Meander * Eerder * Kort
 
[28 april 2007]
Het poëziedebuut van Geert Beeckman
'Wij doen aan later'
door Sander de Vaan

Onlangs debuteerde de Vlaamse dichter Geert Beeckman (Welle, 1961) bij Uitgeverij P met de bundel Diep in het seizoen. Een gesprek over literaire microben, Père Lachaise, het lange wachten en nog veel meer.

Hoe lang dicht je al?
Ik ben reeds een dikke tien jaar met poëzie aan de slag en volgde ter bekwaming vier jaar Literaire Creatie aan de academies van Aalst en Strombeek-Bever bij dichter en vertaler Koen Stassijns. Deze periode was van groot nut. Het zette mijn zoektocht naar een eigen stem op het definitieve spoor. Op de Nationale Gedichtendag 2001 won ik de jaarlijkse poëziewedstrijd op VRT Radio 1. Dit kon als motivatie wel tellen en het leidde tot mijn eerste publicaties in tijdschriften en kranten. De afgelopen jaren heb ik vooral intensief gewerkt aan het voltooien van mijn debuut Diep in het seizoen. Ook nam ik tussendoor deel aan tentoonstellingen waarin poëzie het samenspel zocht met beeldende kunst.

Wat heb je, afgezien dan van het vinden van het definitieve spoor, nog meer opgestoken van de opleiding Literaire Creatie?
De opleiding was ook vooral een les in volharding. Zeker in de eerste fase word je als beginnend 'schrijver' met de neus op je eigen tekortkomingen gedrukt, in die mate dat er velen reeds na zo'n eerste fase afhaken. En dat is maar goed ook; harde kritiek is de enige en juiste basis om aan je eigen kunnen toe te komen. Het leert je dat talent alleen, als er al sprake is van talent, zeker niet voldoende is. Het is mijn overtuiging dat zo'n opleiding zeker haar nut bewijst voor wie echt gebeten is door de literaire microbe.

Waar is het jou in de poëzie om te doen?
Bij poëzie gaat het mij om het onzegbare zegbaar te maken. Dat is mijn streven. Ik zeg streven, omdat dat het hoogste goed is wat een schrijver of andere kunstenaar kan bereiken in zijn of haar doen. Deze vaststelling noopt mij te zeggen dat wie dicht, of anders aan de kunst is, veel nederigheid aan de dag moet leggen. Men schiet, met andere woorden, steeds tekort in het bedoelde. Maar dat is nu juist het interessante en het boeiendste eraan. Het is niet alleen deze zoektocht naar het meest benaderbare die mij bevalt, het schrijven van poëzie maakt van mij welhaast een completer mens. Het breidt als het ware het repertoire van mijn eigen bestaan uit.
Verder ben ik van opvatting dat goede poëzie altijd moet proberen het universele achter het particuliere te tonen. In mijn eigen werk probeer ik zoveel mogelijk aan dat gegeven te appelleren, en inhoud te koppelen aan taalmomenten met een blijvende ervaring. Dit alles moet de lezer aan het werk zetten om een eigen invulling te geven aan het gedicht. Daarom vind ik het niet onbelangrijk dat de lezer zich, tot op zekere hoogte, in het gedicht herkent.

Diverse gedichten van je geven zich pas bij herlezing prijs. Moet een gedicht de lezer ook in zekere mate ontregelen?
Ontregelen is misschien een te overdreven conclusie. Maar goed, ik ben van mening dat goede poëzie de lezer aan het werk moet zetten en hem die opdracht en verantwoordelijkheid ook moet meegeven. Het is de dichter die schrijft en dat is alles wat hij geeft.
Het moet aan de lezer zijn om het gedicht al dan niet verder in te vullen, te vervolledigen misschien. 'We lezen niet een ander maar onszelf in de ander,' zo heeft de Mexicaanse dichter Emilio Pacheco het ooit neergeschreven. Ik zou het niet treffender kunnen verwoorden. Let wel, ik wil hier niet meedoen aan de nog altijd heersende discussie tussen hermetische poëzie en haar veel toegankelijker variant. Een dichter moet een stijl hanteren waarin zijn schriftuur volgens hem het beste gedijt. Niet alleen in de literatuur spreekt dat voor zich, ook in de andere kunsten is dit het geval.

Hoe ben je bij het maken van je debuutbundel te werk gegaan?
Als beginnend schrijver is het van belang een zo groot mogelijke interesse aan de dag te leggen voor allerlei kunsten. Zo heb ik dat toch ervaren. Die interessesfeer heeft dan geleid tot een poëzie van eigen, originele verworvenheid, al heeft dit zeker een paar jaar geduurd. Met invloeden uit muziek, film, literatuur, fotografie, schilderkunst, reiservaringen e.d. ben ik aan de slag gegaan, tot ik de contouren zag van een bundel. Intussen tekenden de onderwerpen zich als vanzelf af. Het werd duidelijk dat het onderwerp tijd de rode draad van mijn bundel zou worden. In de relatie tot de noemer tijd kon ik dan nevenonderwerpen als liefde, dood, verval, vervreemding, melancholie, schoonheid en het schrijven zelf de gedichten binnen leiden. Het was van een mooi geduld, hoe alles langzamerhand een coherent geheel begon te vormen, waar ik volmondig kon achterstaan. Pas daarna kon de zoektocht naar een eventuele uitgever starten.

En hoe verliep die zoektocht?
Het was lang wachten. Zoals iedere beginnende auteur stuurde ik mijn manuscript naar vele uitgeverijen, ook Nederlandse. De meesten antwoordden na maanden met een onvoldoende. Best teleurstellend dus. Maar het geloof in eigen werk bleef en ondanks de vele afwijzingen bleef ik er voluit voor gaan. Met het nu bekende en aangename gevolg.

Je gedicht 'Père Lachaise' is gesitueerd bij het graf van Jim Morrison. Er zijn weinig begraafplaatsen waar de dood zoveel leven aantrekt als daar. Hoe heb jij dit ervaren?
Ik bezocht Père Lachaise voor het eerst in 1981. De plek nam mij uitermate in, zodanig dat ik al vele malen ben teruggekeerd. En inderdaad, de bezoekers houden er de veelal bekende doden in leven. Het Parijse dodenpark kent zijn eeuwen in de bijwijlen schitterende grafarchitectuur en het omkaderende groen. Nostalgie en melancholie is er op zijn plaats als een oase van rust in het hart van een wereldstad. Er is, ik kan het niet anders zeggen, een vreemd soort van verliefdheid mee gemoeid. Bij ieder bezoek aan de lichtstad moet ik er toch wel langs. Tja, de aard van het beestje zeker?

Je besluit het gedicht met de intrigerende verzen:

Wij doen aan later.
De dood is al dood
wat niet meer gebeurt
is al lang opgehouden met sterven.

Ja, ineens stond het er. Na de lichte ironie van de eerste, ietwat sacrale versregel "Wij doen aan later", was het alsof ik het gedicht met een zekere geruststellendheid kon afleggen. Alsof ook de dood zijn tijd maar duurt en uiteindelijk ook aan een vreemde eindigheid onderhevig is. Ik keek op mijn stappen terug en zag hoe ik Morrisons graf achterliet om samen met hem, zij het van een ander soort 'leven', verder voorbij te gaan. Ik had het gevoel dat het bestaan van een mens op die plek niet gescheiden werd door leven en dood. Ik ging waar de dood verder op mijn weg lag en ik kon daar in alle rust mee leven. Er was geen grond die onder mijn voeten wegsloeg. Neen, ik had enkel de weemoedigheid mee dat aan alles en iedereen een eind komt.

Is meer 'aan het heden doen' een remedie voor ons, peinzende stervelingen?
Het heden is een berusten waar we vroeg of laat toch aanmoeten. Wij moeten ons bij de dood neerleggen, letterlijk en figuurlijk. Dat besluit is niet van harte, maar wat zit er anders op. Op het leven volgt de dood, dus kunnen we maar beter leven met die dood. Het is de enige realistische remedie die ons rest. Misschien had ik twintig jaar geleden bovengenoemde verzen niet kunnen neerpennen, in alle opstandigheid van mijn jong zijn. Goed, ik ben altijd al met de dood bezig geweest als een abstracte materie en een zekere fascinatie gaat er zeker van uit. Maar veel wijzer ben ik daar niet van geworden. Ik zou de dood dan ook het zwarte gat van ons minimale bestaan willen noemen. Met het leven dat wij hier op deze aardkloot kennen, weten wij hoegenaamd niets van ons sterven.

Wat kunnen we in de naaste toekomst nog meer van je verwachten?
Het is zeker de bedoeling dat er een tweede bundel komt. Ook van mijn uitgever, die zeer tevreden is over mijn debuut, krijg ik die stimulans mee.
Er staat weliswaar een nieuwe reeks gedichten in de steigers, maar verder kan ik daar weinig over kwijt. Ik neem mijn dagen om in het hoofd te verzamelen wat mijn poëtica kan dienen of recht doen. Dat moet dan aan het rijpingsproces voor het kan worden uitgeschreven. Het eindstation is de essentie waar ik steeds naar streef. Dat vergt niet alleen geduld, maar ook strijd tegen de taal. Pas als die gestreden is kan er van nieuw werk sprake zijn. Voor de rest is het de wens om via optredens mijn naam kenbaar te maken in het wereldje en mijn horizon nieuwsgierig te houden voor eventuele samenwerking met andere kunsten.

Geert Beeckman - Diep in het seizoen
Uitgeverij P, Leuven, 2007; 64 pag.; 12,50;
ISBN 9789077757673
www.uitgeverij-p.be