Meander * Eerder * Interviews * De fraaie toevalligheid die het leven is
 
Interview met Spaanse generaal/dichter
De fraaie toevalligheid die het leven is
door Sander de Vaan

Generaal Juan Carlos Rodríguez Búrdalo is werkzaam bij de crisisstaf van de Spaanse premier Zapatero. Maar hij schrijft ook gedichten en kan bogen op zestien publicaties én een vertaalde bundel in het Italiaans. Sander de Vaan sprak met een bijzonder man die een voorkeur heeft voor weemoedige teksten en geobsedeerd is door het verstrijken van de tijd.

Generaals die dichten zijn dun gezaaid in de wereld. Waar komt uw liefde voor de poëzie vandaan?
De combinatie generaal en dichter komt inderdaad niet veel voor. Sinds mijn vroegste jeugd las ik graag gedichten. Veel van de geïllustreerde verhaaltjes die ik las, gingen vergezeld van teksten op rijm, die ik uit mijn hoofd leerde en vervolgens tot genoegen van mijn naasten en tot begripvolle berusting van bezoekers regelmatig voordroeg. Als kind bracht ik mijn vakanties door in het huis van mijn grootouders, in een eenvoudige buurt in Cáceres. Een van mijn geliefde plekken daar was een patio met putters, twee honden en een koffer vol nutteloze spullen - een ware schat temidden van alle armoede na de burgeroorlog. Verder was er ook een oude, netjes geordende kast met de boeken die mijn opa in de loop van zijn leven had verzameld: romans, geschiedenisboeken, filosofische werken, toneelstukken en twee poëziebundels.


De echte poëzie ontdekte ik pas later. Ik zie nog - haast als op een foto - de literatuurboeken uit mijn middelbare schooltijd voor me, beduimeld en volgeklad door meerdere generaties leerlingen aan het Madrileense wezeninternaat waar ik toen verbleef. Daar ontdekte ik Gustavo Adolfo Bécquer en de poëzie. Ik zou niet weten of het zijn romantische gedichten waren, mijn persoonlijke omstandigheden of een mengeling van beiden, maar mijn eerste echte poëtische ervaring was doordrenkt van melancholie en weemoed.
Vandaag de dag zijn de critici het erover eens dat ik een nostalgische, weemoedige, eenzame dichter ben met een huurflatje in het geheugen. Ik geef ruiterlijk toe dat ik al op jonge leeftijd melancholiek was, als gevolg van mijn ervaringen. Ik was verstoken van genegenheid en erg eenzaam in een belangrijke, beslissende periode van mijn leven. Dat eenzame gevoel is stevig verankerd in mijn karakter en mijn teksten. Op het kruispunt van die introverte eigenschap en een zekere hang naar romantiek, ontstond door de invloed van Bécquer en het ontbreken van de mogelijkheid om andere belangrijke dichters te lezen mijn voorkeur voor weemoedige, elegische teksten.

En wanneer begon u zelf gedichten te schrijven?
Dat was in mijn jongelingsjaren, waarschijnlijk naar aanleiding van mijn eigen lotgevallen. De puberteit maakte de eerste verzen met enige betekenis en gevoel in mij los. Maar, ik moet ook zeggen dat ze vakmanschap ontbeerden, omdat ik tot dat moment nauwelijks goede dichters had kunnen lezen. Mijn gedichten waren dan ook nogal naïef en onbeholpen geformuleerd. Ik heb er een paar bewaard in een oude map. Als ik ze nu herlees, zie ik dat ik behoorlijk goed overweg kon met achtlettergrepige verzen en assonantie. Bovendien schuwde ik de ironie niet en was ik ook toen al geobsedeerd door de dood en het verstrijken van de tijd. In die periode, waarin ik zoveel ontbeerde, vormden mijn gedichten mijn mooiste bezit.
Vanaf 1982 begon ik pas serieus met het schrijven van poëzie. Ik schrijf alleen wanneer een bepaalde gevoelsstemming, bepaalde indrukken, situaties of herinneringen mij daartoe aanzetten. Mijn poëzie is gebaseerd op mijn eigen levenservaring, de herinnering aan mijn ervaringen en de verbeelding van wat mijn levenservaring had kunnen zijn. De reden om een gedicht te schrijven houdt bijna altijd verband met het zoeken naar een duister antwoord op de fraaie toevalligheid die het leven is. Met vele anderen beschouw ik het schrijven van poëzie als een vorm van zelfredding - met jezelf als belangrijkste lezer - maar daarnaast ook als een vorm van communicatie met anderen.

U had het zo-even over uw persoonlijke lotgevallen. Uit een artikel in de krant El País begreep ik dat uw vader, een jonge Guardia Civil, ná de burgeroorlog door een gewonde maquis in de rug werd geschoten. Is hij - al dan niet direct - aanwezig in uw gedichten?
Wanneer ik het over mijn obsessie voor de dood heb, doel ik op het tragische lot van de mens: leven om te sterven, enkel op doortocht zijn, terwijl de mens een enorme innerlijke drang voelt om te overleven, om eeuwig voort te bestaan. Daarom is het verstrijken van de tijd zo'n belangrijk thema in mijn poëzie - al wat de tijd losmaakt en met zich meeneemt: onschuld, de eerste liefdes, de puberteit, licht, vrienden...
Mijn vader kan ik mij niet herinneren. Ik heb hem niet gekend, ben eerst vijf maanden na zijn tragische dood geboren. Hij was nog erg jong en pas vijf maanden getrouwd. Wat ik van hem weet, heb ik van mijn moeder gehoord, maar dat is niet veel. Ze waren per slot van rekening nog niet lang getrouwd. Hij komt dan ook niet in mijn poëzie voor. Mijn moeder wel en, vooral, mijn grootouders van moederskant, in wier huis ik heb gewoond totdat ik op zevenjarige leeftijd naar het wezeninternaat van de Guardia Civil ging. Aan hen heb ik verschillende gedichten uit de bundel Ten zuiden van de sterren opgedragen. Men zegt dat ik van mijn vader wellicht diens onirische wereldbeeld heb geërfd. Hij schijnt een dromerige jongeman te zijn geweest, altijd zwervend door de natuur en dol op vogels kijken.

Wanneer men het over de Spaanse Burgeroorlog en de nasleep daarvan heeft, in combinatie met poëzie, valt vrijwel altijd de naam van Federico García Lorca en - in mindere mate - Miguel Hernández. Heeft hun dood een verlammend effect gehad op de ontwikkeling van de Spaanse dichtkunst?
Ik zou het niet 'verlammend' durven noemen, maar hun dood is wél ingrijpend geweest. Als zij niet zo jong gestorven waren, hadden ze vrijwel zeker ook in de daaropvolgende jaren voor andere, nieuwe invloeden in de Spaanse poëzie van de twintigste eeuw kunnen zorgen en dus ook voor nieuwe, solide trends in de hedendaagse dichtkunst.

Hoe reageert uw omgeving doorgaans op het feit dat u dicht?
In het algemeen onverschillig, uitzonderingen daargelaten, hoewel ik ook de nodige felicitaties ontvang wanneer ik weer eens een nieuwe bundel presenteer. Maar feit is dat er buiten mijn beroepsgroep meer belangstelling en waardering voor mijn dichtwerk is. Tijdens poëtische voordrachten bestaat circa vijf procent van het publiek uit collega's. Het gaat hier natuurlijk niet om persoonlijke motieven, maar om een gebrek aan belangstelling voor poëzie.

De voormalige minister van defensie José Bono is een groot bewonderaar van uw dichtwerk. Zijn er meer Spaanse politici in poëzie geïnteresseerd?
Bij José Bono spelen twee dingen een rol: we zijn met elkaar bevriend én hij waardeert mijn poëzie. Van andere politici, zowel ter linker- als rechterzijde, weet ik dat ze mijn gedichten graag lezen, maar je zult begrijpen dat ik hier niet teveel namen wil noemen. Wat de dichtkunst in het algemeen betreft, denk ik dat er onder politici verhoudingsgewijs evenveel lezers zijn als in andere geledingen van de samenleving.

Zou de politiek niet méér gebruik moeten maken van de poëzie, als het gaat om ideeën, gevoelens?
Absoluut. Gabriel Celaya zei ooit dat de poëzie een met toekomst geladen wapen is. Een andere schrijver, Martínez Mesanza, definieert de dichter als iemand die de dingen in deze wereld bekijkt en hun betekenis achter hun chaotische verschijningsvormen tracht te doorgronden. Als je deze twee definities samenvoegt, kun je geen andere conclusie trekken dan dat de politiek veel baat bij meer poëzie zou hebben.

U bent een groot bewonderaar van Claudio Rodríguez, een dichter die in het Nederlandse taalgebied helaas niet erg bekend is, hoewel hij magnifieke gedichten heeft geschreven, zoals Ajeno.


VREEMD

Voor hem die niet liefheeft wordt de dag lang
en hij weet dat. Hij hoort dit korte en harde
klokgelui van het lichaam, zijn gebroken
melodie die altijd naar verte klinkt.
Hij sluit zijn deur en ze blijft goed gesloten;
hij gaat buiten, en even knikken zijn
knieën naar de grond. Maar de dageraad
verfrist hem en richt hem op met geduchte
grootmoedigheid. Erg helder is zijn straat,
en met donkere stap doorloopt hij haar
en strompelt dan meteen omdat hij slechts
met zijn vermoeidheid loopt. En hij spreekt lucht:
dode woorden met zijn levende mond.
Gevangene door liefdesnood, omarmt hij
de eigen eenzaamheid. En veilig is hij,
veiliger dan wie ook omdat hij niets
bezit: en hij beseft goed dat hij nooit
hier, op aarde, zal wonen. Die niet liefheeft,
hoe kunnen wij hem kennen of vergeven?
Lang is de dag en langer nog de nacht.
Hij zal liegen als hij de sleutel neemt.
Naar binnen gaan. En zijn huis nooit bewonen.

vertaling: Fa Claes


Wat spreekt u vooral aan in zijn werk?
Claudio Rodríguez is één van de Grote Spaanstalige dichters aller tijden. Hij introduceerde in zijn poëzie een nieuwe, onthullende mystiek, door op magistrale wijze de mens één te maken met de aarde, met de natuur en vooral met het rurale leven in een Castiliaanse provincie halverwege de vorige eeuw. Als geen ander daalde hij af in de menselijke geest om haar in zijn poëzie te verankeren. Hij was bijzonder origineel in zijn poëtische standpunten en heeft voor meerdere generaties als leermeester én spiegel gefungeerd. Als we ook nog eens bedenken dat hij Gave van dronkenschap, zijn beste boek, tussen zijn zeventiende en negentiende schreef, is het niet overdreven hem met de door hemzelf zo bewonderde Rimbaud te vergelijken. Ik ben het trouwens helemaal met je eens dat 'Ajeno' een van zijn beste gedichten is.

Zijn er nog andere dichters die u inspireren?
Afgezien van mijn Bécqueriaanse passie en enkele andere invloeden, kan ik inmiddels, na het lezen van zoveel poëzie, met een gerust hart stellen dat ik geen bepaald oeuvre zou kunnen noemen, maar wél bepaalde bundels en, liever nog, bepaalde gedichten. Mijn band met een dichter wordt vooral bepaald door de mate waarin hij bij mij gevoelens weet op te roepen. In esthetisch opzicht, zeker, maar een goed gedicht moet mij ook in zijn volledigheid raken. Ik moet er - zoals de Fransen zo mooi zeggen - door 'touché' worden.
Hoe het ook zij, ik zou in ieder geval twee bundels willen noemen die er voor mij uitspringen: Gave van dronkenschap van Claudio Rodríguez dus, en Herfst van rozen van Francisco Brines. Verder lees ik ook graag gedichten van Antonio Machado, Luis Cernuda, Luis Rosales, Gil de Biedma, Rafael Morales, Wordsworth, Kavafis, Neruda, Eugenio de Andrade, Ives Bonnefoy...

En Jorge Luis Borges? Die hield zich ook voortdurend bezig met het verstrijken van de tijd, de dood, het geheugen...
Van Borges heb ik vooral proza gelezen. Zijn aandacht voor de vluchtigheid van ons bestaan en de redding die hij voorstelt via het geheugen, spreken mij zeer aan, maar 'raken' doet hij mij minder. Soms mis ik in zijn gedichten het gevoel dat de dichters die ik eerder noemde wél met hun poëzie weten op te roepen. Aan de andere kant is dat ook wel te begrijpen, als je mijn liefde voor elegische teksten vergelijkt met de Borgiaanse voorkeur voor het epische genre. Wat ik aan Borges waardeer, is zijn verbeeldingskracht en zijn passie voor het schrijven. En sommige verzen vind ik schitterend, zoals deze uit 'Beperkingen':


Ik meen, steeds verder weg, in 't ochtendgloren
een druk rumoer van menigten te horen.
Het zijn die mij beminden en vergaten,
nu ruimte en tijd en Borges me verlaten.

vertaling fragment: Eric Coenen

Sommige dichters beginnen aan een nieuw gedicht naar aanleiding van een zin, anderen baseren zich liever op een beeld of een idee. Wat is voor u doorgaans het beginpunt van een gedicht?
Ik heb daar geen vaste regel voor. Soms ontstaat er een beeld na iets wat ik in de metro of de bus heb gehoord of schiet mij een herinnering te binnen... Een andere keer is het de blik van iemand, een landschap, een tekst die ik lees of de plotselinge herinnering aan iets dat ik eerder las en mij toen iets suggereerde. Het heeft in wezen allemaal met een bepaalde gemoedstoestand te maken...

'Branden' is een woord dat - in verschillende vervoegingen - regelmatig in uw gedichten opduikt. Waar komt uw voorkeur voor dit woord vandaan?
Het is één van die woorden waar ik verliefd op ben. Misschien omdat het als weinig andere woorden de ruggengraat van mijn poëzie aangeeft: het verstrijken van de tijd, het tijdelijke van dit bestaan.

Uw gedichten zitten qua ritme en muzikaliteit uitstekend in elkaar. Ze zijn daardoor ook zeer geschikt om voorgedragen te worden. Is dit een aspect waaraan u veel werkt?
Ja, ik hecht veel belang aan het ritme, omdat de muzikaliteit van het vrije vers woorden poëtische vleugels geeft. Ik voltooi een gedicht dan ook nooit voordat ik het verschillende malen hardop heb voorgelezen.

Wat zijn uw poëtische plannen voor de toekomst?
Net als veel anderen geloof ik dat een dichter in zijn leven maar één boek schrijft, waarop hij vervolgens keer op keer varieert. Ik veronderstel dat mijn poëzie zich in de toekomst zo zal blijven ontwikkelen. Maar ik zeg met nadruk 'veronderstel', want mijn huidige functie en verantwoordelijkheden maken het mij momenteel onmogelijk om gedichten te schrijven. Ik weet dat dit van voorbijgaande aard is, maar toch krijg ik er een vreemd, verweesd gevoel van.


Drie gedichten van J.C. Rodríguez Búrdalo - vertaling: Fa Claes

(Voor mijn grootmoeder Dolores, in memoriam)

Op een verre en herhaalde dag gebeurt het.
De kinderen zijn gekomen, het brood geurt.
De liefde is opgediend; de koffie dampt.
Intussen vlucht de middag naar de sterren.

Opa stort zijn uitgebreide woord uit
en allen drommen samen in zijn stem en in het licht;
het is tijd om gevoelens te koesteren,
om wazige kasten herinneringen leeg te halen,
om heuvels hoop geregeld op te zoeken.
Oma, vlijtige tederheid, loopt heen en weer
en het kind dat ik was houdt haar in 't oog:
verbeeld je een koker met liefheid om
de kleur van die ogen weer te geven;
begrijp dat ze mooi was als de kersen
en veel liefhad en zwak werd van het baren
en ongelukkig was en niemand wat verweet,
en eenzaamheid kende, en desillusies, en bovendien vergaf.
Vandaag,
door dit verhaal, dat ik ontroerd noteer,
door zijn voor altijd dappere bladzijden
blijft er maar één plaats voor vergetelheid:
wat klinkt uit een gewoon en klein stuk grond
en uit een karig bericht op het marmer.


LAATSTE AFFECTIES

                                   Toute grâce et toutes nuances
                                   Dans l'éclat doux de ses seize ans
                                                  Paul Verlaine
I

En zij was toen: meisje dat nauwelijks vermoedt
wat ze toont, wat dubbel broeit
opgepropt in onbeheerst textiel,
gitaar met het vroegrijpe lied
in vrouwenhuid verzacht.
En zij was toen,
op die dag uit geen tijd,
aanwezigheid die misschien nooit bestond,
want nu
          ik tracht me haar te herinneren
ben ik haar misschien alleen aan het verbeelden
omdat de mens alleen door zich te herinneren scheppen kan.

II

Het regent vandaag in de tuin van het geheugen,
het regent en ik twijfel aan de glans die naar mijn pupillen stroomt
nu het meisje voorbijkomt dat haar indolente
weelde openlijk aanprijst,
de korf vol ogenblikkelijke vrouw;
zij, vrouw en adolescente, die naar me kijkt,
tarwe en vruchtvlees die om rijsmiddel vragen
terwijl twee vluchten licht en kanteel in het wilde weg
in haar blouse opspringen.
Het regent juni in de tuin van het geheugen,
het regent en ik twijfel aan zoveel dat in mijn pupil voorviel
want ik weet met spijt dat het meisje van vroeger
en het wrede lichaam dat mij nu verwart
spiegel zijn van eenzelfde vlees,
bitter kwikzilver van eenzelfde leven,
van die mythe en van deze verbazing,
totale vrouw die mijn borst warmt in de winter
en in de lente mijn ogen vult;
licht dat alles doet stralen wat mijn herinnering omgrijpt.
En ik weet dat niets het voorbije terugbrengen kan,
dat niets de dageraad kan herhalen;
en dat ik van zijn afgrond genoot,
want ik hield de precieze schoonheid vast
die de jeugd ons geeft.


HET OPGEBRANDE LICHT

Gelukkig was de dag, maar is ten einde.
Bij het bijeenzoeken van het geluk
dezer uren voel ik me diep bewogen:
te weten dat ik van de levensgaven
één meer verdeed. Zijn licht is opgebrand.

Zijn onvervangbare wijn berg ik nu op
en als de droefheid mij bezoeken wil,
ik weet te goed dat wat opbrandt niet weerkeert,
dat wij alleen de cijns zijn van de tijd,
stof en droom om het terloopse te kloven.

De tijd beloont niet, deelt geen straffen uit,
kijkt toe, passief; de dingen gaan voorbij,
zoals de dag voorbijgaat die ik opmaakte
en aan mijn grenslijn dooft een licht te meer.



[gepubliceerd: 22 september 2007]
 
^