Meander * Eerder * Interviews * Peter Winnen
 

Interview met schrijver/wielrenner Peter Winnen
Wielrennen is een poëtische bezigheid
door Sander de Vaan

Peter Winnen maakte in de jaren tachtig faam als wielrenner. Hij werd Nederlands kampioen, won tweemaal de 'koninginnenrit' naar Alpe d'Huez en eindigde als derde in het Tour-eindklassement. Maar Winnen is ook een uitstekend schrijver en dol op poëzie. Sander de Vaan sprak met hem over het 'D-woord', soigneren, 'ut', veterinairs en andere zaken.


Foto: www.posthumadeboer.com


Voor aanvang van de Ronde van Frankrijk zei u over het wielrennen: 'De ziel is uit de sport'. Hoe denkt u daar nu, ná de Tour over?
Het is nog steeds een behoorlijk labyrint in die sport. Het leek er al een paar jaar op dat grote partijen als de Tourorganisatie, de wereldbond UCI en de antidopingorganisatie WADA ieder afzonderlijk hun uiterste best deden om het wielrennen naar zich toe te trekken en daarbij de acteurs helemaal te vergeten. Ze klopten vooral zichzelf op de borst en beschouwden de wielrenners als een soort geboefte dat gevangen moest worden. Aan de andere kant zijn er vanuit rennersperspectief ook onbegrijpelijke dingen gebeurd. Een aantal coureurs tilde de medische begeleiding naar een dusdanig niveau dat het een soort Mengele-achtige experimenten werden en er een tamelijk ondoorzichtige bewapeningswedloop ontstond. Vreemd genoeg was men daar in het peloton helemaal niet zo blij mee, maar men liet het wél gebeuren. Een bezopen omertà dus...

Volgens Franse kranten zou Michael Rasmussen een epo-derivaat hebben gebruikt. Zevenvoudig Tourwinnaar Lance Armstrong heeft de Franse pers én laboratoria vaak bekritiseerd. In hoeverre zijn die berichten dan te vertrouwen?
Daar kun je alleen maar naar gissen. Maar als je ziet wat voor gelekte berichten L'Equipe tijdens de afgelopen Tour publiceerde, ga je haast een politieke actie vermoeden. Dat zou zeker eens onderzocht moeten worden. En dan de zaak Landis: daaruit blijkt dat het betreffende Franse laboratorium ook niet altijd even betrouwbaar was.

Is, met de komst van epo, de tijd definitief voorbij dat grappen en grollen van de soigneurs d'n allerbeste drog waren (citaat uit Peter Winnens Van Santander naar Santander red.)?
Ja, de tijd van het 'romantische wielrennen' is voorbij. In kleinere circuits bestaat het nog wel, maar in de professionele sport is het fini. Sterker nog: toen de zware medicatie begin jaren negentig in het peloton kwam, hebben diverse soigneurs afgehaakt omdat ze niet meer in die sport wensten te werken.

Maar, zoals u zelf al in Van Santander naar Santander aangaf: in de jaren tachtig waren er mensen die zeiden: 'as ge rap wilt rije, manneke, dan moet ge langs d'n veterinair'...
Klopt, dat was een assistentploegleider. Toen ik dát hoorde, kon ik mijn oren niet geloven. Het was indertijd trouwens wél gevaarlijker, omdat je met soigneurs te maken had die weliswaar zeer ervaren waren, maar geen theoretische medische achtergrond hadden. Ze sloegen vaak zelf aan het experimenteren, met soms kwalijke gevolgen. In mijn tijd werkte men bijvoorbeeld met hypofysehormonen. Ik heb gezien dat coureurs zichzelf in drie maanden tijd opbliezen...

Hoogleraar Heiko van Staveren zei onlangs dat sport een vorm van entertainment is en dat men zich bij andere vormen van entertainment nooit afvraagt of de hoofdrolspelers stimulerende middelen gebruiken. Volgens hem houdt men zich in de sport vooral met het 'imago' bezig. 'Doping mag niet, maar manipulatie van kinderen wel,' zo luidde Van Staverens kritiek. Bent u het met hem eens?
Op dit laatste punt wel. Als je kijkt naar al die kleine turnstertjes, dan vraag je je af: welke ouders staan dit in godsnaam toe? Als je van je dochter houdt laat je haar nooit naar zo'n trainer gaan, laat staan dat je haar zelf met de auto brengt. Maar in die vergelijking met artiesten zie ik niet zo veel. Sport is erg fysiek, de souvereiniteit van je lichaam komt erbij kijken, evenals je klasse. Bij een artistieke prestatie speelt geen echte competitie en het is ook nog maar de vraag of whisky en dergelijke werkelijk zo prestatiebevorderend zijn.

U sprak als een van de eerste wielrenners openlijk over dopinggebruik. Aanvankelijk kreeg u veel, soms zeer zware kritiek. Zijn die reacties nu minder negatief?
Nu men met andere ogen naar de problematiek kijkt, word ik beter begrepen. In die tijd, toen de Festina-troep al op straat lag, verbaasde het me dat er nog steeds zo raar naar doping werd gekeken, terwijl het juist om de zin en onzin van doping ging. Iedere nuance was toen zoek en ik werd flink aangevallen.

Ook door Gerry Knetemann, maar daar kon u geloof ik wel om lachen...
Dat ging middels een correspondentie, die had ik al eens eerder met hem gevoerd. Maar ik vond het wel tof van hem. Hij streed in ieder geval met open vizier. De Kneet was nog van de oude stempel. Hij nam het woord 'doping' nooit in de mond, maar had het over het 'D-woord'. In onze correspondentie schreef hij zelfs steevast 'ut'... Hij dacht dat de sport zelf zijn problemen zou kunnen oplossen, wat ik bestreed - en dat bleek te kloppen.

Wat vond u van de uitspraak van UCI-voorzitter Pat McQuaid over de verschillen tussen de 'angelsaksische' en de 'maffiose' West-Europese cultuur?
Hij heeft gelijk wanneer hij stelt dat er door de Amerikanen en Australiërs aan de poten van de West-Europese wielertraditie wordt gezaagd. Maar die angelsaksen waren in mijn tijd ook al geen lieverdjes. Ze waren alleen individueler bezig, minder geënt op de Europese dopingtraditie. Hier lag de nadruk op 'soigneren', het onderhouden van een lichaam, zoals je een auto onderhoudt. Dit was een volstrekt aanvaarde methode, ongeacht de middelen, en wellicht leidde dát tot dat absurde controlesysteem. Men maakte er een spel van: als je niet positief getest werd, had je 'dus' geen doping genomen... En vervolgens kon men zichzelf na de introductie van epo geen halt meer toeroepen.

Hoe denkt u dat de relatieve wetteloosheid rond doping in de wielrennerij uit te bannen is?
Het is de vraag of het uitgebannen moet worden. Elke nuance is momenteel zoek. Een nultolerantie is mijns inziens haast onmenselijk. Indien er een moment is waarop een coureur als een patiënt behandeld dient te worden, moet dat ook kunnen.

Maar waar ligt dan de grens? Mag een coureur die een Alpenrit wint en vervolgens op apegapen ligt bijvoorbeeld testosteron tot zich nemen?
Laat hormoonpreparaten op de dopinglijst staan, maar infusen en dergelijke mogen best van mij. Het is sowieso moeilijk om een dopinglijst op te stellen. Iedere sport zou een eigen lijst moeten hebben. Wat we nu zien, is dat de charme en schoonheid van de sport zijn aangetast. Wielrennen behoort een uitputtingsslag te zijn, maar ik zie al twintig jaar geen uitgebluste renners meer in Parijs arriveren...

In een recent boek over de beste Tourrijders eindigde u op plaats 102. Wie waren volgens u de besten?
Eddy Merckx was ongetwijfeld een van de grootste coureurs. Ik ken hem alleen van tv en kranten, én omdat ik ooit op een fiets van hem heb gereden. Ik ben ook wel eens in zijn fabriek geweest. Het aardige was dat hij nog steeds een grote zorg aan de dag legde voor zijn oude knechten. Die had hij allemaal aan een baan geholpen. Ook dát was Merckx.
Maar mijn ijkpunt is Bernard Hinault, omdat ik in het peloton heb gezien wat hij allemaal kon. Dat was tegen het onbegrijpelijke aan... Ik zou hem zelfs nog hoger inschatten dan Armstrong. Die reed met zijn ploeg drie weken aan kop in de Tour, terwijl Hinault alles in zijn eentje controleerde.

Mart Smeets nam u op in zijn boek 100 Mannen. Hij zegt daarin over u: 'Hij was en is een bijzonder kind.' Kunt u zich daar in vinden?
Wat Smeets waarschijnlijk bedoelde, is dat ik een iets andere achtergrond had dan de gemiddelde coureur uit die tijd. Ik had op school gezeten en wielrennen was niet mijn prioriteit, totdat ik zonder werk kwam te zitten. Nu ligt dat anders, de huidige coureursgeneratie heeft een bredere achtergrond.

U hebt van jongsafaan een voorliefde voor poëzie betoond. Was u in dit opzicht ook 'bijzonder' in het peloton?
Bij mijn weten wel. Maar er waren er wel meer die veel lazen. De Kneet was bijvoorbeeld een liefhebber van historische literatuur. Hij had altijd enorme pillen bij zich en las zelfs de Odyssee. Knetemann was wat dat betreft uniek. Hij had geen schoolopleiding, maar was volledig autodidact.

U schreef uw eerste gedicht na het bekijken van menselijk zaad door een microscoop. Schrijft u nog steeds gedichten?
Gek genoeg niet, terwijl poëzie mijn eerste activiteit was op schrijfgebied. Op mijn achttiende, negentiende schreef ik veel. Ik ging zitten en het stroomde eruit. Wanneer ik een margarinedoos vol gedichten bij elkaar had geschreven, stak ik die ritueel in brand om mijzelf opnieuw uit te vinden. Poëzie werd toen bijna een tweede ding. Dat kon ook omdat mijn sport en poëzie parallel aan elkaar liepen. Wielrennen is eigenlijk een hele poëtische bezigheid. Je zit niet in een muffe zaal of een benauwd stadion, maar in de vrije ruimte met vaak prachtige, overweldigende decors; een wereld waarin je je soms zeer nederig kunt voelen.

Waar voelde u zich vooral nederig?
In het hooggebergte. Al die massieven die haast op je kop leken te vallen... En dan die worsteling om als mens naar boven te komen...

Schreef u al koersend ook gedichten?
Als amateurwielrenner wel. Dan schreef ik op wat ik onderweg gezien had, maar als prof heb ik amper nog poëzie geschreven. Ineens ging ik er niet meer voor zitten, de sport absorbeerde mij te veel.

Welke dichters leest u graag?
Als adolescent ben ik besmet geraakt door Hans Lodeizen. En verder las ik ook graag gedichten van auteurs als Guido Gezelle, Rutger Kopland en Gerard Reve. Maar Lodeizen vond (en vind) ik heel bijzonder.

Wat maakt hem zo speciaal voor u?
Die eenvoudige taal, maar tegelijk ook die mysterieuze, fonkelende, gloeiende binnenwereld die hij neerzet. Zijn gedichten zijn ook heel atmosferisch. En net als Lodeizen was ik in mijn adolescentie een rusteloze romanticus, zo'n zoeker...

Waaraan moet volgens u een goed gedicht voldoen?
Moeilijke vraag... Het heeft veel met smaak te maken, met je eigen verleden. Ik moet geraakt worden door iets in een gedicht en dan heb ik het nog niet eens over techniek of vakmanschap. Je kunt immers ook door een slecht gedicht geraakt worden. Het gaat mij vaak meer om de intentie van de dichter dan het eindproduct zelf.
Van Lodeizen vind ik zijn laatste gedicht, 'Voor vader' prachtig:

Voor vader

o vader wij zijn samen geweest
in de langzame trein zonder bloemen
die de nacht als een handschoen aan-
en uittrekt wij zijn samen geweest
vader terwijl het donker ons dichtsloeg.

waar ben je nu op een klein ritje
in de vrolijke bries van een groene auto
of legde de dag haar handschoen
niet op een tafel waar schemering en
zachte genezing zeker zijn in de toekomst.

mijn lippen mijn tedere lippen dicht.

Dat hij zijn gedicht met een vraag eindigt, vind ik ook heel mooi. Ik houd niet van dichters die de wijsheid in pacht hebben... Verder vind ik 'Oneerlijk zeemansgraf' ook bijzonder fraai: een paar momenten van de dag / lukt het mij te vluchten in een nieuwe wereld (...). Dit verwoordt precies hoe ik toen zelf in elkaar zat.

In een van uw columns citeert u een aantal beklemmende verzen van Hölderlin:

Wee mij, waar vind ik, als
Het winter is, de bloemen, en waar
De zonneschijn
En de schaduw der aarde?
De muren staan
Sprakeloos en koud, in de wind
Kletteren de weerhanen

Zó beklemmend mooi, dat er naar verluidt - op een congres waar deze tekst besproken werd zelfs mensen onpasselijk zijn geworden...
Precies, dat is het rare aan dit gedicht en daarom vind ik het ook zo goed. Volgens mij is het niet te analyseren. Het is typisch zo'n gedicht dat iets in jezelf aanwakkert, iets dat je in jezelf ziet. Het is bijna een mystiek gedicht... De beelden zijn prachtig. Er wordt haast tastbaar gemaakt wat er in die man leeft. Het is dus moeilijk te analyseren, maar wél volstrekt toegankelijk. Je wordt erdoor gegrepen, maar weet niet precies waarom.

U bent een beroemde ex-wielrenner en sinds enige tijd vooral actief op de tekstverwerker. Mensen met een uitgesproken hokjesgeest zullen zeggen: je bent óf sporter óf schrijver. Heeft u daar nog last van gehad?
In zekere zin wel. Voor alles wat ik tot nu toe heb gedaan, ben ik gevraagd. Van Santander naar Santander, mijn columns - het is allemaal gerelateerd aan mijn wielerloopbaan. Dat vind ik niet erg, want daar liggen mijn beste jaren. Maar toen uitgever Thomas Rap mij vroeg om 'Santander' te schrijven, zat ik inderdaad met dat probleem. Wanneer je uit een andere tak komt en je op nieuw terrein begeeft, moet het namelijk verdomd goed zijn, wil je daar niet op afgerekend worden. Uiteindelijk heb ik er drie maanden over nagedacht voordat ik 'ja' zei. Het was een van de drempels die ik over moest...

Zijn die drempels intussen lager geworden?
Ja, nu wel. Iemand vertelde me laatst dat hij een boek van mij had gekocht. Toen hij bij de kassa stond, zei de verkoopster: 'Dát is een goede schrijver!' Natuurlijk vond ik dat wel leuk...


[gepubliceerd: 3 november 2007]
 
^