Meander * Eerder * Interviews * Danie Marais
 
Interview met dichter Danie Marais
Verslaafd aan een prachtig, vreselijk land
door Sander de Vaan

De Zuid-Afrikaanse dichter Danie Marais (1971, Kimberley) is te gast op het komende Poetry International Festival (16-22 juni). Meander sprak met hem over poëzie, boze pianistes, dichtende Toearegs, talen in de verdrukking en nog veel meer.


Foto: Leanne Stander/Die Burger
Hoe zou u zichzelf en uw werk voorstellen aan lezers die uw poëzie nog niet kennen?
Mijn poëzie heeft veel gemeen met het werk van Raymond Carver, Anne Sexton, Philip Larkin én van Anne Carson, wier indrukwekkende gedichten ik pas drie, vier jaar geleden ontdekt heb. Wat de Afrikaanse dichtkunst betreft, voel ik verwantschap met Breyten Breytenbach, Gert Vlok Nel en Charl-Pierre Naudé. Verder ben ik aan het begin van mijn schrijversschap sterk beïnvloed door het werk en de poëtische visie van de Duitser Rolf Dieter Brinkmann. Mijn poëzie is toegankelijk en vaak verhalend van aard. Ik koester treffende beeldspraak in korte, verhalende teksten en ben meer geïnteresseerd in emotionele complexiteit dan in een intellectueel discours. Ik tracht mij verre te houden van abstracties en meta-poëzie, behalve wanneer die op organische wijze uit een gedicht voortkomen. Poëzie is voor mij de metafysica van het gevoel. Ik probeer dan ook altijd op een wat naïeve wijze naar een angstaanjagende situatie te kijken. De onlangs overleden Schotse dichter Ivor Cutler beschreef zijn benadering van het schrijversschap in een treffende frase: 'Zet de kraan open en spreek als een kind.' Hopelijk zullen de lezers van mijn langere, verhalende gedichten iets soortgelijks voelen als bij het zien van een scène uit een film van Jim Jarmusch, auteur van onder meer Stranger Than Paradise. Ik houd van zijn trage cameravoering, de intense wijze waarop hij naar zijn personages kijkt. Hij heeft een manier gevonden om eenvoudige mensen waardigheid te verlenen - zijn perspectief maakt hen tot tragische helden. Jarmusch vindt lyriek in het realisme van Tsjechov of Carver, twee schrijvers die ik bewonder. Ik denk dat ik dezelfde missie heb: het minimalisme van onopgesmukt proza combineren met iets poëtisch. Bij het schrijven gaat het mij dan ook om 'esthetische waardigheid', zoals Harold Bloom het ooit uitdrukte.

Wat is uw positie in de hedendaagse Zuid-Afrikaanse dichtkunst?
Uit de recensies van mijn debuutbundel In die buitenste ruimte maak ik op dat men mij als een dichter ziet die de traditionele definitie van poëzie ter discussie stelt door de grens tussen proza en poëzie te laten vervagen. Ik kreeg haast het gevoel dat sommige critici het weliswaar een goed boek vonden, maar dat ze niet goed wisten of het nou poëzie was of een vreemde literaire bastaardvorm.
Ik maak deel uit van een jongerenscene waar poëzievoordrachten regelmatig gecombineerd worden met live muziek. Bij een van de vaste voorstellingen in Stellenbosch, 'Hardop' genaamd, speelt steevast een uitstekende jazzband en dragen mensen hun gedichten voor in het Afrikaans en andere talen. Een interessante mix van kleuren en culturen - iets wat in het oude Zuid-Afrika onmogelijk zou zijn geweest. Tijdens een van mijn laatste optredens aldaar, kwam de tekstschrijver van de Afrikaanse rockband Fokofpolisiekar (Fuck off politiewagen), Hunter Kennedy, op me af met de vraag of hij een aantal gedichten van mij op muziek mocht zetten voor een ander project van hem. Dat vond ik natuurlijk prachtig. Hij gaat ook onder meer aan de slag met gedichten van Ronelda Kamfer, een jonge, boeiende, gekleurde Afrikaanse dichter. Hopelijk zet deze trend door en zal ik er zelf ook deel van kunnen uitmaken.

Waarom schrijft u eigenlijk gedichten?
Dichten is voor mij een manier om de problemen van het leven het hoofd te bieden. Tess Gallagher zei dat Raymond Carver zijn poëzie gebruikte zoals iemand een helikopter zou gebruiken om moeilijk toegankelijke emotionele gebieden te onderzoeken. Ik doe iets dergelijks. Wislawa Szymborska noemde poëzie 'de wraak van de sterfelijke hand', omdat het een gebied is waar de schrijver controle verkrijgt over een in wezen overrompelende, oncontroleerbare situatie. Of, om met Wallace Stevens te spreken: 'Het is geweld van binnen tegen geweld van buiten.' En Charles Bukoswki zei: 'Het eerste waartoe schrijven moet dienen is het redden van je eigen hachje. Doet het dat, dan wordt het vanzelf ook interessant en onderhoudend.' Ik heb het leven altijd als een noodtoestand ervaren. De wereld maakt mij machteloos. Voor mij is schrijven de enige mogelijkheid om greep te krijgen op iets dat mij dreigt te overweldigen.

En wat is voor u, in wezen, poëzie?
Een definitie van poëzie is onmogelijk en dat is voor Wislawa Szymborska iets waaraan ze zich als aan een reling vastklampt. Maar ik denk dat iedere poëzieliefhebber weet wanneer hij of zij door een gedicht geraakt wordt. Een goed gedicht is net zo krachtig als tequila. Er kan wel eens een verslapping optreden, maar op het moment dat je net als James Bond ontdekt dat je drankje 'spiked' is, weet je dat poëzie werkt. Wanneer je door een gedicht verrast wordt, beleef je wat Owen Barfield omschreef als 'een doorvoelde bewustzijnsverandering'. Dit poëtische effect wordt normaliter veroorzaakt door een zekere vervreemding en wat Harold Bloom wel een 'onvermijdelijkheid van uitdrukken' noemde - het gevoel dat woordkeuze en syntaxis van een bepaald gedicht noodzakelijk waren. Bloom citeert uit Tennysons 'Ulysses', als een voorbeeld van 'positieve onvermijdelijkheid van uitdrukken': 'Hoewel er veel wordt geschrapt, blijft er veel over'.
Vaak maakt een voortreffelijk gedicht dat een of twee eenvoudige zinnen blijven na-echoën in het hoofd van de lezer. Het is een magisch effect en gedurende enige tijd ben je met stomheid geslagen. Je wordt stil, bent verrukt, zonder dat je precies weet wat dat effect heeft teweeggebracht. Wanneer zo'n vers een innerlijke aardbeving veroorzaakt, is het poëzie. Goede poëzie slaat hoog uit op de schaal van Richter.

Uit welke goede poëzie put u zelf inspiratie?
Ik lees en herlees dichters als Czeslaw Milosz, Raymond Carver, Anne Carson, Yehuda Amichai, Ted Hughes, Derek Walcott, Wallace Stevens, Philip Larkin, Anne Sexton, John Ashberry en Fernando Pessoa. Hier zijn enkele van mijn favoriete verzen:

Faithful mother tongue,
[]
You were my native land; I lacked any other.
I believed that you would be a messenger
between me and some good people
even if they were few, twenty, ten
or not born, as yet.

Now, I confess my doubt.
There are moments when it seems to me I have squandered my life.
For you are a tongue of the debased,
of the unreasonable, hating themselves
even more than they hate other nations,
a tongue of informers,
a tongue of the confused,
ill with their own innocence.

But without you, who am I?

'My Faithful Mother Tongue' Czeslaw Milosz

I'm just a red nigger who love the sea,
I had a sound colonial education
I have Dutch, nigger, and English in me,
and either I'm nobody, or I'm a nation
[]
I met History once by he ain't recognise me.
[]
I confront him and shout, 'Sir, is I Shabine!
They say I'se your grandson. You remember Grandma,
Your black cook at all?' The bitch hawk and spat.
A spit like that worth any number of words.
But that's all them bastards have left us: words."

'The Schooner flight' Derek Walcott

But the soul is also a smooth son of a bitch,
not always trustworthy. And I forgot that.

'Radio Waves' Raymond Carver

In het gedicht ''n Pass op 'n pap hart' schrijft u:

Die hart is 'n erdwurm -
jy kan hom nie volg nie.
Jy sny net stukke wurm af,
aspris of per ongeluk,
en hulle sukkel-wriemel blind aan,
"weiter"


Foto: Leanne Stander/Die Burger
Originele beeldspraak, al vermoed ik dat u hier weinig vrouwenharten mee zal breken. Is de mens gedoemd zich door dat sukkel-wriemelhart te laten leiden?
Misschien geldt dit niet voor psychopaten en andere individuen die zich afsluiten voor hun gevoelens, maar ik denk dat het voor de meeste mensen wel opgang doet. 'Wat ek met my hart nie kon voel nie / kon ek met my kop nooit bewys nie' schreef Breyten Breytenbach ooit. Ik ben het daar hartgrondig mee eens.
De avond van mijn dronkenmansgesprek met die vrouw in dat café, zag ik de gekkigheid in van de uitdrukking 'Je volgde je hart'. Alsof de listen en verlangens van ons doortrapte mensenhart de goede richting zouden wijzen, alsof je dat blinde, verlangende ding dat je altijd maar meezeult überhaupt kunt volgen... Die uitdrukking impliceerde een volmaaktheid die in tegenspraak was met wat ik op dat moment ervoer. Dat hele gedoe rond 'volg je hart' kwam mij eerder voor als een valstrik, maar wat mij nog het meest verontrustte was de manier waaróp ik er in trapte - een haakje, een draad en een dobber. Tijdens dat gesprek drong dat tot mij door, maar ik vermoed dat veel teleurgestelde romantici zich op een gegeven moment zo voelen. Ik ben nog altijd dol op de eerste verzen van Joni Mitchells song 'The last time I saw Richard':

The last time I saw Richard was Detroit in '68,
And he told me all romantics meet the same fate someday
Cynical and drunk and boring someone in some dark cafe
You laugh, he said you think you're immune, go look at your eyes
They're two blue moons.

U hebt negen jaar in Duitsland gewoond. Hoe beviel dat?
Het was in menig opzicht een ingrijpende ervaring. In Duitsland had ik alle tijd om mijn vaderland, taal en wortels vanuit een ander perspectief te bezien. Mijn blik verruimde en ik hoop dat ik die waardevolle aanvulling nimmer meer zal verliezen. Op het moment dat ik naar Duitsland vertrok, voelde ik mijzelf een radicaal; ik lag namelijk op onverzoenlijke wijze overhoop met de Afrikaanse gemeenschap. Door mijn vertrek kreeg ik als het ware een 'second opinion' van een andere dokter. De eerste Zuid-Afrikaanse 'arts' zei dat ik ongeneeslijk ziek was; zijn Duitse collega oordeelde dat ik gezond was en goed aangepast.
De eerste twee jaar in Duitsland was ik zeer positief over mijn verblijf aldaar. Ik verbleef in Oldenburg, Niedersachsen, in gezelschap van de Duitse studente die ik eerder tijdens een uitwisseling in Zuid-Afrika had leren kennen. Aanvankelijk waren we nog verliefd en viel er een hoop te ontdekken. Ik genoot met volle teugen van alle Duitse culturele mogelijkheden - boeiende films, theater, muziekwinkels - in Zuid-Afrika was het immers behoorlijk moeilijk om films, boeken en muziekalbums uit het alternatieve circuit te vinden. Maar toen de band met mijn vrouw verslechterde, voelde ik mij steeds eenzamer en meer vervreemd van mijn omgeving. Met onze relatie werd Duitsland een soort buitenaardse ervaring voor mij. Ik besefte dat mensen een hechtere band hebben wanneer ze problemen, moeilijke ervaringen of complexe relaties met elkaar delen. Veel zaken waarover men zich in Duitsland beklaagde, vond ik volslagen onbelangrijk, en soms had ik het gevoel dat ik in een vrije val geraakte. Terwijl mijn bestaan in Zuid-Afrika op een heus gevecht leek, werd het leven in Duitsland meer een soort schaduwboksen in mijn kamer. Ik miste mijn oude vrienden en de grote Zuid-Afrikaanse problemen die ik als idealistische student mede hoopte op te lossen. Ik verveelde me stierlijk, raakte gefrustreerd en was eigenlijk volslagen doelloos bezig. Nostalgie en depressieve aanvallen verzwakten mij in belangrijke mate. Ik besefte dat de intimiteit en intensiteit van de menselijke relaties in Zuid-Afrika deels veroorzaakt werden door de angst in het dagelijks leven. In Zuid-Afrika heb je elkaar hard nodig omdat infrastructuur en voorzieningen zeer gebrekkig zijn. Als je autopech op de snelweg krijgt, moet je snel iemand kunnen bellen, want je wordt al vermoord voor een mobieltje of een paar Rand, en op de politie hoef je echt niet te rekenen. Met andere woorden: familie en vrienden zijn erg belangrijk om te kunnen overleven. Het anonieme, eenzame leven van zoveel mensen in Duitsland maakte mij steeds angstiger. Toen ik terugkeerde naar mijn vaderland, was ik op een punt gekomen dat ik dacht dat er een grote kans bestond dat ik in Zuid-Afrika het slachtoffer zou worden van een misdrijf, maar als ik Duitsland zou blijven, was de kans groot dat ik mijzelf iets zou aandoen.

Ik las ergens dat u in Duitsland ook allergisch bent geworden voor klassieke componisten.
Ja, ik ben een muziekfanaat, schrijf over rockmuziek voor de lokale krant Beeld en verzamel allerhande muziek, vooral Americana, country-rock, folk en moderne alternatieve country-variaties. In Duitsland las ik graag muziekbladen en ging ik veel naar muziekwinkels. Maar om de een of andere reden vond ik klassieke muziek niet bijster interessant. Eigenlijk heb ik nooit veel opgehad met tekstloze muziek en opera vind ik snobistisch. Ik kom uit een familie waar klassieke muziek in hoog aanzien staat. Wanneer ik bepaalde symfonieën hoor, zie ik meteen mijn vader weer voor me terwijl hij na de mis de zondagskrant leest, en dan wil ik zo snel mogelijk wegwezen.
Mijn (inmiddels ex-)vrouw was een goede klassieke pianiste. Ze studeerde muziek alvorens ze een carrière als architecte begon. Wij hadden vaak ruzie over muziek. Dan zei ze iets rots over Johnny Cash en noemde ik haar een snob die net zo weinig van folk of countrymuziek moest hebben als van de zuidelijke staten van de VS of de blanke bevolking van Zuid-Afrika (ik heb altijd het idee gehad dat blanke Afrikaners op liberale Southerners uit de VS lijken - dat is ook een van de redenen waarom ik de alternatieve scene in Nashville zo interessant vind. Liberalen uit de noordelijke staten denken meteen dat je een racistische schoft bent en natuurlijk wil je daar niet voor worden aangezien, hoewel je anderzijds je wortels niet kunt verloochenen). Verder hadden we ook geregeld ruzie over andere dingen en wanneer mijn ex-vrouw dan kwaad werd, ging ze piano spelen - meestal Schubert of Chopin, maar soms ook Bach, Brahms of Beethoven. Waarschijnlijk liep ik hierdoor mijn laatste kans mis om ooit nog eens van klassieke muziek te kunnen houden. Als ik nu Chopins Ballade No. 1 hoor, lopen de rillingen over mijn rug. In mijn debuutbundel heb ik trouwens een lang gedicht over haar piano geschreven, getiteld: 'Aan 'n seegroen kombuistafeltjie êrens'.

In uw gedicht 'Hawad, der einzige dichtende Tuareg', bekritiseert u de 'neerbuigende politieke correctheid' in Noord-Duitsland. In welk opzicht was die houding neerbuigend?
Ik geloof dat veel politiek correcte, culturele gestes die voortkomen uit historische schuldgevoelens, ondanks alle goede bedoelingen uiteindelijk nogal neerbuigend werken. Wanneer ik bijvoorbeeld een dichtende native-American zou zijn, wiens werk enkel in The Anthology of Native American Poetry staat, zou ik mij beledigd voelen. Dan zou ik zeggen: 'Luister, als ik niet goed genoeg ben voor The Norton Anthology of Poetry, heb ik ook geen zin om wat rond te spetteren in het kinderbadje dat door de regerende cultuur voor exotische, culturele minderheden is gereserveerd.'
Natuurlijk, het ligt allemaal niet zo eenvoudig en ik ben vóór cultureel respect voor alle minderheden - ik stam zelf uit een culturele minderheid die in het recente verleden grote wreedheden heeft begaan maar ik vind dat de naambordjes voor minderheden en hun culturele vertegenwoordigers bij internationale bijeenkomsten neutraler moeten zijn. Of ze zouden op zijn minst moeten aangeven dat iemand daar is vanwege zijn artistieke kwaliteiten en niet omdat hij toevallig de enige 'vertegenwoordiger' was die ze konden vinden.
Doordat Hawad in het festivalprogramma 'de enige Toeareg-dichter' werd genoemd, leek hij wel een vuurvreter of een elephant man, meer een rariteit dus dan een serieuze kunstenaar; hij werd in een cultureel hokje weggemoffeld. Toen ik dat gedicht schreef, was ik de enige Afrikaanssprekende inwoner van Bremen en ik identificeerde mij dan ook sterk met Hawad. Had ik in zijn schoenen gestaan, dan had ik nooit zo betiteld willen worden.
Tijdens mijn verblijf in Duitsland ben ik erg gevoelig geworden voor de wijze waarop kunst uit exotische oorden in West-Europa benaderd wordt. Vlak voor mijn terugkeer naar Zuid-Afrika organiseerde ik in Berlijn een expositie voor de Afrikaanse comic-punks van Bitterkomix. In hun werk vind je een zeer iconoclastische, maar ook zeer waarachtige beschrijving van het claustrofobische blanke deel van Afrika waar ik ben opgegroeid. Maar Duitse bezoekers leken van oordeel dat het werk weliswaar cool en erg verfijnd was, maar niet echt 'Afrikaans', omdat ze er kenmerken van Robert Crumb en andere Amerikaanse underground-invloeden in meenden te ontdekken. Hierdoor wordt het recht op definiëring aan de kunstenaar ontzegd, die zelf heel goed weet wat zijn oorsprong en die van zijn werk is. Ik ben ervan overtuigd dat niemand er bezwaar tegen had dat Paul Simons 'Graceland' niet echt 'Amerikaans' was. Sterker nog, hij kreeg er waarschijnlijk een Grammy voor. En geen enkele Zuid-Afrikaan zou ooit durven beweren dat de kunst van een Duitse, in Johannesburg exposerende kunstenaar niet echt 'Duits' zou zijn.

In hetzelfde gedicht schrijft u:
hoe ek weet
van skipbreuk-roei met die tong
in 'n sinkende idioom.
Hawad, ek sien jy weet hoe dit voel
om dooie woorde
te slinger na stilte

Is het Afrikaans werkelijk een 'sinkende idioom'?
Ik ben nu niet meer zo pessimistisch gestemd als toen ik dat gedicht schreef. Ik werd daar in die regio als enige Afrikaanssprekende inwoner voortdurend geconfronteerd met slecht nieuws uit mijn vaderland en ik kreeg daardoor een steeds negatievere gemoedsgesteldheid. Voor mij voelde het alsof het Afrikaans op de een of andere manier al gestorven was. Maar dit is zeer zeker niet het geval, hoewel de toekomst van het Afrikaans uiterst gecompliceerd blijft. Een groot deel van de culturele productie in het Afrikaans - literatuur en toneel - vond plaats met de nationalistische, politieke bescherming van het Apartheidsregime. Daar kwam een eind aan en in veel opzichten was dat ook goed. De taal is nu bevrijd van het stigma 'onderdrukkerstaal'. Aan de andere kant heeft het Afrikaans in het publieke circuit veel terrein verloren - rechtbanken, civiele diensten, veel universiteiten - en het is nog onduidelijk wat voor effect dit op de taal zal hebben. Wat overigens niet wil zeggen dat de taal ook uitsterft, maar het lijkt er wel op dat de taal een stuk of twee organen is kwijtgeraakt. Of het ook vitale organen betreft, valt nog te bezien.
Het afgelopen decennium zijn er voor de oude structuren nieuwe in de plaats gekomen. Neem bijvoorbeeld nationale kunstfestivals als Klein Karoo Nasionale Kunstefees en Aardklop in Potchefstroom. Het is nu zaak om deze evenementen financieel gezond en cultureel compleet te maken. Helaas werden veel gekleurde Afrikaanssprekers door de blanke Afrikaanse gemeenschap van zichzelf vervreemd en ik hoop dat de verstandhouding tussen blanke en gekleurde Afrikaanssprekers nu zal verbeteren. Verder zijn de culturele uitwisselingsprogramma's met Nederland en België ook van belang en beide partijen kunnen daarvan profiteren. De geïsoleerde positie van het Afrikaans tijdens de Apartheid was absoluut niet gezond voor de taal, noch voor de Afrikaanse schrijvers en intellectuelen. En Nederlandse en Vlaamse kunstenaars kunnen misschien inspiratie opdoen in de vele werelden die tezamen Zuid-Afrika vormen.

Hoe staat de Afrikaanse poëzie er eigenlijk voor?
De laatste zeven, acht jaar is de belangstelling voor Afrikaanse poëzie gegroeid. Er zijn bloemlezingen verschenen met een aantal interessante nieuwe dichters en verder hebben bekende auteurs als Antjie Krog, Petra Müller, Charl-Pierre Naudé, Henning Pieterse en Breyten Breytenbach belangwekkende nieuwe gedichten gepubliceerd. Festivals als Die Versindaba en Die Woordfees bleken erg succesvol en ook gecombineerde avonden met muziek van zanger-songwriters en poëzievoordrachten zijn inmiddels zeer populair. De Afrikaanse poëzie blijft wel een cultureel buitenbeentje, maar dat geldt voor alle poëzie.

Wat vindt u van de Nederlandse taal, in relatie tot het Afrikaans?
Mijn eerste bezoek aan Nederland greep mij bijzonder aan. Het voelde tegelijk vreemd en vertrouwd. Ik genoot volop van de straatnamen en de teksten in de winkeletalages. Het was ook verbazingwekkend hoezeer twee groepen mensen die in wezen dezelfde taal spraken zich de afgelopen twee, drie eeuwen tot zulke culturele uitersten hadden ontwikkeld: blanke Afrikaners die de tweede helft van de twintigste eeuw als conservatieve, racistische stinkdieren werden beschouwd en daartegenover de Nederlanders, leden van een van de meest liberale democratieën ter wereld.
Op school las ik Nederlandse korte verhalen, romans en gedichten. Wanneer je Afrikaans op de universiteit studeert, wordt het 'Afrikaans-Nederlands' genoemd. Voor mij, en ik neem aan voor de meeste Afrikaanssprekenden, klinkt Nederlands zoals het Engels van Shakespeare hedendaagse Engelssprekenden in de oren moet klinken. En dat is grappig, want ik weet dat Nederlanders het Afrikaans als ouderwets beschouwen, of - vanwege de eenvoudigere grammatica en werkwoordstijden - als een rudimentair, door buitenlanders gesproken Nederlands. Op een dag bestelden wij patat in een Belgische friettent in Amsterdam en een vriend van mij probeerde Afrikaans te spreken tegen de buitenlander achter de toonbank. Die arme drommel was geschokt omdat hij dacht dat mijn vriend hem belachelijk maakte vanwege zijn Nederlandse uitspraak.

We lezen steeds meer negatieve berichten over Zuid-Afrika, vooral wat betreft de veiligheid. U bent in 2002 teruggekeerd; is die berichtgeving overdreven?
Aids en werkloosheid zijn enorme problemen en de misdaad tiert inderdaad zeer welig. Er gebeuren vreselijke dingen; het aantal moorden en verkrachtingen is schrikbarend hoog. Maar ik hoop echt dat er drastische maatregelen voor het WK 2010 genomen zullen worden. Overigens geloof ik soms ook dat de rijke Zuid-Afrikanen te veel klagen. Het zijn nog altijd de arme, voornamelijk zwarte gemeenschappen die het belangrijkste slachtoffer zijn van de misdaad en het banditisme. Maar Zuid-Afrika is ook een prachtig, opwindend land waar een hoop goede dingen gebeuren. Sinds de afschaffing van de Apartheid groeit de economie gestaag en je vindt er nog altijd veel hartelijke, goedwillende mensen. Veel mensen doen echt hun best om wat van hun land te maken. Een journalist zei het ooit als volgt: 'Voor iedere Zuid-Afrikaan met een pistool zijn er tienduizend anderen die een helpende hand toesteken.'
De toekomst blijft uiterst ongewis, maar ik heb inmiddels Zuid-Afrika als mijn lotsbestemming geaccepteerd. Een leven buiten dit rare, vreselijke, prachtige land lijkt mij niet zo zinvol. Als je uit Zuid-Afrika vertrekt, word je overal achtervolgd door slecht nieuws en zorgen, maar blijf je, dan vind je er ook zonneschijn, veel hoop en schoonheid. Leven in Zuid-Afrika is leven in grote strijd en angst, maar ook in extase - je dieptepunten zijn dieper, je hoogtepunten hoger, en daar raak je aan verslaafd.


[gepubliceerd: 19 mei 2007]
 
^