Meander * Eerder * Recensies * In zo'n intieme ballinschap - Don Paterson
 
Poëzie als waarheid of als 'White Lie'?
Joris Lenstra las Don Patersons In Zo'n Intieme Ballingschap

In Engeland kennen ze hem al jaren: de Schotse dichter Don Paterson (1963). Zijn levensloop is als een spannend jongensboek. Op zijn zestiende verliet hij zijn school om jazzmuzikant en later prijswinnend dichter te worden. Zijn lijst met literaire prijzen is bijna even lang als zijn bibliografie. Zo kreeg zijn debuut, Nil Nil, (1993) de prijs voor het beste poëziedebuut. En in 2003 kreeg hij als bekroning zowel de prestigieuze T.S. Eliot Prize als de Whitebread Poetry Award voor zijn bundel Landing Light. Don Paterson wordt in Engeland gezien als woordvoerder van de generatie dichters geboren in 1962-1963, waartoe ook Simon Armitage (1963) behoort.
Op het 35e Poetry International Festival afgelopen juni te Rotterdam nam Paterson een prominente plek in. Uit de samenwerking tussen Poetry International en Wagner & Van Santen uitgevers is vervolgens de bundel In zo'n intieme ballingschap voortgekomen. De bundel bevat een willekeurige selectie gedichten van Don Paterson, vertaald door de J. Eijkelboom (1926). Hij was de logische keus voor dit project. Eijkelboom was al in 1983 betrokken bij Poetry International, en vertalingen van zijn hand verschijnen bij Wagner & Van Santen. Hij heeft eerder werk vertaald van onder andere W.B. Yeats (1865 - 1939), Philip Larkin (1922 - 1986), Derek Walcott (1930) en Craig Raine (1944).
De tijd lijkt rijp om het werk van deze fascinerende dichter in Nederland te introduceren. Een korte navraag bij enkele jonge Nederlandstalige dichters leert dat hij nagenoeg onbekend is, net als veel van zijn generatiegenoten. Ten onrechte, gezien de kwaliteit van zijn werk. De vraag waarom, is vooralsnog niet te beantwoorden; Engels spreken we ten slotte allemaal. Ik zal hier vooralsnog stilstaan bij de gemakkelijker te beantwoorden vraag of deze bundel de juiste is om deze dichter in Nederland te introduceren. Wellicht kunnen in zijn kielzog andere generatiegenoten en bijna generatiegenoten de oversteek wagen.

Don Paterson is als dichter opgegroeid met het Postmodernisme. Zo staat voor hem de tekst op zichzelf, en heeft hij een hekel aan de cultus van de dichter en de voordrachtskunstenaar. 'Fuck the individual voice! It'll happen anyway and you can do nothing to prevent it. It's a fetish. It's the poem that we have to listen to, not the poet.' ('Weg met de individuele stem! Het zal sowieso gebeuren en je kunt er niets tegen doen. Het is een fetisj. We moeten naar het gedicht luisteren, niet naar de dichter.')
De lezer die het werk herschept, staat centraal. Ook de schrijver is na afloop van het creatieve proces 'slechts' een lezer, en dus niet de bevoorrechte eigenaar van een kunstwerk. Gedichten bezitten zichzelf. Vanuit hun poëtische bestaanssfeer weten zij bij de lezer een bepaalde, universele sensatie op te wekken. Paterson verwoordt dit als volgt: 'I think we are all sharing the same dream. I think that anything that I think you will have thought already.' ('Ik denk dat we allemaal deel hebben aan dezelfde droom. Ik denk dat alles wat ik bedenk, jij al gedacht zal hebben.'). Voor hem is de ervaring van deze sensatie vergelijkbaar met de wereldbeleving van een kind. Een kind denkt nog niet in fragmentarische eenheden als dagen en weken. Een kind heeft zijn leven nog niet opgedeeld aan de hand van schema's en horloges. Voor een kind smelt alles samen en is tijd een subjectief begrip. Het lezen van gedichten wekt dezelfde, subjectieve tijdsbeleving op, of beter wellicht: beleving van de afwezigheid van tijd.
Ook gebruikt Paterson de taal als symbool, op een manier die jungiaans aandoet. Zijn uitgangspunt hierbij is dat hoe gedetailleerder het symbool is, hoe universeler dit geïnterpreteerd kan worden.

'Je schrijft altijd vanuit je eigen ervaringen, nietwaar. Maar ik denk dat, zo lang als je specifiek bent, zelfs als het om je eigen leven gaat, mensen het onmiddellijk op hun manier een context geven, en het ervaren als verbonden aan een bepaald detail in hun eigen leven, zelfs als cultureel hun omstandigheden heel erg anders kunnen zijn.'

'You always write from your own experience, don't you. But I think that as long as you are specific, even if that concerns your own life, people will immediately recontextualize it in their own way, and see it as linked to some detail in their own life, even though culturally their circumstances may be very, very different.'

Op deze manier legt hij de relatie van het alledaagse met het universele; waarbij hij de onderliggende, mystieke waarheid van alle dingen wil laten zien. Don Paterson heeft zijn boeddhistische kijk naar zijn poëzie meegenomen. De poëtische ervaring heft het duale in de mens op:

'En dan neem je een alledaagse gebeurtenis en plaats je die in die mythische context, en wat je werkelijk bedoelt, is dat dat een afzonderlijke, toevallige gebeurtenis zou kunnen lijken, maar eigenlijk een uitdrukking is van iets veel groters. Ik denk dat het de menselijke toestand is. Het is een manier om samen te voegen wie we zijn, mensen die in die twee werelden leven, de verenigde en de fragmentarische.'

'So you take an everyday event and you set it in that mythical context, and what you're really saying is that it might look like a detached, chance event but actually it's an expression of something much larger. I think it's just the human condition. It's a way of unifying who we are, people who live in those two worlds, the unified and the fragmentary.'

De gedichten die Don Paterson schrijft, zijn ritmisch sterk en rijmen regelmatig. Van een muzikant kun je weinig anders verwachten. Mooi vind ik bijvoorbeeld het volgende gedicht, 'The Thread' ('De draad'), dat een moeizame geboorte beschrijft.

Jamie landde zo hard in de wereld
dat hij zich rechtstreeks terug de aarde in ploegde.
Ze grepen hem bij de draad van zijn enige ademtocht
en trokken hem op. Ze weten niet hoe hij het hield.
En vandaag dank ik dus welke wil dan ook
die ons hier bracht, bij jou en mij en Russ,
dat grote tweemotorige vleugelspan van ons
dat bulderend Kirrie Hill afdaalt,

waarbij je twee jaar oude longen iedere motor
in het universum hoe dan ook overstemmen.
Al die moeite om er voor dood bij te liggen
was al wat ik dacht die lange week. Nu houdt
die draad ons allemaal: kijk naar ons piepkleine
huis, zoon, de witte stip van je moeder wuift.

Jamie made his landing in the world
so hard he ploughed straight back into the earth.
They caught him by the thread of his one breath
and pulled him up. They don't know how it held.
And so today I thank whatever will
brought us to here, to you and me and Russ,
the great twin-engined wingspan of us
roaring down the back of Kirrie Hill

and your two-year-old lungs somehow out-revving
every engine in the universe.
All that trouble to turn up dead
was all I thought that long week. Now the thread
is holding all of us: look at our tiny house,
son, the white dot of your mother waving.

In de laatste regel wuift de moeder kleine Jamie vanuit de verte een welkom toe. 'De draad' is de levensdraad gebleken waaraan hij het leven in getrokken wordt.
Daarnaast hebben de gedichten van Paterson de neiging om meer te duiden dan er begrepen kan worden, zoals het mysterieuze gedicht 'The Hunt'. De sfeer doet denken aan werk van E.A. Poe. Een jager zit geobsedeerd achter zijn prooi aan.

En in die tijd had mijn bijl
niet dichter bij zijn nek gezwaaid
dan de echo van zijn norse tong
of de lucht die heet om zijn kielzog waait.

And in that time my axe had swung
no closer to his neck
than the echo of his sullen tongue
or the hot smell of his wake

De verbintenis tussen jager en prooi is echter dusdanig intiem dat het lijkt alsof de jacht een voorbestemde rite is. Op een gegeven moment vindt de jager een verborgen ingang naar een duister vertrek waar hij uiteindelijk zijn prooi ontmoet. Oog in oog met elkaar verliezen ze echter de lust om te vechten, en maken ze als beschaafden kennis met elkaar.

We schoten naar elkaar als twee oude gekken
en probeerden erachter te komen
wat ook alweer de regels waren
waarvoor we waren aangenomen.

Ik las geen doodsangst in zijn frons,
geen dreiging, geen intrige was erbij,
het zware hoofd was gekanteld
in vermoeidheid of medelij.

Dus stak ik mijn hand uit, in de hoop
dat er schot kwam in onze impasse,
en hij wilde mij de zijne toesteken,
toen mijn hand botste op het glas.

We shuffled close, like two old fools
and stood there for an age
trying to recollect the rules
by which we were engaged

I read no terror in his frown
no threat and no intrigue
the massive head was canted down
in pity or fatigue

so I put my hand out, hoping this
might loosen our impasse
and he had made to tender his
when my hand hit the glass

Dit gedicht roept meer vragen op dan het beantwoordt. Zo is het niet duidelijk waarom de jacht plaatsvindt. En ook over de ontmoeting rijst de vraag of het glas alleen een reflectie weergeeft, of dat er daadwerkelijk sprake is van twee verschillende wezens op zoek naar hetzelfde. Dit gedicht, als andere gedichten van hem, laat een vage, allegorische smaak na in de mond van de lezer. Mensen die verhalen van de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges (1899 - 1986) gelezen hebben, zullen begrijpen wat ik bedoel.
Tot slot moet ook de lyrische kant van zijn werk niet vergeten worden, zoals het volgende voorbeeld fraai laat zien:

't Is niet de geliefde die wij liefhebben, maar de liefde
zelf, liefde als in nul, als in O;
liefde is de munt van de minnaar, een statenloze munt,
vandaar: de ring; vandaar: de maan -
geen wonder dat die lege cirkel zo vaak voorkomt
in ons intieme donker, onze handen in huiden,
die commercie zo heftig dat we vaak denken dat
liefde iets is dat we delen; maar we hebben het altijd mis.

(uit: 'Mijn liefde')

It's not the lover that we love, but love
itself, love as in nothing, as in O;
love is the lover's coin, a coin of no country,
hence: the ring; hence: the moon -
no wonder that empty circle so often figures
in our intimate dark, our skin-trade,
that commerce so furious we often think
love's something we share; but we're always wrong.

(uit: 'My Love')

De bundel In zo'n intieme ballingschap is een verzameling gedichten uit verschillende bundels van Paterson. Wat meteen opvalt, is de kale indruk die de bundel maakt. Hij bestaat hoofdzakelijk uit een inhoudsopgave en uit de gedichten gepaard aan de vertalingen. Juist een introducerende inleiding is essentieel voor de veelal onwetende lezer. Een tweede bezwaar vind ik dat er een verantwoording ontbreekt van de geselecteerde gedichten. Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor het bekroonde gedicht 'A private bottling'? Ook de vertaling mist iedere verantwoording en/of voetnoot - een aspect waar bijvoorbeeld Peter Verstegen, zo in uitblinkt. Het heeft er alle schijn van dat de bundel bedoeld is voor die mensen die de voordracht van Paterson op het Poetry International Festival bijgewoond hebben. De bundel is hierdoor niet meer dan een poëtische bijlage geworden. Persoonlijk vind ik dat jammer. En gezien de onbekendheid van Paterson, commercieel een gemiste kans.
Wat ook blijft, is de indruk dat de vertaler zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om zich volledig aan het origineel over te geven. Hier en daar komt de vertaling wat gemakkelijk over - voor zover ik daar natuurlijk over kan oordelen. Om een paar voorbeelden te geven, het gedicht 'The Rat' gaat over een gedicht dat bij de lezer levensecht het beeld van een rat weet op te roepen. Aan het einde van dit gedicht zit echter een lelijke rattenstaart:


Then it hissed: For all the craft and clever-clever
you did not write me, fool. Nor will you ever.


Het gecursiveerde deel is geheel in de regelmatige, jambische versmaat. In de vertaling is deze regelmaat echter alleen in het laatste stukje terug te vinden:

Toen siste hij: Ondanks je vakkundige bla-bla
schreef jij, eikel, mij niet. En je doet het mij nooit na.


Verder wordt in het gedicht 'The Long story' een deel in dialect (mogelijk Schots) gesproken. Ik heb vertalers zien worstelen met zulke huzarenstukjes. Eijkelboom echter vertaalt het dialect niet mee, met als gevolg dat dit effect in de vertaling geen weerklank vindt. En tot slot hanteert de muzikaal ingestelde Paterson een regelmatig eindrijm. Daarentegen is in de vertalingen slechts met mondjesmaat het eindrijm terug te vinden.
De vertalingen van Eijkelboom lijken mij er dan ook in de eerste plaats op gericht om de tekst qua betekenis zo correct mogelijk weer te geven. Ze vormen als zodanig een bijschrift bij de Engelse versie. De ironie wil dat Paterson zelf vertaald heeft - werk van de Spaanse dichter Antonio Machado (1875 - 1939). Zijn uitgangspunt daarbij was dat de vertaling de oude tekst verving. Hij vertaalde in de geest van een werk, in plaats van de betekenis ervan. Dit kon hij doen op grond van zijn eerdergenoemde overtuiging dat de lezer de tekst herschept. De vertaler herschept, als ware hij een lezer, de oorspronkelijke tekst in de brontaal. De nieuwe tekst is belangrijker dan het origineel. Een vertaling met eenzelfde insteek zou wellicht meer recht hebben gedaan aan het werk van Paterson.
'Vertalen is een vorm van Kannibalisme', zo liet Eijkelboom in het NRC Handelsblad van 12 juni 1997 weten. Bij deze bundel is net iets teveel van de dichter opgepeuzeld, en net iets te weinig overgebleven. Hoewel dat wat er overgebleven is, er zeker mag zijn. Het is prijzenswaardig om deze dichter meer bekendheid in Nederland te willen geven. Op grond van de kwaliteit van zijn gedichten, verdient hij dat zeker. Alleen had ik graag nog iets meer willen zien.

Gebruikte citaten zijn afkomstig uit het interview met Don Paterson gehouden in september 2000 door Julia Fiedorczuk, zoals te zien op de website www.donpaterson.com


Don Paterson In zo'n intieme ballinschap
Vertaling J. Eijkelboom
Uitg. Wagner & Van Santen i.s.m. Poetry International, juni 2004
60 blz.; € 15,50
ISBN 90 76569 48 7








[gepubliceerd: 7 november 2004]
 
^    deze tekst printen