. Een dichter moet soms als een literaire archeoloog op zoek gaan naar de oude verdroogde of verdwenen bronnen van het leven.

De navolging van Charles Baudelaire. Dit gedeelte van de bundel heeft voor mij meer uitleg nodig. Waarom 222 aforismen bijvoegen bij een bundel die volgens mij ook zonder deze uitbreiding zijn bestaansrecht mag opeisen.

104. Het verblijf van James Joyce in Oostende.
99. Patrick Conrad en de geschminkte schim van Mae West.
215. De sprongen bij Blaise Pascal en het deinen van de treinen bij Blaise Cendrars.

Dit zijn enkele voorbeelden. Ik loop een beetje verloren en begin dan naar een rode draad te zoeken. Of is dit net niet de bedoeling?
Eigenlijk wilde ik deze appendix of dat bijvoegsel er bij, omdat ik vind dat de uitgave van een dunne dichtbundel (dertig gedichten) niet altijd toereikend is voor de alerte lezer. Henri Michaux verborg bijna zijn harde en soms agressieve gedichten tussen zijn proza, dat dan als een hard en zwaar pantser omheen zijn harde kern fungeerde. En de lezers lezen haast geen afzonderlijke dichtbundels meer; bloemlezingen worden nog wel gekocht en gelezen. Wie koopt er nu in een boekhandel in Vlaanderen en Nederland een dichtbundel als De voorbode van iets groots van Dirk van Bastelaere? Ik heb dit gedaan op de Boekenbeurs in Antwerpen van het voorbije jaar en de winkeldochter of verkoopster keek naar mij met grote verwonderde ogen alsof ik een boek in het Sanskriet of het oud-Gotisch wilde.

Ten slotte, in de bloemlezing van Cranshoff staat je foto naast die van Herman de Coninck. Een aantal namen zijn in de literatuurgeschiedenis verdwenen, een aantal dichters zijn nog actief bezig en een aantal mensen zijn reeds overleden. Houden de dichters van de Jonge Vlaamse esthetische poëzie nog contact met elkaar?
Neen. Marcel van Maele heb ik vroeger, lang geleden, diverse malen ontmoet in onze toen nog spookachtige geboortestad Brugge, en Patrick Conrad schrijft nu thrillers en leeft in het zuiden van Frankrijk. Ben Klein leeft nog, maar is blijkbaar verstard, en Adriaan Peel werd een boeddhistische monnik.

Wat mogen we in de toekomst nog verwachten van de schrijver Carette?
De voorbije weken en maanden werkte ik aan mijn zevende dichtbundel Een beeldenstorm of Een beeldenbombardement en ik zou deze bundel graag in de Randstad laten uitgeven. Ook mijn debuut Winter te Damme & andere minder beroemde gedichten van de jonge meester is in 1974 eigenlijk gedeeltelijk in Nederland uitgegeven (Sonneville/Nijgh & Van Ditmar) en het zou mooi zijn dat ik opnieuw in het noorden kan belanden. Wie in Brugge, mijn geboortestad, mijn meest recente dichtbundel Gestolen lucht wil kopen, kan dit niet dadelijk doen, maar moet dit cultboek eerst bestellen. Voorts wil ik nog signaleren dat zowel het verdwenen tijdschrift Gedichtvan Remco Campert in 1976 als ook het verdwenen Maatstaf van de Arbeiderspers in 1996 telkens drie gedichten van mijn bevende hand wilde publiceren. Gelukkig is er nog de onvolprezen Poëziekrant, en Het Liegend Konijn dat mij nu eindelijk ook durft te publiceren. Ik schrijf hier met opzet het werkwoord durft, want ik ben mij bewust van het feit dat ik niet altijd makkelijke en/of modieuze verzen maak. Ik ben misschien hoe dan ook de meest onderschatte en miskende dichter van Vlaanderen, maar daar komt meer en meer verandering in. Ook wanneer ik ergens op een podium sta en een klein aantal gedichten mag voorlezen, komen de luisteraars na afloop naar mij toe en ze vragen mij dan verwonderd waar zij mijn gedichten alsnog kunnen vinden. Een nu zeer actieve dichter en criticus als Philip Hoorne heeft mijn dichtbundel nog altijd niet gerecenseerd op de website van Poëzierapport, want een echte criticus durft risico's te nemen en richt zijn aandacht ook naar wat (nog) niet alom en allerwegen werd aanvaard en gelezen. De uitstraling en uitwerking van goede en zeer goede gedichten werkt soms zo traag als het insijpelen van een traag gif.

Welke dichter bewonder je en welke vraag zou je hem of haar willen stellen?
Ik bewonder, nee, ik voel mij van verre verwant met een trio van levende dichters die ik als de Grote Drie van de Nederlandse poëzie zou willen omschrijven en dit zijn met name: Herman Hendrik ter Balkt (de vroegere Habakuk II de Balker), H.C. ten Berge en Jacques Hamelink. Aan deze laatste zou ik willen vragen om opnieuw een boek als Vuurproeven (De Bezige Bij, 1985) te willen schrijven, als een soort vervolg op dit bij vlagen geniale boek dat voor mij toentertijd een waar lectuuravontuur was en dat als een grootse en meeslepende poëtica fungeerde.

Hendrik Carette - Gestolen lucht
Uitgeverij Poëziecentrum vzw 2006; 56 blz.; € 15,00
ISBN 90 5655 263 5


[gepubliceerd: 5 mei 2007]
 
^