Meander * Eerder * Recensies * Deze oogopslag - Hans Tentije
 


Hans Tentije - Deze Oogopslag
door Atze van Wieren


In de nieuwste bundel van Hans Tentije, Deze Oogopslag, reizen wij door half Europa. We bezoeken musea, lopen door straten en over markten, staan stil bij bruggen, kerken en oude badhuizen. Alles met naam en toenaam genoemd. De dichter heeft de werkbeurs van het Fonds voor de Letteren blijkbaar gebruikt om het nuttige met het aangename te verenigen.

Het gevaar van zulke plaats- en dinggebonden gedichten is, dat je, zonder foto, je als lezer soms weinig bij het verwoorde voor kunt stellen.
Niets daarvan bij Tentije. Slechts in een paar gevallen doet zich het gemis van een afbeelding voelen, bijvoorbeeld in 'Rome – musei Vaticani' of 'Sansepolcro – La Resurrezione', maar in verreweg de meeste gedichten schildert Tentije in klinkende bewoordingen de geschiedenissen die met de straten, pleinen, kerken, enz. te maken hebben, zodanig dat je ademloos meekijkt, meeluistert, mee ruikt.

Tentije is niet zuinig met woorden. Een gedicht beslaat soms rustig drie pagina's. Met hun lange regellengte lijken de gedichten dan welhaast verhalen. Of, in dit geval, kleine lessen in geschiedenis. Verhalen die bol staan van schitterende beelden, vaak ook zeer aangrijpend door dat wat ze oproepen aan wat ter plekke is geleden, doorstaan.
Er zit veel klinkerrijm in de gedichten, waardoor, ondanks het vrijwel ontbreken van eindrijm, alliteratie en binnenrijm, de verzen toch volop klinken ('graat en staart gaan schrapend').

Tentije is een romantisch dichter. Er ligt over al zijn gedichten een waas van melancholie. De verzen ademen het vergeefse, het voorgoed voorbije, de verloedering, de dood. Een kleine willekeurige proeve met welke woorden Tentije zo'n sfeer oproept: 'verloederde badplaatsen; het ijzige water; vermoeide trekvogels; bevroren wissels; verlamde seinarmen; dwaallichten; tochtige straathoek', enz.
Persoonlijk vind ik de gedichten die met Duitsland (o.a. Berlijn, München, Leipzig) te maken hebben het mooist. Hier weet Tentije op werkelijk grandioze wijze het verleden te doen herleven met bijvoorbeeld de verschrikkingen uit de Nazi-tijd.


[...]
en mythologische taferelen, fakkeloptochten, maanverlichte
rituelen, de hertshoornen heften, de goddelijke

jachttrofeeën, ree en wild zwijn, redevoeringen
in bierkelders, in circus Krone, schmalzvette lederhosen

met op het borststuk een benen edelweissje –
nogmaals dus de jaarlijkse processie

van Feldhernnhalle naar Königsplatz, de partijbonzen
aan het hoofd, de drager van de bloedvlag daar vlak achter

gevolgd door onderknuppels, legioenen
straatschenders, kontlikkers, trieste armoedzaaiers
[...]

Bovenstaande is uit het gedicht 'München – Königsplatz', waarin wij, via neerdwarrelende sneeuwvlokken, terugkeren naar het verleden en weer in het heden eindigen bij daklozen en 'de dartele vredesengel ginds, al even medeplichtig –'
De dichter blijft op de achtergrond in deze bundel, in die zin dat hij niet uitgesproken als 'ik' in de gedichten aanwezig is, maar spreekt door middel van het uitgebeelde plein, huis, standbeeld, de straat, of middels de in dit decor optredende persoon.

De bundel ontleent zijn titel aan het gedicht 'Berlijn – Schlesische Strasse'. Op een hoek is in de topgevel van een huizenblok een 'oog' uitgespaard. Je kijkt daar dus als het ware door de muur heen. Eromheen staat de tekst 'Bonjour Trrtesse', wat blijkbaar voor Bonjour Tristesse staat (gelukkig siert een foto van dit huis de omslag). Tentije schildert wat dit oog allemaal gezien kan hebben en besluit dan met:


iemand klimt, 's nachts, terwijl wij slapen
via brandladders, regenpijpen, goten bij ons naar binnen
en tekent met duister krijt de dromen
rond onze ogen, het onstuitbare ruggelingse
vallen, het zomaar ergens aan de grond
genageld staan, de liefde in het geniep, de troost
die landschappen soms bieden

gevleugeld is zijn schoeisel en verend zijn tred
wanneer hij, als gedragen, de grindvlakte
van het dak oversteekt, eer hij vliegensvlug verdwijnt
door deze oogopslag, deze oogwenk
die boven- en onderwereld verbindt, scheidt

en verbindt, voor altijd

Ik vind dit prachtige poëzie. Het oog in de topgevel als het oog van de dichter die observeert, gadeslaat, de dichter die iets achter de dingen zoekt, soms in dromen iets aangereikt krijgt door de boodschapper der goden (Hermes).

Deze bundel bevat, zoals gezegd, veel fraais. Het schrijnende 'Santpoort – Gesticht Meerenburg', het ontroerende einde van 'Leipzig – Galopprennbahn' (stuitert een bal/ het beeld uit en zie je nog enkele meisjes/ op de rug, hun frκle schouderbladen, het licht dat donzig/ hun vlechten omzweeft, als in een wereld ongerept ), hoe de flotteurs worden geschilderd op hun houtvlotten in 'Clamecy – Pont de Bethléem', de ontgoochelde saxofonist in 'Boedapest – Szechenyi út', en ga zo maar door. Een werkelijk rijke bundel.

Naast alle lof moet ik als recensent natuurlijk ook iets hebben om aan te merken. Welnu, vooruit dan. Tentijes gedichten bestaan alle uit één doorlopende zin. Hij begint met een hoofdletter, maar eindigt zonder punt. Ik vind dit enigszins gemaniëreerd, omdat verder de normale interpunctie wordt toegepast. Ook gebruikt hij mij te vaak het gedachtestreepje, in 35 gedichten maar liefst 116 keer! Ik wil best zo nu en dan even stilstaan bij een diepe gedachte, maar 116 keer?
De poëzieliefhebber late zich hierdoor niet afschrikken, maar haaste zich...

Hans Tentije - Deze oogopslag
Uitg. De Harmonie, Amsterdam 2004
72 blz.; € 14,75
ISBN 90 6169 734 4





[gepubliceerd: 5 december 2004]
 
^    deze tekst printen