| Meander * Eerder * Recensies * Kiezel en traan - Bernlef | ||
![]() Bernlef - Kiezel en traan
Uitgebalanceerde momentopnamen
door
Bert van Weenen
'Moderne literatuur doet verslag van de breekbaarheid van onze relatie met de wereld. Zij doet dat door de taal te ontregelen, door de huid van de taal zo dun te maken dat het denken zichtbaar wordt,' schrijft Rutger Kopland in 'Het mechaniek van de ontroering' naar aanleiding van een bundel van (toen nog J.) Bernlef. De gedichten van Bernlef zijn, zo stelt Kopland, flarden van het nadenken over de wereld, van het aandachtig beschouwen van de dingen in die wereld. In deze zin is Bernlefs dichtkunst 'filosofische poëzie' te noemen, waarbij Kopland Bernlef naast Gerrit Krol zet, ook zo'n 'denkende dichter', een dichter over het denken. Bundel na bundel bevestigt Bernlef dit beeld. Ook in de drie bundels die verschenen na zijn grote verzamelbundel Achter de rug (1997), die drie decennia beslaat (1960-1990), is het zoeken naar een evenwicht, het balanceren op één plek, vergelijkbaar met het 'surplace' van de sprinter-wielrenner, een overheersend motief. Bernlef vraagt steeds opnieuw aandacht voor het onopvallende. Juist tussen de bedrijven gebeurt het, zoals hij in de bundel Aambeeld (1998) schreef: even kijk je niet en de situatie, het leven is veranderd. Het draait allemaal om 'die ene brandschone, sterheldere seconde', zoals Bernlef in het eennalaatste vers van 'Aambeeld' noteert. Om een momentopname waarbij alles in balans is. De laatste strofe van 'Aambeeld' is zo'n prachtige vereeuwigde momentopname: 'Het paletmes als een dolk geheven boven/ een baby die daar voorgoed in verf verzegeld/ vredig in het heden slaapt' (bij de zeventigste verjaardag van schilder Lucian Freud). Een ander element dat steeds terugkeert, is de ongerepte natuur, 'een plek nog door geen blik bevlekt' (Aambeeld, blz. 56). Of misschien beter nog: de natuur die terugvalt in een staat van ongereptheid na het verdwijnen van allerlei menselijke invloeden. De leegte vóór de schepping, het tohoe-wabohoe uit Genesis 1, zou je kunnen zeggen. 'Zoveel plaatsen waar het leven / geen naam heeft maar ook niet / kan worden gebleven / [...] / Zo verwijdert kijken ons/ van een wereld die leeg en eeuwig is,' dicht Bernlef in een van de eerste verzen van Bagatellen voor een landschap (2001). Hier is de melancholie niet ver. Een mens staat met lege handen ten aanzien van de vergankelijkheid, van het leven in het algemeen. Mooi verwoord in het slot van het gedicht op bladzijde 27 van deze bundel: 'Wie achterom kijkt ziet hoogstens/ waar hij liep zoëven// Taal noch teken – / je sluit je lege hand/ om dit gevoel.' Dit sluit naadloos aan bij de ideeën die uit Bernlefs nieuwste bundel Kiezel en traan (2004) naar voren komen. Zoals bijvoorbeeld uit het gedicht 'Transparant'. Transparant
Hoe fragiel ons denkwerk (hoe simpel uit te halen niet) Tot wij volkomen in de war de wereld ondergaan zoals zij is voordat wij er waren. Er zijn. Wat anders dan staren door mazen? O, oogverblindend kind dat zingend alles verbindt met van licht trillende vingers. Vervagen, verdwijnen, vallen – dat zijn woorden die je regelmatig in Bernlefs werk tegenkomt, ook in zijn verhalen en romans trouwens. 'Waar eens grenzen waren, perken, paden/ afspraken tussen hovenier en de natuur/ geldt nu alleen het uur van hun verdwijnen' ('Een tuin'). Bernlefs poëzie brengt al het hogere, het 'grote onbekende', terug tot aardse proporties en is daardoor een relativering van elke vorm van idealisme. Ideologie en fanatisme leggen het tegen deze weerloze poëzie af. Kijk om je heen, lijkt de dichter te zeggen, zo leven mensen, geen enkele reden om elkaar naar het leven te staan. In een aantal gedichten komt deze maatschappelijke betrokkenheid ook expliciet naar voren, onder andere in 'Van een verdwenen meisje', 'Stille getuigen', 'Recept' en 'Ooggetuigen'. Maar hoe dan ook, we zullen het hier op aarde moeten doen zonder het of de Grote Onbekende, zonder Hemel of God. Grote
onbekende
En altijd die twee vogels aangestipt in het blauw als roetvlokjes wegzeilend van eeuw naar eeuw Altijd die twee vogels; met minieme wieken schragen zij de hemel, dragen of slepen de wolken. Altijd hebben mensen omhooggekeken en daar van alles gezien Nu de lucht leeg is, het landschap verlaten hebben de twee vogels het rijk alleen Ik kijk ze na, vliegend in stilstand knipperen mijn ogen met ze mee. Twee vogels in de lege lucht – wat een treffende verbeelding van de geestesgesteldheid van de dichter! Ze vormen een beeldrijm met de twee zwaluwen die drie bladzijden verder door het park scheren: 'Hoe te leven? Voor wat?/ Grote vragen waarop kleine antwoorden passen/ zo precies als deze zwaluwen die geven'. 'Kiezel en traan/ tot één substantie vermalen.' Zo eindigt het titelgedicht van deze bundel, een gedicht waarin Bernlef de muziek van de Russische componiste Galina Oestvolskaja (*1919) typeert. 'Er is iets dat zij vernietigen wilde/ en tegelijk bewaren, koesteren// Maar in de loop der jaren/ is het verschil zoekgeraakt'. Bernlef sluit zijn bundel af met een achttal verzen over ziekte en dood. Je zou ze kunnen beschouwen als een voortzetting van de elf gedichten die hij onder de overkoepelende titel 'Erfgoed' opnam in Aambeeld. Een van die gedichten is een ontroerend vers over depressiviteit: Na
een depressie
Hij tekent geraamtes op de rand van een krant probeert wat te huilen maar het aloude gevoel verdampt in de luide kop van de zon – dan maar koffie gezet in het bittere besef dat de wereld nog niets van zijn sterven wil weten Hij kruipt uit zijn horloge zijn kleren in scheert zich en ziet in de spiegel iemand met glimmend geheven kin zijn handen wrijven klaar om in te grijpen in sterrenstelsels en tabellen. De laatste drie bundels van Bernlef vormen zowel wat vorm als inhoud betreft een eenheid. Wat Thomas van den Bergh schreef in zijn recensie van Kiezel en traan (Elsevier, 7 augustus 2004), geldt evenzeer voor Aambeeld en Bagatellen voor een landschap: 'De kracht van Bernlefs schrijven schuilt in het feit dat dergelijke aardse, alledaagse zaken zin krijgen, juist door ze te isoleren.' Ook al blijft bij al dit moois op de achtergrond altijd het besef aanwezig dat bestendigheid denkbeeldig is. Alles is immers, zoals Bernlef ergens in het midden van Bagatellen opmerkt, onderhevig aan de 'ijlste slijtage'. Bernlef
- Kiezel en traan
Querido, Amsterdam 2004; 80 blz.; € 17,95 ISBN 90 214 5283 9 [gepubliceerd: 10 april 2005] |
||
| ^   | deze tekst printen |