Meander * Eerder * Recensies * Requiem voor Joshua - Marianne Som
 
Marianne Som - Requiem voor Joshua
Liefde naar haar laatste rustplaats
door Herbert Mouwen

De derde bundel van Marianne Som kent drie afdelingen van ongelijke grootte. De eerste afdeling heet De grote trek en telt drie gedichten, de tweede afdeling Aqua Incognita heeft vijftien gedichten en de derde afdeling heeft elf gedichten en draagt de titel Pleroma.
In de openingsafdeling is sprake van een zintuiglijke sensatie die loopt van het visuele naar het auditieve, van een alles overheersende natuur naar een uiteindelijk 'begrijpend zingen van het lege nest' van een vogel. De ik-figuur is vertrokken en heeft het huis achtergelaten. Daarna is er meteen een 'tweede geboorte', de belofte van een leven waarin de dood nog niet aanwezig is, waarin aan de dood is te ontkomen en het leven lokt. Na de kleuren roepen de kleurloze 'Hoofse pluimen'. Verlangen en belofte als openingsgedichten. Daarna is de 'ik' bereid zich in Opus I aan de onvoorwaardelijke liefde over te geven:

Breek mij open, jij,
mijn duistere tweeling achter
de gesloten deuren,
dwing mij tot je slaaf.

In dit brandende
lege land ben ik
minder dan stof.

Maak mij doorschijnend, omhuld
door het licht.

Droom mij in deze valkuil.
verscheur mij,
verslind mij,
verteer mij met
het vuur van jouw ingewanden.

Terg mij, totdat ik
niet langer besta.

Bijzonder aan het gedicht is dat de ik-figuur in een heftig verlangen vooral de confrontatie met een ander wil aangaan. Het gaat niet (alleen) om het streven naar vereniging of misschien wel om de mystieke eenwording met die ander. De weg ernaartoe is minstens zo belangrijk: gedwongen slaaf zijn, minder dan stof zijn, doorschijnend – dus volkomen kwetsbaar – zijn. En verscheurd, verslonden, verteerd en getergd willen worden liegt er ook niet om. Hier gaat iemand het gevecht aan met het leven en met de ander.
'Het rimpelloze water lokt de argeloze' lezen we in het tweede gedicht. De titel van het tweede deel sluit hierop aan: Aqua incognita. Deze tocht naar en in het onbekende kenmerkt zich door opdoemende waanbeelden, seksuele bereidheid, vluchtpogingen, de onmacht om afstanden te overbruggen, de koude en de religie: ook 'Op deze ontdekkingsreis kunnen we de kruisberg niet ontlopen. Alleen maar nuttigen is dodelijk op den duur.' Maar voor het zover is, is de ik-figuur in Diep water terechtgekomen, lijkt de aarde onder haar weggeslagen, wordt ze een Verstekeling op wereldschip en ontwikkelt het verlangen zich in de richting van een afloop:

Waar is het einde van
de reis naar
de zilveren schaal?

In Desolatio, het laatste gedicht van deze afdeling neemt de 'ik' afscheid van 'het uitgewoonde land'. Ze heeft in een schijnwereld vertoefd, in een duisternis met schaduwen. De natuur waar brem en gaspeldoorn groeien zijn haar 'toevluchtsoord' waar ze wacht op 'de zachte bries, die (...) de weg wijst naar verlossend water.' Ze is niet verdronken in het onbekende water, maar verzwolgen in de veelheid van de ervaringen die voor haar ontoereikend en onbereikbaar waren.
De bundel heeft een sterk esoterisch karakter vanwege de talloze verwijzingen naar het gnosticisme, wat de toegankelijkheid niet ten goede komt. Op zich is dat geen punt, maar in het ergste geval voel je je als lezer buitengesloten, wat mij enkele malen overkwam. Op zo'n 'blokkerend' moment moet je echt uitgedaagd worden om verder te lezen en ik moet bekennen dat met name in het derde deel van de bundel mij dat niet altijd overkwam. Het gedicht dat ik aan het lezen was ontglipte me, de beelden namen een loopje met me en ik haakte af. Ik krijg zelfs de indruk dat sommige gedichten nog zo aan de persoon van de dichter zelf gebonden zijn, dat ze niet voor een onbekende lezer bedoeld zijn. Soms lijkt het dat de dichter zich opsluit in haar gedichten, dat ze liever haar verwoorde gevoelens en ervaringen nog niet wil vrijgeven, maar uiteindelijk niet anders kan.
In het derde deel van Requiem voor Joshua lijkt de weg ingezet naar het einde. De tijd kent geen weg terug. Het verlangen tot eenwording buiten het aardse, zoals in 'Dromen' is er nog wel, maar 'Dode dromen in mijn ingesneeuwde hart duiden het stervensuur.' Het openingsgedicht is vanuit de gnostische optiek van belang:

Niet alleen in letters ken ik je naam

Ondeelbaar samen in een
verre oorsprong, een onbekommerd
rusten in elkaar.

Grimmig en gepijnigd
op de afgebogen weg:
Eenheid in twee namen neergestreken.
Voor deze droefenis geen troost.

maskers en vermetelheid, ik ben je
onverdraaglijk misgelopen.

Schaduwen verlicht, de wachter wenkt.
Ontdaan van droesem ben je
niet voortijdig aangemeerd.

Laat deze droom het daglicht niet beroeren.

De 'twee namen' zullen niet meer samenkomen. De laatste gedichten kenmerken zich door het willen 'verdwalen in het dal van vergetelheid', door 'versmolten willen zijn', door gedachten aan een voorbije tijd. Deze gedichten zijn herinneringen aan iets wat er nooit was, aan 'vervlogen ijlheid', ze 'zingen mijn leegte tot een glinsterend geronnen maanlichtmelodie.' De beeldtaal en de melancholische en soms wanhopige toon van de bundel zijn mooi, de intentie van de dichter is oprecht, maar ik kom soms niet of te weinig door (of langs!) een gedicht heen en dat betreur ik. Als lezer krijg je dan het gevoel dat je niet mee mag en ik wil zo graag mee.

Marianne Som – Requiem voor Joshua
De Distel, Brussel, 2005
36 blz.; € 15,- incl. verzendkosten
Bestellen via Xmarianne_som@hotmail.comX (de letters X uit dit adres verwijderen!)





[gepubliceerd: 10 april 2005]
 
^    deze tekst printen