Meander * Eerder * Kort
 
Door G.J. de Ruiter jr. op []
'mon enfance' nader bekeken door Gerben de Ruiter

mon enfance

de bloemige buitenwereld
op vensters ijzig ingekrast
ik lees onder het zware goed
mijn oren warm

beneden
houdt kolenvuur deuren dicht
scharrelen de stemmen, fladdert
muziek langs draagbalken

ik schijn de batterijen loom
op het verdromen van prentjes
tot achteloos de slaap opkruipt
in wolkjes condens

met de grammofoon
zingt mijn moeder brel
mon enfance
ze ruist door sluimer heen

nog steeds

Dianne Soeters


Op 9 oktober 1978 stierf Jacques Brel. Op een brug tussen Luik en Brussel stond gekalkt: 'Hoera, Brel is dood'. Dit tekende de destijds en wellicht nog steeds woedende taalstrijd in België.
Brel, een Frans sprekende Vlaming, Brusselaar, hield van de provocatie. Hij had vijanden, zo bleek al, maar vooral ook liefhebbers. De laatste groep is, mede dankzij de talloze vertalingen in allerhande talen, groter en groter geworden sinds zijn dood. Zie hier, na al die jaren, een ode aan Jacques Brel.
Of moeten wij dit gedicht niet als ode aan hem beschouwen? De titel is gelijk aan de titel van het prachtige lied uit 1967 van Brel over zijn jeugd, waarin hij zingt hoe hij zich in de winter in de buik van zijn grote ouderlijke huis schuilhield voor de trieste eentonigheid daarbuiten, in stilte. Tot hij in het lied een jonge man wordt en de bloem van zijn eerste vriendinnetje plukt.
Terug naar het gedicht. ‘De bloemige buitenwereld’ krijgt, met deze informatie, een tweede betekenis; naast de mooie omschrijving van de ijskristallen op de ruit. 'L'hiver j'étais au ventre de la grande maison'. Onder de dekens, daar is het warm. Mijn oren zijn warm, maar waardoor? Kun je oren warm lezen? De dichter neemt ons mee vanuit het heden –het lezen in haar bed- naar haar herinnering aan haar jeugd. We horen gezang, dat maakt onze oren warm. Het enjambement aan het eind van de eerste strofe geeft ons de mogelijkheid om de warme oren toe te dichten aan én het zware beddengoed, én de warmte van het vuur uit de tweede strofe. Het warme goed geeft ook een verwijzing naar de warme stem van Brel, of wellicht die van moeder. De stemmen fladderen. Wie kent het niet, als kind in bed je ouders horen praten. Het weten dat moeder er is, haar stem te horen, is rustgevender dan welke muziekdoos ook. Hier hoort de dichter haar moeder zingen. Ze krijgt het warm, van de kachel, van de stem, van de herinnering. We zijn allang niet meer bij het boek uit de eerste strofe. We zijn in de jaren zeventig, als de dichter een tiener is. Halsreikend kijkt zij door de koude ruiten naar de lente die zich erachter ontvouwt: de adolescentie. Op de valreep van volwassenheid zingt moeder over 'mon enfance' de kindertijd. Gelukkig weet de dichter zich gedragen, gesteund door de zware balken in het huis. Gesteund door moeder?
Maar ze valt niet in slaap. Ze droomt weliswaar, schijnt zelfs al haar licht op aan de voorbijgaande prenten. Daar gaat de tijd. Onomkeerbaar. Toen al, nu nog. Hier lig ik dan, in bed, mijn eigen batterij is bijna leeg; enkel door het schijnen naar portretten van anderen. Brel knielt in zijn lied elke nacht neer voor niets, hij geloofde er haast al niet meer in. Zijn bed was te groot voor hem, hij droomde van verre reizen. Maar nu onze dichter; zij geeft zich gewonnen aan de slaap. De ramen ontdooien, het wordt warmer en warmer. We vallen bijkans in slaap.
Gelukkig, het kraken van de stem van moeder. Daar is moeder. Ze zingt, ze zingt voluit, zoals Brel dat deed. Borst vooruit, voilà: hier ben ik! Nu nog, na al die jaren ervaren liefhebbers van Brel bij zijn platen het gevoel alsof hij voor hen in de eigen huiskamer zijn prachtigste lied ooit zingt. In 'mon enfance' breekt op het moment dat hij eindelijk zijn vleugels durft open te slaan, de oorlog uit.
In het gedicht geen oorlog, geen ontluikende volwassenheid, maar een terugblik op een moeder die een kindertijd lang meezong met Brels platen. Kras en schor, maar voldoende schitterend om door de sluimer te schijnen. En hoe de jeugd ook weggefladderd is, hoe koud het ook is, zonder al die mensen op die stille portretten, moeder zingt nog steeds. De warmte van de herinnering aan haar, breekt elke ijsbloem. De wrange, haast pijnlijke laatste witregel geeft het gedicht een weemoedige klank. En dan blijkt het plots een gedicht dat niet meer gaat over moeders, niet meer gaat over het verlies van dierbaren of het verlies van de jeugd. In de laatste regel staat het, zwart na wit; alles gaat weg en alles komt altijd terug. Het in eerste lezing vrij simpele gedicht blijkt van een gelaagdheid die niet gemakkelijk te bereiken is zonder dure woorden als 'wederkeer'. Soeters is dit gelukt, op een prachtige manier. Haar woorden fladderen door de lucht en zullen dat nog lang blijven doen.
 
deze tekst printen